De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 49

De markiezin de Chaves was een weduwe van vijfendertig jaar, schoon, groot en welgemaakt. Ze had een inkomen van tienduizend dukaten en geen kinderen. Nooit heb ik een ernstiger vrouw gezien en nooit een, die minder sprak. Dat nam echter niet weg, dat ze voor de geestigste dame van Madrid doorging. Misschien had het groote aantal gewichtige personen en vooral letterkundigen, dat haar bezocht er toe bij gedragen, om haar die reputatie te verschaffen, meer dan haar eigen verdienste, maar dat kan ik niet uitmaken. Ik zal er mij toe bepalen te zeggen, dat zij den naam had van bijzonder begaafd te zijn en dat haar huis in de stad bij voorkeur genoemd werd: Bureau voor Geestelijk Werk.

Dagelijks werden er dramatische gedichten gelezen; het komische genre was uitgesloten. Een comedie en een roman waren er niet in tel, maar een ode en een sonnet gingen er door voor de hoogste uiting van den menschelijken geest. Het kwam echter wel eens voor, dat het groote publiek de stukken uitfloot, die men hier had toegejuicht.

Ik was zaalchef in dit huis, d. w. z. dat mijn betrekking hierin bestond, om alles voor de ontvangst van gezelschappen in gereedheid te brengen. Als ik de zetels had gerangschikt, ging ik in de deur van de zaal staan, om de bezoekers aan te kondigen. Den eersten dag beschreef de chef van de pages, die toevallig met mij in de zijkamer was, mij de gasten op aangename wijze. Het ontbrak [318]dien man, die André Molina heette, niet aan geest. Het eerst kwam er een bisschop. Toen hij binnen was, zei Molina: “Die prelaat is een vermakelijk man, hij heeft wel eenigen invloed aan het hof, maar wil iedereen overtuigen dat die zeer groot is. Hij biedt iedereen zijn diensten aan, maar helpt niemand.” Een oogenblik later verscheen de zoon van een grande. “Die mijnheer,” zei Molina, “is ook een origineel; dikwijls komt hij in een huis, om over een zaak van gewicht te spreken en hij verlaat het weer, zonder eraan te hebben gedacht. Maar,” ging hij voort, toen hij twee dames zag naderen, “hier zijn dona Angela Penafiel en dona Margarita de Montalvan. Die twee dames lijken niets op elkaar. Dona Margarita wil voor een wijsgeer doorgaan, dona Angela speelt de geleerde niet, hoewel zij zeer ontwikkeld is. Haar uitdrukkingen zijn altijd nobel en natuurlijk.” “Dat is zeer beminnelijk,” zei ik, “maar het andere past eigenlijk niet bij het schoone geslacht.” “Niet geheel,” antwoordde hij glimlachend, “maar mevrouw de markiezin, onze meesteres, heeft ook soms wijsgeerige grillen. Wat zal er vandaag weer een discussie zijn! ’t Is maar te hopen, dat de godsdienst er niet wordt bijgehaald!”

Toen hij dit gezegd had, zagen wij een man binnenkomen met een zeer ernstig uiterlijk. Molina spaarde hem niet, bij de beschrijving, die hij van hem gaf. “Dit,” zei hij, “is een van die ernstige geesten, die voor een groot genie willen doorgaan, door steeds te zwijgen of door een paar zinnetjes van Seneca op te zeggen en die eigenlijk groote stommelingen zijn als men ze goed beschouwt.” Vervolgens kwam er een heer, goed gebouwd en met een Grieksch profiel. Ik vroeg wie het was. “Dat is een dramatisch dichter,” zei Molina, “hij heeft honderd duizend verzen in zijn leven gemaakt, die hem nog geen vijf stuivers hebben opgebracht; maar daarentegen heeft hij met zes regels proza gemaakt, dat hij behoorlijk kan wonen.”

Ik wilde mij juist eens laten meedeelen hoe het mogelijk [319]is om met zoo weinig inspanning een fortuin te krijgen, toen ik een groot lawaai op de trap hoorde. “Daar heb je professor Campanoria”1 riep Molina. “Hij kondigt altijd zichzelf aan, doordat hij aan de deur al hard begint te praten en dat doet hij nog, als hij het huis weer uitgaat.” Inderdaad weerklonk alles van de harde stem van den professor, die eindelijk de antichambre binnenkwam met een zijner vrienden, die gedurende het heele bezoek geen mond opendeed. “Mijnheer Campanoria,” zei ik tegen Molina, “is blijkbaar een groote geest.” “Ja,” antwoordde mijn chef, “het is een man, die gevat kan antwoorden en zijn zinnen mooi vormen. Hij is vermakelijk, maar behalve, dat hij een onbarmhartige kletskous is, zegt hij voortdurend hetzelfde en ik geloof, dat meer zijn komieke manieren dan de innerlijke waarde van zijn gezegden de verdienste ervan zijn.”

Er kwamen nog andere personen, die mij werden beschreven. Ook onze meesteres vergat hij niet. De beschrijving van haar beviel mij nogal. “Ze heeft geen lastig humeur, ondanks de philosophie, en men heeft, als men bij haar in betrekking is, niet veel grillen te verdragen. Zij is een verstandige, redelijke vrouw en heeft geen hartstochten. Ze heeft geen lust in spelen, ook niet in galante avonturen; ze houdt alleen van conversatie. Voor de meeste dames zou een leven als het hare te vervelend zijn.” Eenige dagen later echter begon ik te vermoeden, dat de markiezin de liefde niet zoo vijandig gezind was als Molina had gezegd en ik zal meedeelen welken grond ik had voor mijn vermoeden. Op een ochtend, terwijl zij bezig was met haar toilet, meldde zich een klein gebocheld mannetje aan van ongeveer veertig jaar met een onaangenaam uiterlijk. Hij zei me, dat hij mevrouw de markiezin wilde spreken. Ik vroeg hem namens wien hij kwam. “Namens mij zelf,” antwoordde hij trotsch. “Zeg, dat ik de heer ben, over wien ze gisteren met dona Anna [320]de Velasco heeft gesproken.” Ik liet hem binnen en ging mijn meesteres zeggen, dat hij er was. De markiezin deed een uitroep van vreugde en zei, dat ze hem zou ontvangen. Zij bepaalde zich er niet toe, om hem vriendelijk te ontvangen, de meisjes moesten de kamer verlaten en ze bleef alleen met den kleinen bochel. Wij lachten om dat mooie tête-à-tête, dat ongeveer een uur duurde, waarna mijn meesteres afscheid van hem nam en daarbij in alles toonde, dat zij zeer tevreden over hem was.

Werkelijk scheen ze genoegen te hebben gevonden in het onderhoud met hem, want ze zei me ’s avonds: “Gil Blas, als hij terugkomt, laat hem dan in mijn kamer, zoo mogelijk zonder dat iemand het merkt.” Ik moet bekennen, dat dit bevel vreemde vermoedens bij mij opwekte, maar ik volgde het op en toen de kleine man terugkwam (het was twee dagen later), bracht ik hem langs een geheime trap in de kamer van de dame. Dat deed ik twee of drie malen en ik besloot daaruit, dat de markiezin grillige neigingen had, of dat de bochel misschien een tusschenpersoon was.

“Neen,” zei ik bij mijzelf, “als mijn meesteres een welgebouwd man liefheeft, dan had ik het haar vergeven, maar als ze het met dien aap eens is, dan heeft ze in het geheel geen smaak!” Wat oordeelde ik verkeerd over de patrones! De kleine bochel hield zich met magische kunsten bezig, men had hem bij de markiezin geprezen en daar ze belang stelde in dergelijke kwakzalverij, had ze eenige malen een particuliere séance met hem. ’t Was een schelm, die leefde ten koste van de lichtgeloovige personen en men zei, dat hij verschillende adellijke dames onder zijn clientèle had. [321]

1 Campanoria = klokkenspel.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.