De verschrikkelijke reis—geen nachtmerrie was ooit zoo akelig—was eindelijk afgeloopen; daar was het station van Bryngelly. Geoffrey sprong den trein uit en gaf zijn kaartje af, daarbij den spoorwegbeambte, die het aannam, in het gelaat ziende. Als er een treurig voorval had plaats gehad, zou de man het geweten hebben, en er op zijn gelaat wel iets van die half verblijde uitdrukking dat er een akelig geheimzinnig nieuwtje te vertellen was, te lezen zijn geweest. Maar geen teeken was daarvan te bespeuren, en dit wekte weer een schemering van hoop in Geoffrey’s gefolterd hart.
Hij verliet het station, en liep snel naar de pastorie, in een gemoedstoestand, zooals alleen zij kunnen beseffen, die de spanning van onzekerheid in de hoogste mate harer verschrikkelijkheid kennen. Maar spoedig kwam er een einde aan. Toen hij aan het hek van de pastorie was, kwam de dikke Welsche dienstmaagd Betty hem haastig te gemoet. Nu verloor Geoffrey alle hoop. [308]
De dienstmaagd herkende hem, en in haar verwarring scheen zij in ’t minst niet verwonderd te zijn hem daar op een zomerochtend, kwartier vóór zevenen, te zien. Zelfs bracht zij Geoffrey eenigszins met Beatrice in verband, want dadelijk zeide zij:
“O, mijnheer, weet gij ook waar Miss Beatrice is?”
“Neen,” riep hij, zich tot steun aan het hek vastgrijpende. “Waarom vraag je dat? Ik heb haar in geen weken gezien.”
Nu deed Betty een lang verhaal. Mijnheer Granger en Miss Elisabeth waren van huis, en zouden eerst over twee uren terugkomen. Miss Beatrice was gisterennamiddag uitgegaan en niet thuisgekomen om thee te drinken. Daar was Betty niet ongerust over geweest, meenende dat zij ergens den avond doorbracht, en omdat zij zeer vermoeid was, had zij niet op haar gewacht, maar was om acht uur naar bed gegaan en had de deur niet op slot gedaan. Toen zij dien ochtend opstond, zag zij dat Miss Beatrice dien nacht niet thuis geslapen had, en nu ging zij haar zoeken.
“Waar ging zij heen, toen zij uitging?” vroeg Geoffrey.
Dat wist Betty niet, maar zij dacht dat Miss Beatrice was gaan roeien. Zij had, ten minste, haar tennis-schoenen aangedaan, wat zij altijd deed als zij uit roeien ging.
Nu begreep Geoffrey het maar al te wel. “Ga mee naar het schuitenhuis,” zeide hij.
Zij gingen naar het strand, waar op dit uur nog niemand was, behalve eenige werklieden. Bij het schuitenhuis ontmoetten zij den ouden Eduard, die daar met een sleutel in de hand liep.
“Mijn Hemel, mijnheer!” zeide hij. “Gij hier! Wat komt gij hier zoo vroeg doen?”
“Is Miss Beatrice gisterenavond met haar bootje uit geweest?” vroeg Geoffrey, met een heesche stem.
“Neen, mijnheer, zoover ik weet, niet. Mijn zoon heeft gisterenavond het schuitenhuis gesloten, en hij zal er wel eerst in gekeken hebben. Wat! Gij bedoelt toch niet—Wacht, we zullen het dadelijk weten. O, God! het bootje is weg!”
Een akelig stilzwijgen volgde hierop. De oude Eduard brak het af. [309]
“Zij is verdronken, mijnheer,—ja, zoo is ’t,—ik heb wel gezegd dat het daar eenmaal toe komen zou! Verdronken—zij, het mooiste en liefste meisje in heel Wales! En dat alleen door dat vervloekte, wrakke ding. God helpe haar! Verdronken is zij, zeg ik—”
Op die woorden barstte Betty in een luid geween uit.
“Stil, meisje,” zeide Geoffrey, zijn bleek gelaat naar haar toe wendende. “Ga naar de pastorie terug, en als mijnheer Granger thuiskomt, zeg hem dan wat wij vreezen. Eduard, laat eenige mannen langs de kust tusschen hier en Coed zoeken en eenige anderen in een zeilboot. Ik zal naar de Bel-Rots loopen—gij kunt mij volgen.”
Met snelle schreden liep hij langs het strand, vorschend op de zee starende. In somber stilzwijgen schreed hij voort—wanhopig trachtende tegen alle hoop in nog te hopen—de Dog-Rocks voorbij, de lange bocht van het strand om, totdat hij aan het Amphitheater kwam. De vloed was nog hoog; hij kon het vooruitstekende punt nauwelijks voorbij. Toen hij daar omheen was, bleef hij verstijfd van ontzetting staan. Want daar, met den bodem naar boven gekeerd, en door de golven heen en weer gewiegd, lag het bootje van Beatrice.
Verslagen, hopeloos, waadde Geoffrey tot aan de knieën door het water, greep den boeg van het bootje, en sleepte het op het strand. Er scheen niets in te zijn; natuurlijk kon hij ook niets anders verwachten. Zij, die er in had gezeten, was gezonken en door de eb meegevoerd, terwijl het bootje met den ochtendvloed was meegedreven.
Hij zette het overeind, om het water er uit te laten loopen, en uit de holte van den boeg rolde iets blinkends, door een bruin voorwerp gevolgd. Snel liet hij het bootje zakken en raapte het blinkende kleine voorwerp op. Het was zijn eigen ring—den Romeinschen ring, dien hij Beatrice had gegeven, en dien zij hem in den brief gezegd had in haar doodsuur te zullen dragen. Hij raakte den ring met zijn lippen aan en stak dien aan zijn vinger, zwerende dat hij dit aandenken van de geliefde doode in zijn leven [310]niet zou afleggen en dat het na zijn dood met hem begraven zou worden.
Ave atque vale—dat waren de woorden, die er ruw in gegraveerd stonden. Gegroet en vaarwel—haar laatste woorden aan hem! O, Beatrice! aan u ook ave atque vale. Gij hadt geen gepaster boodschap kunnen zenden. Gegroet en vaarwel! Was daarin niet alles opgesomd? In den cirkel van dien kleinen ring was geheel het menschelijk leven samengevat: hier was het begin en het einde van Liefde en Haat, van Hoop en Vrees, van Vreugde en Droefheid.
En wat was dat andere overblijfsel? Hij nam het op—het was haar tennis-schoen, die van haar voet was gespoeld.
Door aandoening overstelpt, wierp Geoffrey zich snikkend op de rots neder—die rots, waar hij met haar had gezeten, toen de Hemel voor hun oogen geopend was. Maar zulk betoon van aandoening ligt niet in den aard van een man, en gelukkig duurde die vlaag van hartstochtelijkheid niet lang. Dat had hij ook niet kunnen uithouden.
Hij stond op en liep het strand weder langs. Juist kwam de oude Eduard met zijn zoon aan. Geoffrey wees naar de boot, en hield het schoentje omhoog.
“Ach,” zeide de oude man, “zooals ik wel dacht! Zij is verdronken; zij ligt nu twintig mijlen ver, en de zeemeeuwen krijschen boven haar. Dat komt door dat ellendige bootje. Ik wou dat ik het maar lang geleden had stukgeslagen. Ik had wel voor niet een nieuw bootje voor haar willen maken. Dat vervloekte wrakke ding!” riep de oude man, het hoofd afwendende, om de tranen, die langs zijn verweerd gelaat vloeiden, te verbergen. “Daar, verwenschte notedop!” En hij nam een rotsblok op, en wierp het met al zijn kracht door den bodem van het bootje. “Je zult niemand meer verdrinken. Maar u heeft het geluk aangebracht, mijnheer; gij zult uw leven lang fortuin hebben. Het heeft u den schoen van een drenkeling gebracht.”
“Breek het niet verder,” zeide Geoffrey. “Zij hechtte er waarde [311]aan. Brengt het liever tusschen u beiden weg—het kan misschien noodig zijn. Ik ga naar de pastorie.”
Hij liep terug. Granger en Elisabeth waren nog niet thuisgekomen, maar zij werden elk oogenblik verwacht. Hij ging naar de huiskamer. Die was vol herinneringen aan Beatrice. Daar lag een roman, dien hij haar gegeven had, en daar was het blad van den vorigen dag, dat zij uit Londen had medegebracht, de Standard, waarin zijn redevoering stond.
Geoffrey hield de hand voor zijn oogen, en dacht na. Niemand anders dan hij wist dat zij zelfmoord begaan had. Als hij daar bekendheid aan gaf, zou er het een en ander van haar gezegd worden; wat van hem gezegd werd, was hem onverschillig; maar haar goede naam moest niet geschonden worden. Er zou, bij voorbeeld, gezegd kunnen worden dat het geheele verhaal waar was, en dat Beatrice gestorven was, omdat zij niet langer, aan openlijke schande blootgesteld, kon leven. Ja, hij deed beter er van te zwijgen hoe en waarom zij gestorven was. Zij was dood—niets kon haar in het leven terugroepen. Maar hoe dan moest hij zijn aanwezigheid hier verklaren? Gemakkelijk genoeg. Hij zou ronduit verklaren dat hij gekomen was, omdat Beatrice hem geschreven had, welke beschuldigingen tegen haar ingebracht waren, en waarmede hij bedreigd was—en dat hij haar dood gevonden had. En daarover had hij een woord met Owen Davies en Elisabeth te spreken.
Nauwelijks had hij dit besluit genomen, of Elisabeth en haar vader kwamen binnen. Het was hun duidelijk aan te zien, dat zij nog niets gehoord hadden.
Geoffrey stond op, en Elisabeth zag hem staan met fonkelende oogen en een doodsbleek gelaat. Zij deinsde van schrik terug.
“Wat brengt u hier, mijnheer Bingham?” vroeg zij, met haar schelle stem.
“Kunt gij dat niet vermoeden, Miss Granger?” zeide hij, op strengen toon. “Eenige dagen geleden hebt gij zekere beschuldigingen uitgebracht tegen uw zuster en mij, in tegenwoordigheid van uw vader en mijnheer Owen Davies. Die beschuldigingen zijn [312]mij medegedeeld, en ik ben gekomen om er op te antwoorden en er voldoening voor te vragen.”
Granger dribbelde zenuwachtig heen en weer, met een gezicht alsof hij wel had willen wegloopen, maar Elisabeth deed, met karakteristieken moed, de deur dicht, en trotseerde den storm.
“Ja, ik heb die beschuldigingen ingebracht, mijnheer Bingham,” zeide zij, “en zij zijn waar. Maar, wacht, wij moesten liever eerst Beatrice laten roepen.”
“Gij kunt haar laten roepen, maar gij zult haar niet vinden.”
“Wat bedoelt gij daarmede—wat wil dat zeggen?” vroeg haar vader ongerust.
“Het wil zeker zeggen, dat hij haar ergens verborgen heeft,” zeide Elisabeth, met een hoonenden glimlach.
“Het wil zeggen, mijnheer Granger, dat uw dochter Beatrice dood is.”
Ditmaal verloor Elisabeth haar zelfbeheersching en kon een kreet van schrik niet bedwingen, terwijl haar vader tegen den wand achteruit waggelde.
“Dood! dood! Wat bedoelt gij? Hoe is zij gestorven?” vroeg hij.
“Dat is God en haar alleen bekend,” antwoordde Geoffrey. “Zij is gisterenavond in haar bootje uitgegaan. Toen ik hier van ochtend aankwam, werd zij voor ’t eerst vermist. Ik heb langs het strand geloopen en haar bootje ’t onderste boven gevonden,” en hij legde den doorweekten schoen op de tafel.
Nu ontstond er een diep stilzwijgen, te midden waarvan Owen Davies met woesten blik en verwarde haren de kamer binnenstormde.
“Is het waar?” riep hij uit; “zeg het mij—het kan niet waar zijn dat Beatrice verdronken is. Zij kan mij niet ontnomen zijn, juist nu zij met mij zou trouwen. Zeg dat het niet waar is!”
Geoffrey’s bloed kookte. Hij liep de kamer door, deed de deur op slot, en bleek van woede en met vlammende oogen greep hij Owen Davies bij de schouders als in een schroef.
“Gij, vervloekte schurk—lage hond!” barstte hij los, “gij en die slechte vrouw,” en hij schudde zijn vuist tegen Elisabeth, “hebt [313]samengespannen om een smet op Beatrice te werpen. Gij hebt nog meer gedaan; gij hebt gedreigd mij aan te vallen, te beproeven mij in ’t verderf te storten, als zij zich niet aan u wilde overgeven. Verfoeilijke huichelaar, gij hebt haar gekweld en haar schrik aangejaagd; nu ben ik hier om u schrik aan te jagen. Gij hebt gezegd dat gij het land van uw lastertaal zoudt doen weergalmen. Maar dit zeg ik u—luistert gij naar mij?—als gij het waagt haar naam in zulk een beteekenis te noemen, of als die vrouw het waagt, zal ik alle beenderen in uw ellendig lichaam stukslaan—bij den Hemel, ik zal u dooden!” En hij stiet Davies van zich, en terwijl hij dit deed, gaf hij hem met den rug van zijn hand een slag in ’t aangezicht.
De man nam geen notitie van de woorden, of van de doodelijke beleediging van den slag.
“Is het waar?” schreeuwde hij uit; “is het waar, dat zij dood is?”
“Ja,” zeide Geoffrey, hem volgende en zijn rijzige gestalte over hem heen buigende, want Davies was tegen den wand nedergevallen, “ja, ’t is waar—zij is dood—en voor altijd buiten uw bereik. Bid God dat gij allen niet eenmaal haar moordenaars genoemd moogt worden—schaamtelooze laaghartigen!”
Owen Davies slaakte een schellen kreet en zonk als een zoutzak op den grond ineen.
“Er is geen God,” kermde hij; “God had haar mij beloofd—zij zou de mijne worden—gij hebt haar gedood; gij—gij hebt haar eerst verleid, en toen hebt gij haar gedood. Ik geloof dat gij haar gedood hebt. O, ik zal nog krankzinnig worden!”
“Krankzinnig of niet,” zeide Geoffrey, “zeg deze woorden nog eens, en ik trap u het leven uit uw lijf, zooals gij daar ligt. God had haar u beloofd, durft gij zeggen—dat meisje beloofd aan zoo’n hond als gij zijt! Ha, neem u in acht!”
Owen Davies gaf geen antwoord. Daar, op den grond nedergehurkt, wiegde hij zich heen en weder, kermend in den waanzin van teleurgestelde begeerte.
“Die man,” hernam Geoffrey, zich tot Elisabeth wendende, die [314]hem uit een hoek van de kamer aangluurde als een wilde kat, “zegt dat er geen God is. Ik zeg dat er een God is, en dat eenmaal, vroeg of laat, Zijn wraak u zal treffen—moordenares, schrijfster van naamlooze brieven; gij, die, om uw eigen booze oogmerken, wat die ook zijn mogen, te bevorderen, u niet geschaamd hebt den naam van uw onschuldige zuster door het slijk te sleuren. Ik heb tot dusverre nooit aan een hel geloofd, maar er moet een hel zijn, Elisabeth Granger, voor dezulken als gij. Ga uws weegs; leef uw tijd uit; maar leef ieder uur in vrees en beving voor de wraak, die u eenmaal zoo zeker treffen zal als gij sterven zult.
“En wat u betreft, mijnheer,” ging hij voort, den bevenden vader toesprekende, “u laak ik niet zoo sterk, omdat ik geloof dat die adder uw gemoed vergiftigd heeft. Gij hebt misschien geloofd dat het vertelsel waar was. ’t Is niet waar; het was een leugen. Beatrice, die nu dood is, kwam in haar slaap in mijn kamer, en werd er uitgedragen zooals zij er was ingekomen. En gij, haar vader, hebt dien ellendeling en uw dochter van haar verlegenheid gebruik laten maken als een hefboom om haar te dwingen tot een huwelijk, dat zij verfoeide. Ja, wel moogt gij uw gelaat bedekken. Doet allen het ergste wat gij wilt, maar bedenkt dat gij ditmaal te doen hebt met een man, die terug weet te slaan, en niet met een weerloos meisje.”
“Bij den Hemel, het was mijn schuld niet, mijnheer Bingham,” bracht de oude man stamelend uit. “Ik ben er onschuldig aan. Die vrouwelijke Judas, Elisabeth, heeft haar zuster verraden, omdat zij zelve met hem wilde trouwen;” en hij wees naar de ineengezonken gedaante op den vloer. “Zij dacht dat het hem tegen Beatrice zou bevooroordeelen, en hij—hij meende dat zij aan u gehecht was, en op die gehechtheid wilde hij werken.”
“Zoo,” zeide Geoffrey, “nu hebben wij het. En gij, mijnheer, stondt er bij en zaagt toe, omdat gij meendet van haar zielsangst voordeel te kunnen trekken. Nu zal ik u zeggen, wat ik voornemens was geweest verzwegen te houden. Ik beminde haar. Ja, ik beminde haar—evenals zij mij beminde. Ik verklaar dat gij te zamen [315]haar den dood te gemoet hebt gedreven. Haar bloed kome over uw hoofd, voor altijd en eeuwig!”
“O, breng mij naar huis!” jammerde de zoutzak op den vloer—“breng mij naar huis, Elisabeth! Ik durf niet alleen gaan. Beatrice’s schim zal mij vervolgen. Mijn hoofd draait om en om. Breng mij weg, Elisabeth, en blijf bij mij. Gij zijt niet bang voor haar, gij zijt voor niets bang.”
Elisabeth kwam hem te hulp, met een nijdigen blik op Geoffrey. Zij was verschrikt en totaal verslagen, maar toch kon zij nog nijdig zien. Zij nam den jammerenden zoutzak bij de hand, en trok hem de kamer uit. Zij bracht hem naar zijn kasteel en zijn rijkdom. Zes maanden later kwam zij met hem voor den dag, om met hem te trouwen, zoo half krankzinnig als hij was. Een jaar en acht maanden daarna werd hij naar zijn laatste rustplaats gebracht, en was zij de rijkste weduwe in Wales.
Maar in haar borst lag de kiem van een doodelijke ziekte. Nog geen drie maanden nadat zij van hem bevrijd was, stierf Elisabeth ook, en de rijkdom ging in andere handen over.
Geoffrey en Granger bleven alleen. De oude man leunde met het hoofd op de tafel en weende bitterlijk.
“Heb medelijden,” zeide hij, “zeg zulke woorden niet tegen mij. Ik had haar werkelijk lief, maar tegen Elisabeth was ik niet bestand, en ik ben zoo arm. O, als gij haar ook liefhadt, heb dan medelijden! Ik maak er u geen verwijt van dat gij haar liefhadt, hoewel gij er het recht niet toe hadt. Als gij geen liefde voor haar hadt opgevat en niet gemaakt hadt dat zij die liefde beantwoordde, zou dit alles niet gebeurd zijn. Waarom zegt gij zulke verschrikkelijke dingen tegen mij, mijnheer Bingham?”
“Ik had haar lief,” antwoordde Geoffrey, op zachten toon, nu zijn woede voorbij was, “omdat men een meisje zooals zij was niet kon zien zonder haar lief te hebben. Op de geheele wereld is haars gelijke niet te vinden. Maar wie ben ik, dat ik u zou laken? God vergeve ons allen! Voortaan leef ik in de hoop [316]dat ik haar daar, waarheen zij gegaan is, moge wedervinden.”
Beiden bewaarden daarop eenige oogenblikken het stilzwijgen.
“Mijnheer Granger,” hernam Geoffrey, “wees nooit bekommerd over geldzaken. Gij waart haar vader; wat gij noodig hebt, en waar ik in voorzien kan, zult gij hebben. Laten wij elkaar de hand geven, en afscheidnemen om elkaar nooit weer te zien. Zooals ik gezegd heb, God vergeve ons allen!”
“Dank u—dank u,” zeide de oude man, door het witte haar heen, dat over zijn oogen viel, opziende. “Het is een zonderlinge wereld, en wij zijn allen ellendige zondaars. Ik hoop dat er ergens een betere wereld is. Deze ben ik bijna moede, vooral nu Beatrice er niet meer is. Arm meisje, zij was een goede, lieve dochter! Vaarwel! Vaarwel!”
Toen ging Geoffrey heen.