De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 38

Eenige dagen na de begrafenis van don Mathias werden al zijn bedienden uitbetaald en weggestuurd. Ik nam mijn intrek bij den kleinen barbier, met wien ik langzamerhand een duurzame vriendschap was gaan sluiten. Ik stelde mij bij hem meer genoegen voor dan bij Melendez. Daar ik geen gebrek had aan geld, maakte ik geen groote haast met het zoeken naar een andere betrekking. Ik wilde slechts dienen bij deftige menschen en ik was besloten eerst goed uit te kijken, welke betrekking men mij aanbood. Ik vond de beste betrekking niet goed genoeg voor mij, zoozeer scheen het baantje van lakei bij een adellijk heer verkieselijk boven dat van andere bedienden.

In afwachting dat de fortuin mij zulk een postje zou bezorgen, dacht ik niet beter te kunnen doen dan mijn ledigen tijd te wijden aan mijn schoone Laura, die ik al dien tijd niet meer gezien had na onze wederzijdsche ontmaskering. Ik durfde mij niet te kleeden als don Cesar de Ribera, daar ik het slechts kon doen om mij te vermommen en dus voor een zonderling zou doorgaan. Mijne kleeren waren echter nog niet te vuil, ik had bovendien goede schoenen en was netjes gekapt. Ik tooide mij dus met behulp van den barbier als een tusschenpersoon tusschen don Cesar en Gil Blas. Zoo uitgedost ging ik naar de woning van Arsenia. Ik vond Laura alleen in dezelfde kamer, waar ik reeds met haar had gesproken. “O, zijt gij daar,” riep zij uit zoodra zij mij zag, “ik begon te denken [229]dat je dood was. Voor acht dagen heb ik je gezegd dat je mij mocht komen bezoeken, maar gij maakt werkelijk geen misbruik van de vrijheden, die de dames u toestaan.”

Ik verontschuldigde mij met den dood van mijn meester, de verschillende bezigheden, die ik gehad had en ik voegde er zeer hoffelijk bij, dat zelfs in mijn grootste beslommeringen het beeld van mijn lieve Laura mij steeds voor den geest had gestaan. “Als dat zoo is,” zei zij, “dan zal ik je geen verdere verwijten doen en wil ik je ook ronduit bekennen, dat ook ik veel aan je heb gedacht. Zoodra ik den dood van je meester vernomen had, vormde ik een plan, dat je misschien wel zal aanstaan. Sinds eenigen tijd spreekt mijne meesteres er voortdurend van, dat zij een man bij zich in huis wil hebben, een soort zaakwaarnemer, iemand die zeer zuinig is en die nauwkeurige rekening houden moet van de gelden, die men hem zal geven voor de uitgaven van de huishouding. Ik heb toen aan jou gedacht en ik geloof ook dat jij dat baantje niet slecht zoudt waarnemen.”—“Ik gevoel dat ik mij er uitstekend van zal kwijten,” antwoordde ik haar. “Ik heb de “Spaarzaamheid” van Aristoteles gelezen en het is juist mijn grootste fort boek te houden.... Maar er is één bezwaar dat mij belet bij Arsenia in dienst te treden.”—“En welk bezwaar is dat?” vroeg Laura.—“Ik heb gezworen nooit meer in dienst te gaan bij bourgeois en dien eed heb ik gezworen bij den Styx! Als nu zelfs Jupiter dezen eed niet mocht breken, dan zult ge het er wel over eens zijn, dat een lakei hem zeker moet houden!”—“Wie noemt gij alzoo bourgeois,” vroeg de soubrette op fieren toon; “voor wat voor menschen houdt gij de tooneelspeelsters? Scheert gij ze over één kam met advokaten en procureurs? Weet dan bij dezen dat de tooneelspeelsters zeer edele vrouwen zijn door de verbintenissen die zij aangaan met de adellijke heeren.”

“Als het er zoo mee staat, mijn lief kind,” antwoordde ik haar, “dan kan ik de betrekking aanvaarden, die gij [230]mij aanbiedt en zal ik haar niet afslaan.”—“Neen,” antwoordde zij, “dat zou ik ook denken en uit den dienst van een adellijk heer overgaan in dien van een tooneelspeelster, is zeker in hetzelfde milieu blijven. Wij zijn net zoo deftig als adellijke lieden. Wij houden equipage net als zij, wij leven er lekkertjes van en in het dagelijksche leven scheert men ons over één kam met den adel. En werkelijk,” voegde zij er verder bij, “het is bijna hetzelfde of men een markies of een tooneelspeler gedurende een dag beschouwt. Al is een markies drie vierde van den dag door zijn rang verheven boven een tooneelspeler, dan is het vierde gedeelte van den dag de tooneelspeler oneindig ver verheven boven den markies door zijn rol van keizer of koning. En als dat zoo is, weegt dit wel op tegen adel en grootheid en maakt het ons gelijk aan de personen van het hof.”—“O, zeker,” antwoordde ik, “gij staat op een lijn met elkaar. Ik zie nu ook zeer goed in, dat tooneelspelers niet zulke schooiers zijn als ik dacht en ik gevoel veel lust om bij hen in dienst te treden.”—“Welnu,” zei zij, “kom dan binnen een paar dagen terug, want ik heb een paar dagen noodig om mijne meesteres te doen besluiten, u aan te nemen en ik zal bij haar te uwen gunste spreken. Ik heb wel eenigen invloed op haar geest en ik ben ervan overtuigd dat gij hier zult mogen komen.”

Ik bedankte Laura voor haar goede bedoeling. Ik betuigde haar mijn groote dankbaarheid jegens haar en ik deed dat zoo hartstochtelijk, dat zij er niet aan kon twijfelen. Wij zouden ongetwijfeld nog langen tijd met elkaar hebben gepraat, als er geen kleine lakei was gekomen om haar te zeggen, dat Arsenia haar noodig had. Wij gingen dus van elkaar en ik verliet het huis van de tooneelspeelster in de zoete hoop, dat ik weldra voor goed in haar gunst zou zijn en ik kwam dan ook na twee dagen terug. “Ik wachtte je al,” zei de kamerjuffrouw van Arsenia, mijn schoone Laura, “om je te zeggen dat je als huisgenoot hier zijt opgenomen. Kom met mij mede, dan zal [231]ik je aan mijne meesteres voorstellen.” Dit zeggende, bracht zij mij naar een zaal, samengesteld uit vijf of zes kleine kamertjes, alle om het deftigst en rijkst gemeubileerd.

Wat een weelde, wat een pracht! Ik dacht dat ik bij een koningin was of nog beter gezegd, ik dacht dat ik hier alle rijkdommen der wereld op één plaats verzameld zag. Men vond er schatten uit alle streken der wereld en men kon dit vertrek beschouwen als den tempel eener godin, waar iedere reiziger als gave een of andere curiositeit van zijn land bracht. Ik bemerkte de godin, gezeten op een geborduurd satijnen kussen. Ik vond haar zeer mooi en als het ware vervuld van den rook der offergaven. Zij was in een bevallig négligé gekleed en bezig met hare sierlijke handen een nieuw kapsel in orde te brengen om dien dag haar rol te spelen. “Mevrouw,” zei de soubrette, “hier is de econoom in kwestie, ik kan u verzekeren, dat u nooit een geschikter man zoudt kunnen vinden.” Arsenia nam mij zeer nauwkeurig op en sprak toen: “Wel, wel, Laura, dat is een heel aardige jonge man en ik geloof wel dat ik met hem tevreden zal zijn.” Vervolgens richtte zij het woord tot mij: “Mijn goede vriend, gij bevalt mij en ik heb u slechts één ding te zeggen, gij zult over mij tevreden zijn als ik het over u ben.” Ik antwoordde haar, dat ik al mijn best zou doen om haar naar haar wensch te bedienen. Toen ik zag dat wij het eens waren met elkaar, ging ik terstond heen om mijn kleeren te halen en vestigde mij vervolgens in haar huis. [232]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.