Intusschen was het projectiel voorbij den Tycho gedreven. Barbicane en zijn twee vrienden volgden met de grootstmogelijke nauwkeurigheid de schitterende lichtstrepen, die van den vermaarden berg naar alle zijden uitgaan.
»Wat waren ze? Welke werking had die strepen veroorzaakt?” Barbicane vroeg dit terecht.
Het schenen groeven te wezen, met opstaande randen; sommigen hadden een breedte van 20, anderen van 50 kilometer. Deze blinkende kanalen liepen hier en daar tot honderden mijlen ver; zoodat ze, vooral naar het oosten, noord-oosten en noorden, de helft van het zuiderhalfrond bedekten. Die voorwerpen zijn zeer raadselachtig. Herschel hield ze voor lava, door de kraters opgeworpen en door de koude verstijfd, maar deze meening heeft weinig bijval gevonden; andere sterrenkundigen voor reeksen van zwerfblokken, aldus gestrooid tijdens het ontstaan van den Tycho.
»En waarom zou dat niet zoo zijn?” vroeg Nicholl.
»Omdat het dan onverklaarbaar is, dat die lichtstrepen rechtlijnig zijn. Bovendien kunnen wij ons niet voorstellen, dat vulkanen daartoe kracht genoeg zouden hebben.”
»Ik vind zooveel moeielijkheid niet in de verklaring van het verschijnsel,” merkte Michel Ardan aan.
»Zoo?” vroeg Barbicane.
»’t Zijn niets dan scheuren,” meende de Franschman, »zooals in een glasruit ontstaan als men er met de hand een steentje door werpt.”
»En welke hand zou dat steentje geworpen hebben?” vroeg Barbicane. [195]
»De hand laten wij daar, maar het steentje kan wel een komeet geweest zijn, of misschien ook een uitbarsting uit het inwendige der Maan.”
»Dus zooveel als een eruptie!”
Inmiddels was de invloed der zonnewarmte op het projectiel aanmerkelijk toegenomen. Kort geleden hadden de reizigers het fel koud, nu werden zij flauw van de hitte.
»Wij worden zoo zoetjes aan er op voorbereid om met die snelle afwisseling van hitte en koude maanbewoners te worden,” sprak Michel Ardan zich het gelaat afvegend.
»Daar hebben wij de maanbewoners weer!”
»Nu ja, maar ’t is toch wel de moeite waard daarover te spreken.”
»Dan doen zich,” antwoordde Barbicane, »twee vragen op: is de Maan bewoonbaar, en is zij bewoond geweest?”
»Dus eerst—is zij bewoonbaar?” zei Nicholl.
»Ik weet het niet,” verklaarde Michel Ardan.
»En ik zeg: neen!” sprak Barbicane met nadruk. »De Maan is meer dan waarschijnlijk niet bewoonbaar, ten minste in haar tegenwoordigen toestand, met geen of zoo weinig als geen lucht, met haar uitgedroogde zeeën, haar watergebrek, haar scherpe afwisseling van hitte en koude, haar nachten en dagen van 354 uren. Onder die omstandigheden kan er, dunkt me, geen dierlijk leven bestaan en geen behoefte van eenig levend wezen, zooals wij het begrijpen, vervuld worden.”
»Maar die wezens zouden anders gevormd kunnen zijn dan wij,” meende Nicholl.
»Dat is moeilijker te beslissen,” oordeelde Barbicane. »Toch zal ik het beproeven, maar moet beginnen met mijn vriend Nicholl te vragen, of hij niet gelooft, dat beweging een noodwendig uitvloeisel van leven is.”
»Zeker,” antwoordde Nicholl.
»Welnu. Wij hebben de oppervlakte der Maan waargenomen op een afstand van 500 kilometer en toch hebben wij op de geheele Maan het allergeringste spoor van eenige beweging niet gezien. Het bestaan van redelijke wezens zou toch wel door het een of ander gebleken zijn. Maar wat hebben wij gezien? Overal verschijnselen der doode stof, nergens een levende schepping. Indien er dus dierlijk leven is, moet het zich verscholen houden in afgronden en spelonken, onbereikbaar voor onzen blik. En dat kan ik niet denken, want men zou er dan toch wel ergens eenig spoor van bemerkt hebben. Maar—nergens! Er schiet dus niets over, dan aan te nemen dat er levende wezens zijn zonder eenige beweging.”
»Met andere woorden: levende wezens zonder leven,” zei Michel Ardan. [196]
»Juist,” antwoordde Barbicane, »en dit is te dwaas om van te spreken.”
»Derhalve,” hernam Michel Ardan ernstig, »de commissie uit de Gun-club, gezien de jongste waarnemingen der Maan, besluit met eenparigheid van stemmen, dat deze tegenwoordig onbewoonbaar is.”
»En nu de tweede vraag,” sprak Nicholl. »Ik vraag aan de geachte commissie: indien de Maan tegenwoordig onbewoonbaar is, was zij dan vroeger bewoond?”
»Burger Barbicane heeft het woord,” zei Michel Ardan.
»Mijn vrienden,” begon deze, »ik heb deze onze reis niet afgewacht om een bepaalde meening te hebben over een vroegere bewoonbaarheid van een wachter onzer Aarde. Onze persoonlijke waarnemingen hebben mij in die meening versterkt. Ik ben volkomen overtuigd, dat de Maan eenmaal bewoond is geweest door menschen als wij zijn, dat zij een dierenwereld gehad heeft, gelijk aan de aardsche; maar tevens, dat dit alles voor altijd verdwenen is. Ik zeg daarmede niet, dat de Maan anders is dan de Aarde; wel echter, dat zij sneller verouderd is. De werkingen der stof zijn op en in haar heviger geweest dan met onze Aarde het geval is. Dit blijkt uit haren tegenwoordigen opgereten, verstijfden, doodschen toestand. Oorspronkelijk waren de Aarde en de Maan, beiden groote gaskogels, overgegaan, eerst in vloeistoffen, later in vaste zelfstandigheden. Onze Aarde bevond zich zeker nog in den gasvormigen of vloeibaren toestand, toen de Maan reeds in vaste stof was veranderd.”
»Dat laat zich wel hooren,” merkte Nicholl aan.
»Destijds,” ging Barbicane voort, »had de Maan een dampkring; haar wateren konden onder de drukking van dien dampkring niet in damp vervliegen. Onder den invloed van lucht, water, licht, zonnewarmte, was de grond bedekt met plantengroei, terwijl ook dierlijk leven zich openbaarde. Immers, de natuur doet niets nutteloos en een zoo uitnemend bewoonbare wereld moet noodzakelijk bewoond geweest zijn.”
»Er zijn toch omstandigheden, met het geheele wezen der Maan ten nauwste verbonden, die er naar mijn oordeel de ontwikkeling eener planten- en dierenwereld hebben moeten beletten, b. v. de dagen en nachten van 354 uren,” merkte Nicholl aan.
»En aan onze polen duren zij wel een half jaar,” viel Michel Ardan in.
»Dat bewijst weinig, want onze polen zijn niet bewoond.”

»Welk een prachtig gezicht moet het geweest zijn!” Bladz. 191.
Barbicane deed hen opmerken, dat, al maken die lange dagen en nachten in den tegenwoordigen toestand der Maan haar nu onbewoonbaar, dit vroeger toch het geval niet geweest is. De dampkring omsloot de Maan met een vochtigen mantel. De dampen [197]stegen er in op in den vorm van nevels. Dit natuurlijk scherm temperde de gloeiende zonnehitte en belette ’s nachts de warmte-uitstraling. Licht en warmte konden zich in de lucht verspreiden. [198]Aldus ontstond een evenwicht, dat thans niet meer bestaat, daar de maansdampkring zoo goed als geheel verdwenen is. Bovendien geloof ik niet, dat destijds die dagen en nachten zoo lang geduurd hebben, omdat waarschijnlijk alstoen de tijd van de aswenteling der Maan nog niet gelijk was aan die van haren omloop om de Aarde.”
»En waarom zijn zij dan nu gelijk?” vroeg Nicholl.
»Ten gevolge van de aantrekking der Aarde.”
»En wie zegt ons, dat die aantrekking krachtig genoeg was om de bewegingen der Maan te wijzigen toen de Aarde nog in vloeibaren toestand verkeerde?”
»Als gij aan de »wie zegt ons?” komt, dan vraag ik ook: wie zegt ons, dat de Maan altijd de wachter der Aarde is geweest?” zei Nicholl.
»En wie zegt ons, dat de Maan niet veel vroeger bestaan heeft dan de Aarde?” bracht Michel Ardan in het midden.
Zij staken met volle zeilen de zee van onderstellingen en mogelijkheden in. Maar Barbicane riep hen tot orde. Toch kon hij Michel Ardan niet beletten te vragen: »zou dan het menschdom van de Maan verdwenen zijn?”
»Zeker,” antwoordde Barbicane, »na ongetwijfeld millioenen eeuwen bestaan te hebben. Van lieverlede zal de lucht dunner zijn geworden en daarmede de Maan onbewoonbaarder, gelijk onze Aarde dat ook door het toenemen der koude zal worden.”
»Door het toenemen der koude?”
»Zonder twijfel. De maanoppervlakte is kouder geworden naarmate de inwendige vuren zijn uitgedoofd en de warmtestof zich heeft samengetrokken. Langzamerhand hebben de gevolgen daarvan zich vertoond: het verdwijnen van dierlijke wezens en van alle plantenleven. Door de aantrekking der Aarde werd de lucht al dunner en dunner; eindelijk verdween zij geheel. Toen werd de Maan onbewoonbaar en bijgevolg onbewoond, een doode wereld zooals wij haar nu zien.”
»En gij zegt, dat dit met de Aarde ook zal gebeuren?
»Waarschijnlijk.”
»Maar wanneer?”
»Wanneer de koude haar oppervlakte onbewoonbaar heeft gemaakt.”
»En heeft men daarvan den tijd berekend?”
»Zeker.”
»Laat hooren.”
»Volgens de waarschijnlijkste berekeningen zal de gemiddelde temperatuur der Aarde tot het vriespunt genaderd zijn na 400,000 jaren.”
»Dat is een molensteen van het hart!” riep Michel Ardan uit. »Zooals gij begont te dreigen, dacht ik, dat wij nauwelijks 50,000 jaar meer te leven hadden.” [199]
De beide anderen lachten hartelijk om dezen uitval. Maar door de levendigheid van hun gesprek hadden zij niet bemerkt, dat het projectiel, na zijn gewone baan te hebben behouden tot boven den evenaar der Maan, zich opeens met snelle vaart van haar was gaan verwijderen.
[Inhoud]