Hij is weg, .... hij is weg, .... dat suisde door moeder Rubrecht's hoofd de heele dagen door en de nachten als ze wakker lag.
Hij is weg, mijn lieveling, fluisterde ze soms heel zacht voor zich heen in den stillen nacht.
En ze bad weer: O goeie God! waak over hem! .... ik kan nu niets meer [Pg 175]voor hem doen! .... o God, maak hem gelukkig!....
Altijd dacht ze aan hem.... 't Liefst haalde ze zich zijn beeld voor den geest zooals hij geweest was tien jaar oud, aardig klein jongetje, leunend aan haar schoot.... Maar ook later, zooals hij was thuis gekomen, toen hij den eersten keer naar 't buitenland was geweest, den eersten keer, dat hij zoolang van haar weg geweest was, zes maanden!.... Wat had hij haar toen gekust, en wat was hij uitgelaten geweest! Dol! Hij had met haar gedanst door de kamer, hij moest met haar uit, hij sprak over alles met zijn „moedertje-lief,” zoo als hij toen altijd zei,—„ouwetje” zei hij ook wel 's—wat 'n heerlijke tijd was dat geweest....
Maar altijd kwam haar denken ten slotte weer neer op dien vreeselijken dag toen ze naar Smit was gegaan om 't af te maken. Die zware dag, die zwarte dag! Maar ja, ja, ja, ze had [Pg 176]haar plicht gedaan, zij moest 't doen! zij moest, zij moest. O! als ik daar zelf ooit aan ga twijfelen, dacht ze, dan .... dan is alles uit....
Ik heb mijn plicht gedaan, zei ze dan maar aldoor in zichzelf. Hij zal 't ook wel in gaan zien. Van dat verre land uit zal hij de dingen zien zoo als ze zijn. Want als je er midden in staat zie je de dingen niet in hun ware verhoudingen, maar op een afstand zie je ze zoo als ze zijn.... Hij zal 't wel gaan begrijpen.
Maar ook al begreep hij 't nooit!.... Zij had haar plicht gedaan, zij mocht niet anders doen.