Diego de la Fuente vertelde mij nog meer avonturen die hem sedert overkomen waren, maar daar zij mij niet waard schijnen te vertellen, ga ik ze stilzwijgend voorbij. Wij kwamen spoedig in het dorpje Porte de Duero en bleven daar het overige van den dag. Wij lieten ons daar in de herberg een lekkere koolsoep en gebraden haas klaar maken. Den volgenden morgen vertrokken wij met den dageraad na eerst onze lederen zak met tamelijk goeden wijn gevuld te hebben; bovendien namen wij wat brood mede en den halven haas die den vorigen avond was overgebleven.
Toen wij ongeveer twee mijlen geloopen hadden, kregen wij honger, daar wij op twee honderd pas van den grooten weg af verscheidene groote boomen zagen die rijkelijk schaduw gaven, hielden wij daar stil. Wij ontmoeten er een jongen man van ongeveer zeven en twintig jaar, die bezig was korsten brood in een beek te weeken. Naast hem lag een lang rapier en een knapzak, die hij van zijn schouders had geworpen. Hij zag er armoedig gekleed uit doch overigens had hij een flinke gestalte, en hij was tamelijk knap van uiterlijk. Wij naderden hem zeer beleefd en hij groette ons evenzoo terug. Vervolgens bood hij ons van zijn korsten aan en vroeg ons lachende of wij van de partij wilden zijn. Wij zeiden ja, mits wij ter aanvulling, ons ontbijt mochten toevoegen. Hij stemde hierin gaarne toe en wij haalden terstond onzen voorraad voor den dag, wat den [163]onbekende naar ’t scheen nog al beviel. “Mijne heeren,” riep hij uit, “gij zijt goed van mondvoorraad voorzien. Zooals ik zie zijt gij vooruitziende lieden; wat mij betreft, ik reis niet met zooveel voorzorgen, maar laat heel veel aan [164]het toeval over. En toch kan ik zonder bluf zeggen, dat ik soms een zeer gewichtig persoontje ben, al treft ge me hier onder slechte omstandigheden. Weet gij wel dat ik meestal behandeld word als een prins en dat ik er een lijfwacht op nahoudt?—“O, ik begrijp u al,” zei Diego (dit is de naam van den barbiersjongen) “gij wilt daarmee zeggen dat gij tooneelspeler zijt.”
—“Gij hebt het geraden,” antwoordde de ander, “ik speel al minstens vijftien jaar komedie. Toen ik nog een kind was speelde ik al lichte rolletjes.”—“Om je de waarheid te zeggen,” antwoordde de barbiersjongen het hoofd schuddende, “ik heb moeite je te gelooven. Ik ken de komedianten; die heertjes reizen niet te voet en voeden zich niet zoo sober.”—“Gij moogt van mij denken wat gij wilt, antwoordde de acteur; ik aarzel niet de eerste rollen te spelen, voornamelijk verliefde rollen.” “Als dat zoo is,” zei mijn kameraad, “dan wensch ik er u geluk mede en ben blij, dat mijnheer Gil Blas en ik het genoegen smaken met zulk een gewichtig persoon te ontbijten.”
We begonnen nu onze korsten op te knabbelen met de kostbare overblijfselen van den haas, terwijl wij onzen wijnzak zoodanig aanspraken, dat hij spoedig leeg was. Wij waren alle drie zoo verdiept, zoodanig, dat wij al dien tijd bijna geen woord spraken. Na den maaltijd echter hervatten wij ons gesprek. “Ik ben verbaasd,” zei de barbier tot den tooneelspeler, “dat men u zoo weinig uw beroep aanziet, want voor een tooneelheld ziet ge er erg sjovel uit. Ik hoop niet dat gij mijn openhartigheid kwalijk zult nemen.” “Openhartigheid,” riep de acteur uit, “neen, dan kent gij Melchior Zapata al zeer slecht. Goddank ben ik niet gauw op mijn teentjes getrapt. Gij doet mij groot pleizier zoo openhartig te spreken, want ook ik houd er van alles te zeggen, wat mij op het hart ligt. Ik beken u dan ook ronduit, dat ik niet rijk ben. Kijk,” zei hij terwijl hij ons liet zien dat zijn jas van binnen gevoerd was met aanplakbiljetten, “dat is mijn gewone voering die ik altijd gebruik en als je mijn garderobe soms zien wil, dan zal ik je [165]nieuwsgierigheid tevreden stellen.” Tegelijkertijd haalde hij uit zijn knapzak een jas bedekt met oud passement van namaakzilver, een oude helm met versleten veeren, zijden kousen vol gaten en erg versleten rood marokijnen schoenen. “Zooals ge ziet,” zei hij, “heb ik veel overeenkomst met een bedelaar.” “Dat verbaast mij,” antwoordde Diego, “hebt ge dan geen vrouw of dochter?” “Ik heb een mooie vrouw,” antwoordde Zapata, “en ik ben er nog niet veel beter op geworden. Denk eens aan wat een pechvogel ik ben! Ik trouw een lieve actrice, hopende dat zij mij niet zal laten omkomen van honger, maar zij is zoo deugdzaam, dat zij zich niet laat omkoopen. Wie ter wereld zou niet evenzoo er in geloopen zijn als ik? Daar heb je nu een heel enkele brave actrice onder de reizende comedianten en die moet ik nu juist treffen.” “Ja dat is zeker pech hebben,” antwoordde de barbier. “Maar waarom neem je dan geen actrice van den grooten tooneelspelerstroep te Madrid, dan zou je zeker zijn geweest van je zaak.” “Dat ben ik geheel met je eens,” antwoordde de komediant, “maar ’t is voor den duivel niet gemakkelijk voor een reizend tooneelspeler relaties aan te knoopen met zulke eerste sterren. Dat is iets voor een tooneelspeler van den koninklijken troep en er zijn er onder hen ook nog, die genoodzaakt zijn een keus te doen in de stad. Gelukkig is deze nog al ruim voorzien van jonge schoonen en men ontmoet er soms onder, die meer waard zijn dan die theaterprinsessen.”
“En hebt ge er nooit over gedacht u bij dien troep in te werken?” vroeg mijn metgezel. “Moet men zulke buitengewone verdiensten hebben?” “Neen maar, nu nog mooier, gij neemt geloof ik een loopje met mij,” antwoordde Melchior. “Meer dan de helft van die lieden verdienen nog met een knapzak op hun rug te loopen, maar niettegenstaande dat, is het uiterst moeilijk door hen opgenomen te worden. Men heeft òf geld noodig, òf vermogende vrienden, die het tekort van je talent aanvullen. En geloof mij gerust, want ik kan het zeker weten, [166]daar ik pas in Madrid gedebuteerd heb en waar ik uitgefloten ben van heb ik jou daar. En aangezien ik door mijn spel niet kon voldoen en er geen kans toe zag mij er bij die kliek in te werken, ten spijt van hen die mij hebben uitgefloten, ga ik maar weer doodkalm terug naar Zanora, Ik ga nu terug naar mijn vrouw en mijn kameraden, die er ook al geen schitterende zaken doen. Wij zullen dus maar eens uitkijken en naar een andere stad trekken, zooals dat al zoo vaak gebeurd is.”
Bij deze woorden stond de dramaticus op, nam zijn knapzak en zijn rapier en zei op ernstigen toon: “Tot weerziens, mijne heeren, mogen de goden hun gunsten over u uitstorten.” “En moogt gij,” antwoordde Diego op denzelfden ernstigen toon, “uw vrouw geheel veranderd te Zanora terugvinden en moogt ge haar in weelderige omstandigheden terugzien!” Zoodra Zapata zijn hielen gelicht had, begon hij te gesticuleeren en te declameeren terwijl hij voortliep. Toen we dat zagen, begonnen de barbier en ik te fluiten om hem zijn debuut in herinnering te brengen. Ons gefluit trof zijn ooren en hij verbeeldde zich het gefluit te Madrid weer te hooren. Hij keek om en ziende dat wij ons te zijnen koste vermaakten, werd hij in het geheel niet boos, maar nam het vroolijk op en liep lachende verder. Van onzen kant namen we nog een stevig glas wijn en begaven ons vervolgens verder op weg. [167]
[Inhoud]