Te half drie uur in den morgen stond het projectiel boven 30° en op een afstand van 1000 kilometer van de Maan. Het bleef onmogelijk schijnen, dat de reizigers een of ander punt der maanoppervlakte zouden bereiken. De snelheid, betrekkelijk matig, was juist daardoor den voorzitter Barbicane onbegrijpelijk. Op dien kleinen afstand toch moest zij zeer groot zijn, om op te wegen tegen de aantrekkingskracht der maan. Doch zij konden zich daarmede niet ophouden; de Maan gaf hun genoeg te zien.
De geleerden zijn het niet eens over de oorzaak van het verschijnsel, dat de opgaven der kleuren van onderscheiden gedeelten der maanoppervlakte niet eenstemmig zijn. Schmidt, daarin gevolgd door Beer en Mädler, meende te mogen vaststellen, dat donkergrijs, hier en daar vermengd met groen en bruin, de voorname kleur is van die vlakten, aan welke men vroeger den naam van zeeën gaf. Barbicane vestigde ook op dit onderwerp zijn aandacht; het bleek hem, dat de genoemde sterrenkundigen gelijk hebben tegenover anderen, die alleen de grijze kleur op de Maan meenen gezien te hebben. Zelfs zag hij het groen als hoofdkleur in de Helderheids- en in de Vochtigheidszee. Ook vertoonde zich voor het oog van Barbicane de blauwe kleur aan kraters niet, die zooals vele andere ringbergen, nog een berg in den binnenkrater hebben. Hieruit bleek dus, dat deze blauwachtige staalkleur niet, zooals sommige sterrenkundigen beweren, voortkomt uit de glazen der verrekijkers of de gesteldheid van onzen dampkring. Barbicane toch zag de Maan door de ledige ruimte heen en met het bloote oog.
Of echter de onmiskenbaar bestaande kleurschakeeringen uit plantengroei ontstonden, daaromtrent durfde hij vooralsnog niets zekers zeggen. Even onzeker bleef hem het roodachtige, zeer duidelijk door hem gezien op een vlakte, naar Lichtenberg genoemd, nabij de Hercynische bergen, die zich aan den rand der Maan bevinden.
Niet gelukkiger was hij ten aanzien van een andere bijzonderheid. Michel Ardan zag lange witte strepen, helder verlicht door de zon. ’t Was een reeks voren, zeer verschillende van de stralen, die men vroeger van den Copernicus zag uitgaan. Zij liepen evenwijdig naast elkander. [176]
Michel Ardan meende er met zijn gewone levendigheid terstond beploegde akkers in te herkennen; hij was van oordeel, dat de maanbewoners wel zeer reusachtige ossen moeten hebben om zulke voren te ploegen.
Barbicane onderrichtte hem nader aangaande deze raadselachtige voorwerpen op de Maan. Het zijn groeven—men telt er omtrent 100—maar de meesten kunnen slechts met zeer fijne werktuigen waargenomen worden. Het best laten zij zich vergelijken bij reusachtige rijtuigsporen, maar sporen van 1000 tot 1500 meter breedte. Zij zijn overal even breed en ofschoon enkelen een zeer zachte bocht maken, loopen zij nimmer in kronkelingen, maar meestal volkomen recht. Beddingen van uitgedroogde rivieren kunnen het niet zijn, want zij loopen niet zelden onveranderd over hooge gebergten heen. Sommige liggen naast elkander, anderen doorsnijden de een de ander overdwars. De lengte is zeer uiteenloopend; er zijn er van eenige kilometers, anderen ook van vele mijlen. Onderscheiden sterrenkundigen van den lateren tijd—aan de vroegere waarnemers, Hevelius, Cassini, Lahire, Herschel, schijnen zij onbekend te zijn gebleven—hebben er hunne aandacht aan gewijd, vooral Schröter, Pastorff, Gruithuizen, Beer en Mädler. Het is echter nog niet gelukt er een aannemelijke verklaring van te geven. Zelfs schijnt het nog niet volkomen uitgemaakt, dat het groeven zijn, daar sommige kenteekenen eer aan dijkvormige verhevenheden zouden doen denken.
Michel Ardan hield vol, dat het hoe dan ook, bewijzen van plantengroei zouden zijn, al waren het rijen boomen, die zichtbaar of onzichtbaar konden wezen, naargelang zij in verschillende jaargetijden al of niet bladerloos zijn.
»Dat kan niet,” antwoordde Barbicane, »want op de Maan zijn geen seizoenen.”
Zoo is het ook. De as der Maan heeft een zoo onbeduidende helling op het vlak harer loopbaan, dat op iedere breedte de zon er altijd even hoog staat. Boven de streken onder en nabij den evenaar staat de zon bijna onveranderlijk in het toppunt; zij staat daarentegen steeds aan den gezichteinder in de nabijheid der polen. Derhalve heeft elke maangordel onafgebroken, òf lente, òf zomer, òf herfst, òf winter.
Het projectiel stond nu boven de streek van 40° breedte, nauwelijks 800 kilometer van de Maan verwijderd. Onder hen verhief zich de berg Helicon, 505 meter hoog; links van hen stonden de lagere hoogten, die onder den naam van Iris-golf een gedeelte der Regenzee uitmaken.

De lange nacht dien zij waren ingetreden. Blz. 180.
Om de Maan met volkomen juistheid te kunnen waarnemen, zou de dampkring der Aarde 170 maal ijler moeten zijn dan nu. Maar in de ledige hemelruimte bevond zich geen middelstof hoegenaamd tusschen de Maan en onze reizigers. Bovendien bevonden zij zich [177]op geringer afstand van haar oppervlakte, dan die, tot welken zij door de telescopen van Lord Rosse en het Rotsgebergte werd aangehaald. Zij waren dus beter dan iemand anders in de gelegenheid [178]om te onderzoeken wat er ware van de bewoonbaarheid der Maan. Doch Barbicane kon het zoo ver niet brengen. Hij zag niets dan doodsche vlakten en kale gebergten; van werk van levende wezens geen spoor. Geen zweem ook van beweging, geen bewijs van plantengroei.
»Dus zouden er geen maanbewoners zijn?” vroeg Michel Ardan teleurgesteld.
»Dat is nog niet bewezen,” gaf Barbicane ten antwoord. »Een mensch is zelfs voor het scherpste gezicht niet verder zichtbaar dan op 7 kilometer. Er zouden derhalve maanbewoners kunnen zijn, die wel ons projectiel zien, maar zelven aan ons oog ontsnappen.”
Tegen 4 uur in den morgen, op de hoogte van 50° breedte, waren zij de Maan tot op 600 kilometer genaderd. Links zagen zij een reeks bergen, door het volle zonlicht beschenen. Rechts een donkere diepte, als een reusachtige uitholling van den grond. Het was de zoogenoemde Zwarte zee, de Plato, een diepte, die men van de Aarde het best kan waarnemen tusschen Laatste kwartier en Nieuwe maan, als wanneer de schaduwen van west naar oost loopen.
Een dergelijke donkere kleur is zeldzaam op de maanoppervlakte. Men heeft haar nog alleen waargenomen in den krater van den ringberg Endymion, oostelijk van de Koude Zee, op het noordelijk halfrond, en op den bodem van den Grimaldi onder den evenaar nabij den oostelijken rand der Maan.
De Plato is een ringberg op 51° noorderbreedte en 4° O. L. der Maan. De krater—zoo noemt men doorgaans de ringvlakte binnen den ringberg—is 92 kilometer lang, 61 breed. Barbicane betreurde het dat hij er niet vlak boven kwam; hij zou dan in een geweldige, misschien geheimzinnige diepte hebben neergezien. Maar aan de richting van het projectiel was niets te doen.
Een uur later waren zij voorbij de noordelijke grens der Regenzee. Van de bergen La Condamine en Fontenelle hadden zij den eenen links, den anderen rechts. Die geheele streek was zeer bergachtig. Zij waren zoo nabij, dat de kijkers de Maan aanhaalden alsof zij niet verder van hen was dan de top van den Mont-Blanc van den waterspiegel der zee. Overal zagen zij bergtoppen en bergringen. Op 70° breedte vertoonde zich de Philolaüs, 3700 meter hoog, met een langwerpig ronden krater van omtrent 7000 meter lengte, nog geen 2000 breed.
De oppervlakte der Maan had, van dat punt gezien, een allergrilligst voorkomen. Alles even scherp, even hoekig, gelijk er ook, dewijl de Maan geen dampkring en dus ook geen schemering heeft, geen zachte overgang is van het licht naar het donker, maar een onmiddellijk afsnijdende lijn, zonder de minste schemering. Daaruit moet volgen, dat de maanbewoners, aangenomen dat zij bestaan, [179]de schitterende zon en de fonkelende sterren zien staan aan een pikzwart uitspansel. Datzelfde zagen trouwens Barbicane en zijn tochtgenooten.
Te 5 uur waren zij de Maan zooveel genaderd dat zij er slechts 50 kilometer van verwijderd waren en het scheen alsof zij haar konden grijpen. Michel Ardan wilde in goeden ernst een hunner vensters openen en naar beneden springen. Een groote dwaasheid, want—gezwegen van de doodelijke hoogte van den sprong, indien het projectiel niet op de Maan nederkwam, zou hij er evenmin komen.
Een uur later zagen zij de pool. Toen vertoonde de maanschijf aan de blikken der reizigers niets dan éen sterk verlichte helft, terwijl de andere in de duisternis verdween. Zachtkens zweefde het projectiel boven de scheidingslijn tusschen het licht en het donker en werd het plotseling in een diepen nacht gedompeld.
[Inhoud]