Ik besloot een man te gaan opzoeken, tot wien zich het meerendeel der lakeien wendden, die op straat staan en dan uit zijn register een nieuwe betrekking te zoeken, maar toen ik juist de doodloopende straat waarin hij woonde, wilde binnen gaan, ontmoette ik dokter Sangrado, die ik niet meer gezien had sinds den dag van het sterven mijns meesters en ik nam de vrijheid hem te groeten. Hij herkende me oogenblikkelijk, hoewel ik van kleeding verwisseld had en terwijl hij eenige blijdschap toonde mij te zien, zei hij: “Zoo, mijn jongen, zijt gij daar, ik dacht straks juist aan je. Ik heb een goeden jongen noodig om me te dienen, en ik dacht dat gij wel de aangewezen persoon voor mij zoudt zijn, als gij zou kunnen lezen en schrijven,”—“Mijnheer, wat dat aangaat ben ik wat u verlangt, want ik kan het een zoowel als het ander,” antwoordde ik. “Als dat zoo is, zijt gij de man, dien ik noodig heb,” hernam hij. “Kom bij mij, gij zult er slechts aangenaam bezig zijn en ik zal u met voorkomendheid behandelen. Ik zal u geen loon geven; maar het zal u aan niets ontbreken. Ik zal zorg dragen je goed te onderhouden en ik zal je de groote kunst leeren alle ziekten te genezen. In één woord, ge zult meer mijn leerling dan mijn bediende zijn.”
Ik nam het voorstel van den dokter aan in de hoop, dat ik onder een zoo bekwaam meester, mij in de geneeskunde beroemd zou kunnen maken. Hij nam me dadelijk met zich mee om me in de betrekking, waarvoor hij mij bestemde, te installeeren; en die betrekking bestond in het opschrijven [114]van den naam en de woonplaats van al de zieken, die hem lieten halen, terwijl hij de stad in was. Tot dat doel was er een register in huis, waarin een oude meid, die hij als eenige dienstbode hield, de adressen opteekende; maar behalve, dat zij de kunst der spelling niet verstond, schreef ze zoo slecht, dat men meestentijds haar schrift niet ontcijferen kon. Hij belastte mij met de zorg dat boek bij te houden, dat men zeer juist een sterfteboek zou kunnen noemen, daar de lieden, wier namen ik opnam, bijna allen stierven. Ik schreef er om zoo te zeggen alle menschen in op, die naar de andere wereld wilden vertrekken, zooals een kommies op een bureau van openbare vervoermiddelen de namen opschrijft van hen, die plaatsen reserveeren. Ik had dikwijls de pen in de hand, daar er in dien tijd geen een dokter in Valladolid was, die zoo goed stond aangeschreven als dokter Sangrado. Hij was in de gunst van het publiek gekomen door een schoonschijnende woordenkeus, vergezeld van een indrukwekkend voorkomen en ook door eenige gelukkige behandelingen, die hem meer hadden aangebracht dan zij verdienden.
Het ontbrak hem niet aan praktijk, dus ook niet aan welvaart. Toch nam hij het er daarom niet beter van; men leefde bij hem zeer sober. Wij aten gewoonlijk niets anders dan erwten, boonen, gebraden appelen en kaas. Hij zei dat die spijzen het beste voor de maag waren, als zijnde de meest geschikte voor de opname, dat wil zeggen om gemakkelijker verteerd te worden. Niettegenstaande hij ze gemakkelijk te verteren vond, wilde hij niet, dat we er ons genoegen aan aten, waarin hij zich zeker heel redelijk betoonde. Maar indien hij aan de dienstbode en mij verbood veel te eten, stond hij ons als belooning toe zooveel water te drinken als wij maar wilden. Verre van ons daarin te beperken, zei hij ons dikwijls: Drink maar, kinderen; de gezondheid bestaat in het soepele en de vochtigheid der organen. Drink ruimschoots water; dat is een algemeen oplossingsmiddel, het water doet alle zouten smelten. Gaat de stroom van het bloed langzamer, dan [115]wordt hij daardoor sneller; is hij te snel, dan vertraagt het die onstuimigheid.” Onze dokter geloofde zoo vast aan dit alles, dat hij zelf, hoewel van gevorderden leeftijd, nooit iets anders dan water dronk. Hij betitelde den ouderdom als een natuurlijke tering, die ons uitdroogt en verteert en bij die definitie beklaagde hij de onwetendheid van hen, die de wijn de melk der grijsaards noemen. Hij hield vol dat de wijn het gestel verslijt en ondermijnt en zei zeer welsprekend, dat die doodelijke vloeistof voor hen, evenals voor allen, een verraderlijke vriend en een bedriegelijk genoegen is.
Niettegenstaande die geleerde theorieën kreeg ik na acht dagen in dat huis te zijn geweest een hevigen buikloop en ik begon heftige maagpijnen te gevoelen, die ik de brutaliteit had aan het algemeene oplossingsmiddel toe te schrijven en aan het slechte voedsel, dat ik daar gebruikte. Ik beklaagde er mij bij mijn meester over, in de hoop dat hij een beetje van zijn regime zou afwijken en mij wat wijn bij mijn maaltijden zou geven, maar hij was een te groot vijand van deze vloeistof om me dat toe te staan, en zei: “Indien ge eenmaal de gewoonte van het waterdrinken hebt, zult ge er de uitnemende werking van op prijs stellen; trouwens als ge eenigszins een afkeer van zuiver water hebt, zijn er onschuldige hulpmiddelen om de maag tegen het flauwe van dien waterdrank bestand te doen zijn. De salie, bijvoorbeeld, en de prij geven het een verrukkelijken smaak en indien ge ze nog heerlijker wilt imaken, behoeft ge er slechts anjelierbloesems-, rozemarijn- of klaprozen-aftreksel door te doen.”
Al prees hij water ook nog zoo en al wilde hij mij in de geheimen inwijden er heerlijke brouwsels mee samen te stellen, ik dronk voortaan zoo matig, dat hij op een goeden dag dit bemerkende, zeide: “O, waarlijk, Gil Blas, ik verwonder er me niet over, dat gij geen volmaakte gezondheid bezit; ge drinkt niet genoeg, beste vrind. Wanneer het water in kleine hoeveelheden genomen wordt, dient het slechts om de galdeelen te ontwikkelen en hun werkzaamheid [116]te verhoogen, inplaats dat ze verdronken worden in een overvloedige verdunning. Denk niet, beste jongen, dat deze overvloed van het water verzwakt of je maag zal verkoelen; laat verre van u dien panischen schrik, dien het vele drinken u misschien inboezemt. Ik sta je daarvoor borg, en indien ge mij niet goed genoeg acht om daarvoor in te staan, zal zelfs Celcius het doen. Dat latijnsche orakel heeft een bewonderenswaardigen lof van het water verkondigd; daarbij zegt hij in duidelijke bewoordingen, dat zij, die om wijn te drinken zich verontschuldigen met zwakte van hun maag, een blijkbare onrechtvaardigheid tegen dat lichaamsdeel verkondigen en slechts zoeken hun zinnelijkheid te verbergen.”
Daar het mij niet zou gepast hebben mij stijfhoofdig te toonen bij het betreden der medische loopbaan, deed ik maar of ik ervan overtuigd was, dat hij gelijk had; ik zal zelfs bekennen, dat ik hem werkelijk geloofde. Ik ging dus voort met water drinken, op verantwoordelijkheid van Celsius, of liever ik begon mijn gal te verdrinken door zooveel mogelijk van dien drank naar binnen te werken en hoewel ik mij van dag tot dag benauwder gevoelde, behaalde het vooroordeel de overwinning over de ondervinding.
Men ziet dus wel dat ik een gelukkigen aanleg had om dokter te worden. Toch kon ik niet altijd aan de hevigheid mijner pijnen weerstand bieden, die zoo verergerden, dat ik eindelijk het besluit opvatte bij dokter Sangrado weg te gaan. Doch hij belastte mij met een nieuwen werkkring, die me van gevoelens deed veranderen. Op zekeren dag zei hij tot mij: “Luister, ik ben geenszins een van die harde ondankbare meesters, die hun dienaren oud laten worden in dienstbaarheid zonder hen te beloonen. Ik ben tevreden over je en houd van je; en zonder te wachten tot ge me langeren tijd gediend hebt, heb ik het besluit genomen van heden af je fortuin te maken; ik wil je aanstonds het fijne ontdekken van de gezondheidsleer, die ik reeds gedurende zooveel jaren uitoefen. Andere dokters laten de kennis baseeren op duizende lastige wetenschappen en ik [117]stel me voor je dien langen weg te bekorten en je de moeite te besparen van het bestudeeren der natuur-, pharmacie- kruid- en ontleedkunde. Weet dan, mijn jongen, dat het eenige is: aderlaten en warm water laten drinken; dat is het geheim tot de genezing van alle ziekten ter wereld. Ja, dat eenvoudige geheim dat ik je ontdek, en dat de natuur, ondoordringbaar voor mijn collega’s niet aan mijn opmerkingsgave heeft kunnen onttrekken, is besloten in deze twee punten: aderlating en veelvuldig drinken. Ik heb je nu niets meer te leeren, je kent de geneeskunde nu grondig, en als je profiteert van de vrucht mijner vele ondervindingen, dan ben je eensklaps even geleerd als ik. Gij kunt me nu terzijde staan; ’s morgens zult ge ons register bijhouden en ’s middags een gedeelte van mijn patiënten bezoeken. Terwijl ik de zorgen op mij neem voor de voornamen en de geestelijken, zult gij voor mij de huizen bezoeken van den derden stand; en wanneer ge eenigen tijd voor mij zult gewerkt hebben, zal ik u bij mij als geneeskundige aannemen. Gil Blas, gij zijt geleerd voor ge dokter zijt, in tegenstelling met anderen die reeds lang geneesheer zijn, zelfs velen hun leven lang, voor ze geleerden zijn.”
Ik bedankte den dokter er voor, dat hij me zoo vlug geschikt had gemaakt hem tot plaatsvervanger te kunnen dienen; en om mijn dankbaarheid voor zijn goedheden te betoonen, verzekerde ik hem, dat ik mijn geheele leven zijn ideeën zou deelen, zelfs als ze geheel het tegengestelde waren van die van Hippocrates; die verzekering was echter niet geheel oprecht. Ik kon niet instemmen met zijn gevoelens over het water en ik nam me voor elken dag wijn te drinken als ik mijn zieken ging bezoeken. Ik hing voor den tweeden keer mijn geborduurden rok aan den kapstok om er een van mijn meester te dragen, die me het voorkomen van een dokter gaf. Daarna hield ik mij gereed dokter te gaan spelen ten koste van wien er het slachtoffer van werd. Ik begon met een gerechtsdienaar, die pleuris had; ik beval dat men hem [118]zonder genade moest aderlaten en dat men hem het water niet spaarde. Daarna trad ik bij een koekbakker binnen, die van de podraga luide gillen slaakte. Hem, zoo min als de gerechtsdienaar, spaarde ik het bloed aftappen en beval, dat men hem van tijd tot tijd moest laten drinken. Ik ontving twaalf realen voor mijn voorschriften, wat me zooveel schik in mijn ambt deed krijgen, dat ik niets liever wenschte dan wonden en bulten. Toen ik het huis van den koekbakker verliet, ontmoette ik Fabricius, dien ik sedert den dood van Sédillo niet meer gezien had. Hij bekeek me geruimen tijd met verbazing en begon toen uit alle macht te schateren, met zijn handen zijn buik vasthoudende. Nu, er was wel reden voor, want ik had een mantel, die over den grond sleepte, en een wambuis en broek, die vier keer grooter waren dan ze moesten zijn. Ik kon best voor een zonderling, belachelijk type doorgaan. Ik liet hem maar schudden van het lachen, niet zonder in verzoeking te komen zijn voorbeeld te volgen; maar ik hield me in om het decorum in de straat te bewaren en beter de waardigheid van den geneesheer op te houden, die geen belachelijk dier is. Had mijn dwaas voorkomen den lachlust van Fabricius gewekt, zoo werd deze door mijn ernstig gezicht nog verdubbeld; en toen hij flink had uitgebruld, riep hij uit: “Groote God, Gil Blas, wat zie jij er heerlijk uit. Duivels, wie heeft jou zoo toegetakeld?”—“Zachtjes aan, beste vriend, zachtjes aan; heb eerbied voor een nieuwen Hippocrates! Verneem, dat ik de plaatsvervanger ben van dokter Sangrado, die de beroemdste geneesheer van Valladolid is! Ik woon sedert drie weken bij hem; en daar hij niet bij machte is alle zieken, die hem roepen, zelf op te zoeken, ga ik er een gedeelte van zien om hem wat te verlichten. Hij bezoekt de groote huizen en ik de kleine.”—“Zeer goed,” hernam Fabricius, “dat wil zeggen dat hij je het bloed der armen overlaat en hij zich dat der voorname lui voorbehoudt. Ik wensch je geluk met jou deel, beter is het met het volk te doen te hebben dan met de groote [119]wereld. Leve de geneesheer der voorsteden! Zijn fouten komen minder aan het licht en zijn moorden worden minder ruchtbaar. Ja, beste jongen, je lot lijkt me waard benijd te worden en om als Alexander te spreken: indien ik Fabricius niet was, zou ik Gil Blas willen zijn.”
Om den zoon van den barbier Nunez te toonen, dat hij geen ongelijk had het geluk van mijn tegenwoordigen werkkring te roemen, liet ik hem de realen van den gerechtsdienaar en den koekbakker zien; daarna gingen we een herberg binnen om een partijtje te drinken. Men bracht ons vrij goeden wijn, die me nog beter toescheen door den grooten lust dien ik gevoelde er van te proeven. Ik dronk met lange teugen, en in weerwil van het Latijnsche orakel, hoe meer ik er van in mijn maag goot, hoe meer ik voelde, dat dit orgaan de onrechtvaardige behandeling, die ik het deed ondergaan, niet kwalijk nam. We bleven lang in de herberg plakken, en we vermaakten ons zeer ten koste onzer meesters, zooals dat de gewoonte is onder dienaren. Vervolgens, ziende dat de avond begon te vallen, scheidden wij, na wederzijds beloofd te hebben, dat we elkaar den volgenden middag weer op dezelfde plaats zouden ontmoeten. [120]
[Inhoud]