Er was een groote beweging aan boord van de Susquehanna. Officieren en matrozen vergaten het vreeslijk gevaar dat zij hadden geloopen, verbrijzeld en naar den zeebodem medegesleurd te worden. Zij dachten alleen aan het einde der hachelijke reis. Zoo kostte dan de stoutmoedige onderneming van ouden en lateren tijd het leven aan de waaghalzen die haar hadden beproefd.
»Zij zijn het; zij zijn terug!” had de jonge adelborst uitgeroepen, en allen hadden hem begrepen. Doch aangaande het lot der reizigers in het projectiel waren de gevoelens verdeeld.
»Zij zijn dood,” meende de een.
»Zij leven,” zei de ander. »Het water is diep, daardoor is hun val geheel gebroken.”
»Maar zij hebben geen lucht gehad,” merkte een derde aan; »zij hebben moeten stikken.”
»Verbrand!” liet zich een ander hooren. »Het projectiel was niets dan een gloeiende klomp, toen het zoo door de lucht schoot.”
»Dat doet er niet toe,” was de algemeene stem; »dood of levend, wij moeten hen zien op te halen.”
Inmiddels had kapitein Blomsberry zijn officieren om zich verzameld en »onder hun goedkeuring” hield hij scheepsraad. Er moest oogenblikkelijk gehandeld worden. Het noodigste was, het projectiel op te visschen—iets, dat wel zeer moeielijk, maar toch niet geheel onmogelijk was. Maar de korvet miste de noodige werktuigen, zoodat men besloot, naar de naaste haven te stoomen en daar de Gun-club kennis te geven van het neerkomen van het projectiel.
Dit besluit werd met eenparigheid van stemmen genomen; het kwam alleen aan op de keuze der haven. De naastbijgelegen kust bezat geene op die 27° breedte. Het dichtste waren zij nog bij [215]Monterey, maar daar was geen telegraafkantoor, en de electrische draad alleen kon het groote nieuws snel genoeg verspreiden.
Eenige graden hooger opende zich de baai van San-Francisco. De hoofdstad van het goudland zou gemakkelijker hulpmiddelen bieden tot gemeenschap met het hart der Unie. In minder dan twee dagen kon de Susquehanna, met kracht doorstoomende, die haven van Californië bereiken. Dus—onverwijld onder stoom!
De vuren werden opgestookt. Er hingen nog wel een paar duizend vadem lijn overboord, maar wat het zwaarst was moest het zwaarst wegen. De commandant beval, altijd »met goedvinden zijner officieren,” de lijn te kappen.
»Wij zullen,” zei hij, »aan haar boveneinde een boei vastbinden, ten einde de plaats waar het projectiel in zee is gevallen, juist te weten.”
»Bovendien,” zei luitenant Bronsfield, »wij hebben een nauwkeurig bestek, 21° 7′ N. Br. en 41° 37′ W. L.”
»Zeer wel, mijnheer Bronsfield,” antwoordde de kapitein, »en met uw goedvinden, laat de lijn kappen.”
Een groote boei werd stevig aan het boveneinde der lijn vastgebonden, en daar deze duizenden voeten lang was, bestond er geen gevaar van merkbaar afwijken.
De kapitein, onderricht, dat alles kant en klaar was, liet den machinist bedanken voor zijn vaardigheid en gaf last om noordwest te sturen. De korvet wendde en stoomde met volle kracht naar de baai van San-Francisco. Het was zes glazen—drie uur in den morgen.
De afstand tot San-Francisco was een kleinigheid voor een zoo vlug stoomschip als de Susquehanna. Zij kon dien in 36 uren afleggen, zoodat zij den 14den December, ’s namiddags te 1 uur 27 minuten in de baai van de hoofdstad kon zijn.
Hooggespannen was de nieuwsgierigheid, toen het prachtig oorlogsschip daar met volle vaart in zijn ontredderden toestand kwam aanstoomen: zonder boegspriet, met gebroken fokkemast en gehavend touwwerk. Een menigte menschen stroomde naar de kade om de ontscheping af te wachten.
Zoodra de korvet geankerd was, begaven zich kapitein Blomsberry en luitenant Bronsfield in een sloep met 8 roeiers, die hen in een oogenblik aan wal brachten.
Zij sprongen van boord.
»Waar is het telegraafkantoor?” was hun eerste en eenige vraag; geen antwoord gaven zij op de ontelbare vragen die hun gedaan werden.
De havenmeester bracht hen zelf aan het telegraafkantoor, te midden van een menigte nieuwsgierigen.
Blomsberry en Bronsfield traden binnen, terwijl de menigte zich buiten de deur verdrong. [216]
Eenige minuten later werd een gelijkluidend telegram aan vier adressen afgezonden, namelijk: 1) aan den secretaris van het marine-departement te Washington; 2) aan den tweeden voorzitter der Gun-club te Baltimore; 3) aan Maston, Long’s piek, Rotsgebergte; 4) aan den onderdirecteur der sterrenwacht te Cambridge, in Massachusetts.
Het telegram was van den volgenden inhoud:
Op 27° 7′ N. Br. en 41° 37′ W. L., 13 December, te 1 u. 27 min. ’s morgens, projectiel Columbiad in zee gevallen. Sein beschikkingen, Blomsberry, commandant der Susquehanna.”
Het duurde geen vijf minuten, of de geheele stad San-Francisco wist het nieuws. Vóór zes uur in den avond vernamen de verschillende Staten der Unie de groote gebeurtenis. En na middernacht was geheel Europa bekend met den uitslag der Amerikaansche proefneming.
Wij zullen ons niet wagen aan het beschrijven van den indruk, dien deze onverwachte ontknooping allerwege maakte.
Zoodra de secretaris van het marine-departement het telegram had ontvangen, telegrapheerde hij naar de Susquehanna, dat zij in de baai van San-Francisco wachten moest zonder haar vuren uit te dooven. Dag en nacht moest zij zich gereed houden om zee te kiezen.
De sterrenwacht te Cambridge hield een buitengewone vergadering, in welke, met de kalmte die het kenmerk is van geleerde lichamen, de zaak uit wetenschappelijk oogpunt werd in behandeling genomen.
Bij de Gun-club heerschte een groote beweging. Alle artilleristen waren bijeen. Juist las de tweede voorzitter Wilcome de tijding voor, bij welke Maston en Belfast berichtten, het projectiel in den reusachtigen kijker op Long’s piek te hebben waargenomen. Deze mededeeling meldde tevens, dat het projectiel, onder den invloed van de aantrekking der Maan, de wachter van een wachter in het zonnestelsel was geworden.
De lezer weet reeds wat er van de zaak was.
In den boezem der Gun-club vormden zich twee partijen, toen het telegram van Blomsberry was ontvangen en daarmede dat van Maston lijnrecht tegengesproken. Aan de eene zijde stonden diegenen, die den val van het projectiel, en derhalve de terugkomst der reizigers, voor waar hielden. Een andere partij hield zich aan de waarnemingen van Long’s piek, en verklaarde uit dien hoofde het telegram van Blomsberry voor een dwaling. In het oog der laatsten was het vermeende projectiel niets anders dan een vuurkogel, die in zijn val den steven der korvet had gehavend. Men kon tegen deze opvatting weinig zeggen, want de snelheid van het vallend voorwerp had een nauwkeurige waarneming zeer moeten bemoeielijken. De commandant en de officieren der Susquehanna hadden zich gewis te goeder trouw kunnen vergissen. Eén bijzonderheid sprak niettemin [217]tot hun voordeel: dit namelijk, dat indien het projectiel op den aardbol gevallen was, het alleen op 27° noorderbreedte had kunnen neerkomen, en indien men den verloopen tijd benevens [218]de aswenteling der aarde in rekening bracht—tusschen de 41° en 42° westerlengte.

hij had het evenwicht verloren. Bladz. 220.
Hoe het zij, met eenparigheid van stemmen werd in de Gun-club besloten, dat de leden Blomsberry, Bilby en majoor Elphiston onverwijld naar San-Francisco zouden vertrekken, ten einde middelen te beramen om het projectiel uit de diepte des oceaans op te visschen.
Deze ijverige mannen togen op reis zonder een oogenblik te verliezen; de spoorweg die weldra geheel midden-Amerika moet doorsnijden, bracht hen te St. Louis, waar vlugge diligences hen zouden opnemen.
Bijna op hetzelfde oogenblik, waarop de secretaris van het departement der marine en de onderdirecteur der sterrenwacht te Cambridge het telegram uit San-Francisco ontvingen, beleefde Maston het vreeslijkst oogenblik van zijn geheele leven, waarin hij misschien nog zekerder zijn leven had ingeschoten dan bij het springen van zijn vermaard kanon, en waarbij hij zeer zeker nog meer naam zou gemaakt hebben.
De lezer zal zich herinneren, dat de secretaris der Gun-club zich onmiddellijk na het afschieten der Columbiad naar zijn post in het Rotsgebergte, en bijna even snel als het projectiel had begeven. De geleerde directeur der sterrenwacht te Cambridge, mijnheer Belfast, vergezelde hem. Ter plaatse hunner bestemming aangekomen, hadden zij de noodige beschikkingen genomen en verlieten den mond van den reusachtigen telescoop niet.
Reeds is verhaald, dat deze groote kijker een spiegeltelescoop was, waar men van boven inzag. Hij was boven een refractor gekozen, opdat men zoo weinig mogelijk licht zou verliezen en het voorwerp waarop men het richtte, de meestmogelijke helderheid behouden. Ten gevolge dier inrichting plaatsten zich Belfast en Maston boven aan het instrument. Zij kwamen er langs een wenteltrap, een meesterstuk van lichtheid. Er aldus inziend, namen zij waar hetgeen de spiegel op den bodem der reusachtige buis van 280 voet lengte terugkaatste.
De twee waarnemers brachten dus al hun tijd door op den omgang aan den mond van den telescoop, grommende over het weder, dat de Maan aan hun gezicht onttrok en alle waarneming aan den hemel onmogelijk maakte.
Men stelle zich dan voor, hoe groot hun vreugde was, toen, na eenige dagen wachtens, in den nacht van 5 December, het voertuig dat hun vrienden bevatte, zich aan hun blikken vertoonde! Op die vreugde volgde een smartelijke teleurstelling, toen zij in vertrouwen op onvolledige waarnemingen hun eerste telegram overal lieten verspreiden, dat het projectiel een wachter van de Maan was geworden en zich in een onveranderlijke baan om haar bewoog. [219]
Sedert dat oogenblik had het gevaarte zich niet meer aan hun oog vertoond; en dit was zeer natuurlijk, daar het zich toen bewoog boven de van ons afgekeerde zijde der Maan. Maar toen het weder op de voor ons zichtbare maanschijf moest te zien zijn, was er projectiel noch wat erop geleek te bespeuren! Men verbeelde zich het ongeduld van den opgewonden Maston en zijn geleerden metgezel, die niet minder ongeduldig was dan hij! Elk oogenblik van den nacht meenden zij het voertuig te zien, maar ’t geleek er niet naar! En dit gaf tusschen hen aanleiding tot gedurige kibbelarijen. Belfast beweerde: het projectiel was er niet, Maston hield stijf en sterk staande, dat het hem als vlak voor de oogen stond.
»’t Is het projectiel!” zie Maston nog eens.
»Neen, zeg ik u,” antwoordde Belfast. »Het is een sneeuwval die van een maanberg naar beneden rolt.”
»Welnu, morgen zullen wij het wel zien.”
»Wij zullen het nimmer meer zien; het is nu in de hemelruimte verdwenen.”
»Neen.”
»Ja.”
En in die oogenblikken, waarin de ja’s en neen’s ratelden als hagel, was de welbekende prikkelbaarheid van den secretaris der Gun-club een altijddurende kwelling voor Belfast.
Zulk een leven zou weldra onhoudbaar geworden zijn, maar een onverwacht voorval maakte een einde aan dat eeuwigdurend overhoopliggen.
In den nacht van 14 op 15 December waren de twee onvermoeide kampioenen bezig met het waarnemen der Maan. Maston schold naar gewoonte op den geleerden Belfast, die zijnerzijds ook geen troef verzaakte. De secretaris der Gun-club beweerde voor de duizendste maal, dat hij het projectiel zag, er zelfs bijvoegende, dat hij het gelaat van Michel Ardan voor een der kijkglaasjes had gezien. Hij bevestigde zijn verzekeringen met een reeks gebaren, die eenigszins verontrustend werden door het zwaaien met zijn haak.
Op dit oogenblik verscheen de bediende van Belfast op den omgang; het was 10 uur in den avond—de bediende overhandigde een telegram aan zijn meester. ’t Was van den commandant der Susquehanna.
Belfast brak den omslag open en slaakte een kreet.
Maston kuchte.
»Het projectiel?”
»Welnu?”
»Is op de aarde gevallen.”
Een nieuwe kreet, ditmaal een akelig gehuil!
Belfast keerde zich naar Maston. De ongelukkige had onvoorzichtig genoeg een weinig te veel over den rand van de telescoopbuis [220]gehangen; hij had het evenwicht verloren en was er in gevallen! Een val van 280 voet, om op een harden spiegel terecht te komen! Belfast zag hem na met angstige blikken.
Maar, o geluk! Maston was met zijn haak aan een schoorijzer van de buis blijven hangen. Hij jammerde en gilde, maar hield zich toch vast.
Belfast riep om hulp. Er daagden menschen op; zij haalden touwen, die men om Maston wist te slaan, en met groote moeite trok men eindelijk den onvoorzichtigen secretaris der Gun-club uit den telescoop.
»’t Zou wat te zeggen zijn geweest,” was zijn eerste woord, »als ik den spiegel eens had gebroken!”
»Dan hadt gij hem kunnen betalen,” antwoordde Belfast droogjes.
»Waar is dat satansche projectiel gevallen?” vroeg Maston.
»In de stille zee.”
»Laat ons gaan.”
Een kwartier later daalden de beide sterrenkundigen af langs de helling van het Rotsgebergte, twee dagen later waren zij tegelijk met hun vrienden uit de Gun-club te San-Francisco, na onderweg vijf paarden doodgereden te hebben.
Elphiston, Blomsberry van de club en Bilsby hadden zich bij hun aankomst bij hen gevoegd.
»Wat nu?” riepen zij uit.
»Naar het projectiel visschen,” antwoordde Maston, »en wel hoe eer zoo beter.”
[Inhoud]