De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 53

Ik ben de zoon van een actrice uit Madrid, bekend door haar voordrachten, maar meer nog door haar galante avonturen; ze heette Lucinde. Wat een vader betreft, zonder vermetelheid kan ik mij er geen geven. Een voornaam heer was wel verliefd op mijn moeder toen ik op de wereld kwam, maar dat is nog geen overtuigend bewijs, dat ik aan hem mijn geboorte heb te danken.

Lucinde stoorde zich niet aan praatjes, ze liet mij in het geheim opvoeden, maar vertoonde zich met mij aan de hand in den schouwburg en overal elders zonder acht te slaan op de praatjes en hatelijke glimlachjes, die mijn verschijning opwekte. In één woord, ik was haar dierbaar en alle mannen, die bij haar kwamen, haalden mij aan. Men zou zeggen, dat bij hen de stem des bloeds sprak. In de eerste twaalf jaar van mijn leven had ik zeer veel amusementen. Lezen en schrijven leerde men mij ternauwernood, godsdienst in het geheel niet. Wel leerde ik goed dansen, zingen en guitaar spelen; dat was alles, wat ik kende, toen de markies de Léganez mij vroeg om bij zijn eenigen zoon te komen, die ongeveer van mijn leeftijd was. Lucinde stemde er gaarne in toe en toen begon ik mij ernstiger bezig te houden. De jonge Léganez was niet verder dan ik; dat heertje scheen niet voor de wetenschap geboren te zijn; hij kende nog bijna geen letter van het alphabet, hoewel hij sinds vijftien maanden een gouverneur had, zijn andere onderwijzers hadden het niet verder gebracht, hij stelde hun geduld op een zware proef. Weliswaar hadden zij de opdracht [344]om geen strengheid tegenover hem te gebruiken. Met, dat bevel en den slechten aanleg van den jongen, waren alle lessen tamelijk nutteloos. Maar de gouverneur vond, zooals ge zien zult, een goed middel om den jongenheer te treffen, zonder het bevel van zijn vader te overschrijden; hij besloot mij af te ranselen, als de kleine Léganez gestraft moest worden. Dat was niet erg naar mijn zin. Ik liep weg en ging mij bij mijn moeder beklagen over zulk een onrechtvaardige behandeling. Hoe goed ze overigens ook voor mij was, had ze kracht om weerstand te bieden aan mijn tranen en daar ze het als een zeer groot voorrecht beschouwde, dat haar zoon bij den markies de Léganez kon zijn, liet ze mij er dadelijk weer heen brengen. Zoo was ik dus overgeleverd aan de willekeur van den gouverneur en daar hij merkte, dat hij eenig effect had met zijn methode, ging hij voort met mij te slaan. [345]Om nog meer indruk te maken, deed hij het zoo hard mogelijk. Voor iedere letter van het alphabet, die de kleine Léganez leerde, kan ik wel zeggen, dat ik honderd slagen heb gekregen.

Dat was echter nog niet het eenige onaangename wat ik in dat huis had te verdragen. De dienstboden verweten mij steeds mijn geboorte. Dat begon mij zoo tegen te staan, dat ik op een goeden dag de vlucht nam, nadat ik het middel had gevonden om mij van alles meester te maken wat de gouverneur aan contant geld had, ongeveer honderdvijftig ducaten. Die wraak was, meen ik, gerechtvaardigd en ik geloof, dat ik den man moeilijk zwaarder had kunnen treffen. Ik verliet Madrid en kwam te Toledo, zonder dat men mij had kunnen aanhouden.

Ik ging toen mijn vijftiende jaar in. Wat een genot om op dien leeftijd onafhankelijk te zijn. Weldra maakte ik kennis met jongelieden, die mij ontgroenden en mij hielpen, om mijn ducaten op te maken. Vervolgens associeerde ik mij met eenige chevalliers d’industrie, die mij zooveel leerden, dat ik, dank zij mijn goeden aanleg, na eenigen tijd, tot de sterksten van het gilde behoorde. Na verloop van vijf jaren kwam de lust tot reizen in mij op. Ik ging naar Alcantera, maar voor ik er aankwam, vond ik nog een gelegenheid om mijn talenten op de proef te stellen, die ik niet ongebruikt liet voorbijgaan. Daar ik te voet was en bovendien mijn bagage bij mij droeg, ging ik nu en dan onder de schaduw van een boom aan den weg zitten rusten. Bij een van die gelegenheden trof ik twee kinderen aan, die er uitzagen of ze tot een goede familie behoorden. De oudste was nog geen vijftien jaar. Wij raakten in gesprek en ze schenen daar genoegen in te vinden. Ze waren beiden zeer onnoozel. “Mijnheer,” zei de jongste, “wij zijn de zoons van rijke burgers uit Plasencia. Wij vinden veel lust om Portugal eens te zien en om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, hebben wij ieder honderd pistolen van onze ouders genomen. Hoewel wij te voet gaan, geloof ik niet, dat wij met die som ver [346]zullen komen. Wat denkt u er van?” “Goede hemel!” riep ik, “als ik tweehonderd pistolen had, zou ik de heele wereld kunnen doortrekken. Het is een verbazend groote som. Als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen tot Almerin, waar ik de erfenis van een oom in ontvangst ga nemen, die daar ongeveer twintig jaar heeft gewoond.”

De jongelieden zeiden mij, dat mijn gezelschap hun zeer aangenaam zou zijn. Zoo wandelden wij met ons drieën op naar Alcantara, waar wij ’s avonds aankwamen. Wij gingen in een goed hotel en vroegen een kamer, men gaf ons er een met een kast, welke op slot kon. Wij bestelden eerst avondeten en ik stelde mijn reisgezellen voor, om de stad nog eens te gaan bezichtigen. Zij stemden toe en wij deden ons goed in de kast, waarvan een der jongens den sleutel bij zich stak. Wij gingen de kerken bezien en toen wij in een van de gebouwen waren, vertelde ik, dat ik een boodschap te doen had. “Heeren,” zei ik, “ik herinner mij daar, dat ik even een koopman moet spreken, die hier dicht bij de kerk woont. Wacht hier op mij; ik ben in een oogenblik terug.” Ik liep naar het hotel, brak de kast open en vond de pistolen. Ik liet den armen kinderen er slechts één om hun logies te betalen. Daarop ging ik op weg naar Mérida, zonder mij er om te bekommeren wat er van hen werd.

Dit avontuur stelde mij in staat om vroolijk te reizen. Hoewel ik jong was, wist ik mij voorzichtig te gedragen; ik mag wel zeggen, dat ik mijn leeftijd veel vooruit was. Ik besloot een muilezel te koopen en deed dat in het eerste dorp; ook schafte ik mij een valies aan en ik begon mijzelf een man van gewicht te vinden. Den derden dag ontmoette ik een man, die langs den weg liep te zingen. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een koorzanger. “Wel mijnheer!” riep ik, “dat gaat best. U schijnt hart van uw vak te hebben.” Hij antwoordde, dat hij koorzanger was. Zoo kwamen wij in gesprek en ik merkte dat ik met een geestige en aangename persoonlijkheid te doen had. Hij was vier- of vijfentwintig jaar oud. Daar [347]hij te voet was, liet ik mijn muilezel stappen, om met hem te kunnen praten. Het gesprek kwam op Toledo. “Ik ken die stad heel goed,” zei de koorzanger mij; “ik ben er lang geweest en had er zelfs vrienden.” “En in welke straat hebt gij in Toledo gewoond?” vroeg ik hem. “In de Nieuwstraat. Ik woonde er met don Vincent de Buena Garra, don Mathias de Cordel1 en twee of drie andere nette heeren. Wij sliepen daar, aten er en brachten den tijd aangenaam door.” Die woorden verbaasden mij, want hij noemde mij de namen van de slimmerts, met wie ik in Toledo had samengewerkt. “Mijnheer de koorzanger,” riep ik uit, “de heeren van wie ge mij de namen noemt, zijn kennissen van mij en ik heb ook met hen in de Nieuwstraat gewoond,” “Dan zijt gij daar geweest, nadat ik ben weggegaan, dat is drie jaar geleden,” merkte hij op. “Eerst kort geleden heb ik hen verlaten,” antwoordde ik, “omdat ik lust kreeg in reizen. Ik wil Spanje doortrekken. Wanneer ik meer ondervinding heb opgedaan, zal ik meer waard zijn,” “Zeker,” stemde hij toe, “om zijn geest te beschaven, moet men reizen. Daarom heb ik ook Toledo verlaten, hoewel het mij er zeer goed beviel. Ik dank den hemel,” vervolgde hij, “dat ik een broeder ontmoet, nu ik er ’t minst op rekende. Laten wij met elkaar reizen en profiteeren van de gelegenheden, welke zich zullen aanbieden, om onze bekwaamheid te toonen,”

Hij deed mij dat voorstel met zooveel vrijmoedigheid en zoo vriendelijk, dat ik het dadelijk aannam. Hij won dadelijk mijn vertrouwen en schonk mij het zijne. Hij vertelde mij, dat hij van Portalegre kwam, waar een mislukte schelmenstreek hem gedwongen had overhaast te vluchten in de kleeding, die hij nu droeg. Nadat wij elkaar onzen levensloop hadden verteld, besloten wij naar Mérido te gaan, om daar ons geluk te beproeven en indien wij er in slaagden een goeden slag te slaan, [348]daarna weer naar elders te vertrekken. Van dat oogenblik af hadden wij al wat wij bezaten gemeen. ’t Is waar, dat Moralès, zoo heette mijn compagnon, er niet al te best bijzat. Hij had niet meer dan vijf of zes ducaten en eenige kleeren in een zak; maar had ik meer contant geld, hij was daarentegen meer bedreven in de kunst, om de menschen te bedriegen. Wij bestegen om beurten mijn muilezel en kwamen zoo te Mérida.

Wij namen onzen intrek in een hotel en mijn vriend trok andere kleeren aan. Daarop gingen we de stad door, om het terrein te verkennen en te zien of zich ook ergens een gelegenheid aanbood om te werken. Terwijl we zoo aandachtig rondkeken en wachtten tot het toeval ons gunstig was, zagen we in een straat een heer met grijs haar, die, met den degen in de hand, zich verweerde tegen drie mannen. Getroffen door de ongelijkheid van den strijd, snelde ik den grijsaard te hulp. Moralès, om mij te toonen, dat ik mij niet met een lafaard had geassocieerd, volgde mijn voorbeeld en wij joegen de drie mannen op de vlucht.

Nadat ze verdwenen waren, putte de grijsaard zich uit in dankbetuigingen. Ik zei, dat het ons zeer veel genoegen deed, dat we hem hadden kunnen helpen en dat wij zeer gaarne zouden weten wien wij liet geluk hadden gehad ter zijde te kunnen staan en waarom de drie mannen hem hadden willen vermoorden. “Mijne heeren,” antwoordde hij, “ik heb te veel verplichting aan u, om uw nieuwsgierigheid niet te bevredigen. Ik heet Jérôme de Moyadas,2 en leef van mijn renten in deze stad. Een van de moordenaars, van wie ge mij hebt bevrijd, heeft mijn dochter lief. Hij liet mij haar dezer dagen ten huwelijk vragen en daar zijn wensch niet bevredigd werd, heeft hij zich op deze wijze willen wreken. “En mag ik vragen,” zei ik, “welke redenen u hadt om uw dochter niet aan dien heer ten huwelijk te willen geven?” “Ik zal het u zeggen,” [349]antwoordde hij. “Ik had een broer hier in de stad, die koopman was, hij heette Augustijn. Voor twee maanden was hij te Calatrava, gelogeerd bij Jean Velez de la Membrilla3, een handelsvriend. Zij waren intieme vrienden en mijn broeder wilde dien band nog versterken, hij beloofde daarom de hand van mijn eenige dochter aan den zoon van dien vriend, er niet aan twijfelend, of ik zou daaraan mijn goedkeuring hechten. Toen mijn broeder in Mérida terug was en van het huwelijk sprak, gaf ik dadelijk mijn toestemming. Hij zond het portret van Florentine naar Calatrava, maar heeft helaas niet de voldoening mogen smaken zijn werk voltooid te zien; voor drie weken is hij gestorven. Stervende heeft hij mij bezworen om de hand van mijn dochter aan niemand anders te geven dan aan den zoon van zijn handelsvriend. Ik beloofde het hem en daarom moest ik Florentine weigeren aan den man, die mij zoo juist aanviel, hoewel hij een voordeelige partij was. Ik ben door mijn woord gebonden en wacht ieder oogenblik den zoon van Juan Velez de la Membrilla, om hem tot mijn schoonzoon te maken, hoewel ik hem nooit heb gezien, evenmin als zijn vader.”

Met de grootste belangstelling had ik dat verhaal aangehoord; er was een gedachte bij mij opgekomen, ik veinsde een groote verwondering, sloeg de oogen ten hemel en riep met veel pathos: “O! mijnheer de Moyadas, hoe is het mogelijk, dat ik, te Mérida komende, zoo gelukkig ben het leven van mijn schoonvader te redden!” Die woorden wekten een groote verbazing bij den ouden heer en niet minder bij Moralès. “Wat zegt gij mij daar?” riep de grijsaard, “Zijt gij de zoon van den handelsvriend van mijn broer??” “Ja, mijnheer Jérôme de Moyadas,” zei ik, terwijl ik hem omhelsde, “ik ben de gelukkige sterveling voor wien de aanbiddelijke Florentine bestemd is. Maar sta mij toe, voor ik de vreugde heb uw huis te [350]betreden, dat ik hier eenige tranen stort, ter gedachtenis aan uw broer Augustijn. Ik zou de ondankbaarste van alle menschen zijn, indien ik niet levendig getroffen was door den dood van iemand aan wien ik het geluk van mijn leven te danken heb.” Nadat ik dit gezegd had, omhelsde ik den goeden Jérôme nogmaals en maakte een beweging, alsof ik mijn tranen wegveegde. Moralès, die dadelijk begreep welk voordeel wij bij dit spel konden behalen, hielp mij. Hij stelde zich voor als mijn bediende en putte zich uit in betuigingen van leedwezen over den dood van mijnheer Augustijn. “Mijnheer Jérôme!” riep hij, “welk een verlies moet de dood van uw broer voor u zijn geweest! Wat een eerlijk man was hij! Een juweel, een volkomen betrouwbaar koopman, zooals men er geen tweede vindt!”

Wij hadden met een onnoozel en lichtgeloovig man te doen. Verre van ons te verdenken, liep hij er gemakkelijk in. “Maar waarom,” vroeg hij, “zijt ge niet dadelijk bij mij gekomen, ge hadt uw intrek niet in een hotel moeten nemen!” “Mijnheer,” zei Moralès, het woord voor mij nemende, “mijn meester is vormelijk, hij heeft die fout en zal mij vergeven, dat ik hem die verwijt. Het is overigens wel te excuseeren, dat hij niet bij u is verschenen, zoodra hij in de stad kwam; wij zijn namelijk bestolen geworden, men heeft ons op reis onze koffers ontroofd.” “Die jongeman zegt de waarheid, mijnheer de Moyadas,” viel ik hem in de rede, “en dat is de reden waarom ik nog niet bij u was. Ik durfde in dit toilet niet te verschijnen voor een dame, die mij nog nooit gezien heeft en wachtte daarmee op de terugkomst van een knecht, dien ik naar Calatrava heb gezonden.” “Dit ongeval mag u niet beletten om dadelijk mijn huis te betreden,” zei de grijsaard, “en ik ben er op gesteld, dat ge met mij meegaat.”

Zoo sprekende, nam hij ons mee; voor wij aankwamen, spraken wij nog over den beweerden diefstal en ik betuigde er mijn groot leedwezen over, dat met mijn koffers [351]ook het portret van Florentine was verloren gegaan. De goede man zei me, dat ik mij over dit verlies maar moest troosten en dat het origineel meer waard was dan een copie. Zoodra wij in huis waren, riep hij zijn dochter, die niet ouder dan zestien jaar en een mooi meisje was. “Hier,” zei hij, “is de dame, die mijn broeder u beloofd heeft.” “O, mijnheer!” riep ik met geestdrift, “het is niet noodig mij te zeggen, dat het de beminnelijke Florentine is, die zich aan mijn oogen vertoont, haar bekoorlijke trekken zijn in mijn geheugen gegrifd en meer nog in mijn hart. Het portret, dat ik verloren heb, was maar een zwakke weergave van zooveel bekoorlijks.” “Uw woorden zijn al te vleiend voor mij,” zei Florentine, “en ik ben niet ijdel genoeg om mij in te beelden, dat die gerechtvaardigd zijn.” “Ga maar door met haar het hof te maken,” viel de vader in de rede. En hij liet mij alleen met zijn dochter, terwijl hij Moralès meenam. “Mijn vriend,” zei hij, “de dieven hebben al uw goed meegenomen en zonder twijfel ook uw geld, want daar beginnen ze gewoonlijk mee.” “Ja, mijnheer,” antwoordde mijn kameraad; “een groote troep roovers heeft ons overvallen bij Castil-Blazo; men heeft ons niet anders gelaten dan de kleeren, die wij aan ons lichaam hadden; maar wij zijn spoedig een brief met geld te wachten en dan zijn we weer klaar.”

“In afwachting van dien brief,” hernam de grijsaard, en hij haalde een beurs uit zijn zak, “zijn hier honderd pistolen, waarover ge kunt beschikken.” “O, mijnheer,” riep Moralès, “mijn meester zou ze niet willen aannemen. U kent hem niet. Mijn patroon is zeer fijngevoelig in dit opzicht. Hij is niet een van die jongelieden, die alles maar aannemen. Hij houdt er niet van, om schuld te maken, hoe jong hij ook is. Hij zou liever bedelen dan een cent leenen.” “Ik acht hem daar des te meer om,” zei de oude heer; “daar ik hem niet onaangenaam wil zijn, moet ge maar niet van dit aanbod spreken,” en hij wilde de beurs weer in zijn zak steken. Moralès wilde dat voorkomen [352]en zei: “Mijnheer, welk een tegenzin mijn meester ook heeft om te leenen, geloof ik niet, dat hij er bezwaar tegen zou hebben, om uw honderd pistolen aan te nemen; het is maar de manier, waarop men het hem voorstelt. Van vreemden zal hij niets aannemen, maar met zijn familie is het een ander geval. Van zijn vader heeft hij ook wel geld gevraagd, als hij het noodig had en u, mijnheer, moet hij als een tweeden vader beschouwen.”

Door dergelijke praatjes maakte Moralès zich meester van de beurs van den grijsaard, die ons daarna weer kwam opzoeken en zijn dochter en mij in een levendig gesprek vond. Hij deelde aan Florentine mee, hoe ik hem had geholpen en ik merkte, dat hij mij zeer erkentelijk was. Ik wilde van die gunstige stemming profiteeren en ik zei, dat hij mij het beste bewijs van zijn dankbaarheid kon geven, door mijn huwelijk met zijn dochter te bespoedigen. Hij verzekerde mij, dat ik binnen drie dagen de echtgenoot van Florentine zou zijn en voegde er bij, dat hij inplaats van de beloofde bruidschat van zesduizend ducaten er tienduizend geven zou, om mij te toonen hoezeer hij den bewezen dienst waardeerde.

Moralès en ik werden zeer goed behandeld bij den ouden Jérôme de Moyadas en genoten bij het vooruitzicht de tienduizend ducaten op te steken, waarmee wij ons direct na de ontvangst uit Mérida wilden verwijderen. In onze vreugde mengde zich echter de vrees, dat, voor de drie dagen zouden zijn verstreken, de echte zoon van Juan Julez de la Membrilla ons geluk zou komen verstoren. Onze vrees bleek niet ongegrond. Na twee dagen kwam er bij den vader van Florentine een soort van boer, met een valies. Ik was er niet bij, maar mijn kameraad wel. “Mijnheer,” zei de boer, “ik behoor bij den heer uit Calatrava, die uw schoonzoon moet worden, bij mijnheer Petro de la Membrilla. Wij komen zoo juist in de stad en hij zal in een oogenblik hier zijn.” Nauwelijks had hij uitgesproken, of zijn meester verscheen, wat [353]den grijsaard zeer verwonderde en Moralès een beetje van zijn stuk bracht.

De jonge Pedro was een knappe jonge man, Hij sprak den vader van Florentine aan, maar deze gaf hem geen tijd om uit te spreken en zich tot mijn compagnon wendende, vroeg hij wat dat te beteekenen had. Moralès, die in slimheid zijns gelijke niet had, zei op rustigen toon: “Mijnheer, de twee mannen, die ge daar ziet, behoorden tot de roovers, die ons onderweg hebben aangevallen, ik herken hen en vooral dengeen, die de brutaliteit heeft, om te zeggen, dat hij de zoon is van mijnheer Juan Velez de la Membrilla.” De oude heer geloofde Moralès dadelijk en overtuigd dat de nieuw aangekomenen schelmen waren, zei hij tot hen: “Heeren, ge komt te laat, men is u voor geweest. Pedro de la Membrilla is reeds bij mij.” “Let op uw woorden,” zei de jonge man uit Calatrava, “men bedriegt u, ge hebt een indringer in uw huis. Weet wel, dat Juan Velez de la Membrilla geen anderen zoon heeft dan mij.” “Vertel dat maar aan anderen,” riep onze gastheer. “Herkent ge dien jongeman niet en herinnert ge u niet, dat ge zijn meester hebt bestolen op den weg van Calatrava?” “Wat, bestolen!” riep Pedro, “als ik niet in uw huis was, zou ik dien vlegel, die de onbeschaamdheid heeft mij voor dief uit te schelden, de ooren afsnijden. Dank zij uw tegenwoordigheid, houd ik mijn toorn in, maar ik herhaal u, dat men u bedriegt. Ik ben de man, aan wien uw broeder Augustijn de hand van uw dochter heeft beloofd.” “Wilt gij, dat ik alle brieven toon, die hij aan mijn vader over dit huwelijk heeft geschreven of het portret van Florentine, dat hij eenigen tijd voor zijn dood zond?” “Neen,” antwoordde de oude heer, “het portret zal mij evenmin overtuigen als de brieven. Ik weet op welke wijze ze in uw handen zijn gevallen en ik zou u aanraden om Mérida zoo spoedig mogelijk te verlaten om te ontkomen aan de straf, die gij en uw gelijken verdient.”

“Dat is te veel!” riep de jonge man. “Ik zal niet dulden, [354]dat men mij straffeloos mijn naam ontrooft en nog bovendien voor een struikroover wil doen doorgaan. In de stad ken ik eenige menschen; ik zal hen gaan opzoeken en met hen terugkeeren, opdat ze geconfronteerd kunnen worden met den bedrieger, die voor mijn persoon wil doorgaan.” Hij ging met zijn bediende weg en Moralès bleef triomfantelijk achter. Dat avontuur nu gaf Jérôme de Moyadas aanleiding om te besluiten, dat ik nog denzelfden dag met zijn dochter zou trouwen en hij ging daarvoor dadelijk de noodige maatregelen nemen.

Hoewel mijn kameraad zeer verheugd was, dat de vader van Florentine ons zoo gunstig gezind was, was hij niet geheel vrij van ongerustheid. Hij vreesde voor de stappen, welke Pedro zeker doen zou en wachtte met ongeduld op mij. Ik vond hem in gedachten verdiept. “Waarom zijt ge zoo in gepeins verzonken, mijn vriend?” vroeg ik hem. Hij deelde mij alles mee en zei: “Ge hebt ons door uw vermetel stuk in moeilijkheden gebracht. De onderneming was schitterend, dat moet ik toegeven en als ze geslaagd was, zoudt ge er alle eer van hebben gehad, maar het heeft allen schijn, dat ze slecht voor ons zal afloopen en om alles te voorkomen, geloof ik, dat wij maar het beste doen door de vlucht te nemen, met de veer, die wij reeds van den ouden heer geplukt hebben.”

“Mijnheer Moralès,” zei ik, “ge deinst te spoedig voor moeilijkheden terug. Ge doet weinig eer aan don Mathias de Cordel en aan de andere heeren met wie ge in Toledo hebt gewoond. Wanneer men bij zulke meesters in de leer is geweest, moet men zich niet zoo spoedig ongerust maken. Wat mij betreft, ik wil in de voetsporen van die heeren wandelen en toonen, dat ik een leerling ben hunner waardig, ik zal mij verzetten tegen den tegenstand, die u verschrikt.” “Indien u dat gelukt,” zei mijn compagnon, “zal ik u stellen boven alle groote mannen van Plutarchus.”

Toen Moralès dat gezegd had, kwam Jérôme de Moyadas binnen. “Ik kom,” zei hij, “om alles gereed te maken [355]voor uw huwelijk, vanavond reeds zult ge mijn schoonzoon zijn. Uw bediende,” voegde hij eraan toe, “heeft u zeker reeds gezegd, wat er gebeurd is. Wat zegt ge wel van den schelm, die mij heeft willen opdringen, dat hij de zoon was van den handelsvriend van mijn broer?” Moralès was benieuwd hoe ik mij uit die moeilijkheid zou redden en hij was niet weinig verbaasd, toen hij mij op treurigen toon tot den ouden heer hoorde zeggen: “Mijnheer, het hangt slechts van mij af, om u bij uw dwaling te doen volharden en daarvan te profiteeren, maar ik ben niet geboren om een leugen vol te houden. Ik ben de zoon niet van Juan Velez de la Membrilla.” “Wat hoor ik,” riep de oude verbaasd, “zijt gij de man niet aan wien mijn broeder....” “Pardon, mijnheer,” viel ik hem in de rede, “daar ik een eerlijk en getrouw verhaal begonnen ben, moet ge mij tot het einde toe aanhooren. Sinds acht dagen bemin ik uw dochter en mijn liefde heeft mij hier in Mérida doen blijven. Toen wij u te hulp snelden, was het mijn plan u haar ten huwelijk te vragen, maar gij sloot mij den mond, door te zeggen, dat ze voor een ander bestemd was. U zei me, dat uw broeder u stervende bezworen had, haar aan Pedro de la Membrilla te geven, dat ge gebonden waart door uw woord. Die mededeeling, ik moet het zeggen, maakte mij diep ongelukkig en door mijn liefde tot wanhoop gebracht, verzon ik een krijgslist, waarvan ik mij bediende. Ik heb mijzelf daarvan een ernstig verwijt gemaakt; maar ik heb geloofd, dat gij mij zoudt vergeven, wanneer u dit ontdekte en wanneer ge zoudt weten, dat ik een Italiaansche prins ben, die incognito reist. Mijn vader is souverein in eenige valleien, die liggen tusschen Zwitserland, Milaan en Savoye. Zelfs stelde ik mij voor, dat het u aangenaam zou zijn, wanneer ik, na mijn huwelijk met Florentine, u deze mededeeling omtrent mijn geboorte had kunnen doen en ik verheugde mij erop het Florentine als mijn vrouw mede te deelen. De hemel heeft mij die vreugde niet toegestaan. Pedro de la Membrilla is [356]verschenen; ik moet hem zijn naam teruggeven, hoeveel mij dat ook kost. Uw gelofte beweegt u om hem tot schoonzoon te nemen. Ik kan daarin slechts berusten; ik kan mij slechts beklagen; gij moet hem boven mij de voorkeur geven, zonder te letten op mijn rang en stand, zonder medelijden te hebben met den toestand, waarin ge mij hebt gebracht. Ik zal u niet voorhouden, dat uw broeder slechts de oom was van uw dochter, terwijl gij de vader zijt en het dus rechtvaardiger zou zijn u, ten opzichte van mij, van uw verplichting te kwijten.”

“Ja zeker, dat is rechtvaardiger!” riep Jérôme de Moyadas, “en ik weifel dan ook niet tusschen u en Pedro de la Membrilla. Wanneer mijn broeder Augustijn nog leefde, zou hij het niet afkeuren, dat ik de voorkeur gaf aan iemand, die mij het leven gered heeft en bovendien een prins is, welke zich verwaardigd tot ons af te dalen. Ik zou wel een vijand moeten zijn van mijn eigen geluk en mijn verstand moeten verloren hebben, indien ik u mijn dochter niet gaf en indien ik niet aandrong op een, voor haar zoo voornaam huwelijk,”—“Mijnheer!” zei ik, “handel niet onberaden, overleg eerst rijpelijk.”—“Neen, prins, ik aarzel geen oogenblik en zal mijn dochter dadelijk meedeelen welk schitterend lot haar wacht.”

Terwijl de goede man zich haastte om zijn dochter dit te gaan vertellen, viel Moralès voor mij op de knieën en zei: “Mijnheer de Italiaansche prins, zoon van den souverein van de valleien, die liggen tusschen Zwitserland, Milaan en Savoye, sta mij toe, dat ik mij aan de voeten van uw hoogheid werp, om u mijn vereering te betuigen. Ik dacht, dat ik de slimste gauwdief was, maar ik moet nederig betuigen, dat gij het van mij wint, hoewel ge minder ervaring hebt.” “Dus zijt gij niet ongerust meer?” vroeg ik. “O, neen,” antwoordde hij, “laat dien mijnheer Pedro nu maar komen en doen wat hij wil,” Wij spraken reeds af welken weg wij zouden nemen, als wij het geld zouden hebben, maar de afloop van het avontuur beantwoordde niet aan onze verwachtingen. [357]

Spoedig zagen wij den jongen man van Calatrava terugkomen. Hij was vergezeld door twee burgers van de stad en den Commissaris van politie. De vader van Florentine was bij ons. “Mijnheer de Moyadas,” zei Pedro, “ik breng u hier drie geloofwaardige personen; zij kennen mij en zullen u zeggen wie ik ben.” “Zeker,” zei de commissaris, “ik ken en verklaar aan ieder, die het weten wil, dat gij Pedro heet en dat gij de eenige zoon zijt van Juan Velez de la Membrilla; wie het tegendeel beweert, is een bedrieger.” “Ik geloof u, mijnheer,” zei de goede Jérôme de Moyadas. “Uw getuigenis is heilig voor mij, evenals dat van de beide heeren kooplieden, die gij meebrengt. Ik ben er ten volle van overtuigd, dat de jonge man, die u hier heeft gebracht, de eenige zoon is van den handelsvriend van mijn broer. Maar wat beteekent dat? Ik ben niet meer van plan hem de hand van mijn dochter te geven. Ik ben van meening veranderd.”

“O, dat is een andere kwestie,” zei de commissaris. “Ik ben alleen in uw huis gekomen, om u te verzekeren, dat deze jongeman mij bekend is. Gij zijt zeker meester over uwe dochter en men zal u niet noodzaken haar, tegen uw zin, uit te huwelijken.” “Ik wil mij ook niet aan den heer de Moyadas opdringen,” zei Pedro, “maar hij zal mij toch zeker wel toestaan, om hem te vragen, waarom hij van meening is veranderd. Heeft hij zich in eenig opzicht over mij te beklagen? Nu ik de hoop verlies zijn schoonzoon te worden, moge het tenminste buiten mijn schuld zijn.” “Ik beklaag mij niet over u,” zei de grijsaard; “Ik wil u zelfs niet ontkennen, dat het mij spijt, dat ik in de noodzakelijkheid ben mijn woord te breken en ik verzoek u mij dat te vergeven. Maar ik ben ervan overtuigd, dat gij het billijken moet, wanneer ik de voorkeur geef aan iemand, die mij het leven heeft gered. Gij ziet hem hier,” zei hij, op mij wijzende, “dat is de heer, die mij aan een groot gevaar onttrokken heeft en om mij nog meer bij u te verontschuldigen, kan ik u zeggen, dat hij een Italiaansche prins is, die, niettegenstaande [358]de ongelijkheid van stand, wil trouwen met Florentine, op wie hij verliefd geworden is.”

Bij die laatste woorden bleef Pedro verlegen staan. De twee kooplieden zetten groote oogen op en schenen zeer verlegen. Maar de commissaris, gewoon om de zaken van de donkere zijde te bekijken, vermoedde, dat er wat achter dit avontuur stak. Hij keek mij oplettend aan en toen het hem bleek, dat mijn trekken hem onbekend waren, beschouwde hij mijn kameraad met evenveel attentie. Ongelukkigerwijze herkende hij Moralès, dien hij in de gevangenis te Ciudad-Réal had gezien. “Ah!” riep hij, “ik herken een van mijn klanten en geef u de verzekering, dat die jongeman een van de grootste schelmen is in het koninkrijk Spanje.” “Maar mijnheer de commissaris,” zei Jéróme de Moyadas, “het is een bediende van den prins.” “Dat kan wel,” zei de man van de wet, “maar ik beoordeel den meester naar den knecht, en zeg u, dat het twee avonturiers zijn, die u bedrogen hebbn.” “Maar,” zei de grijsaard, “al is de knecht een deugniet, daarom behoeft de meester het toch niet te zijn. Het is niets nieuws een schelm in dienst van een prins te zien.” “Praat toch niet van den prins!” zei de andere, “Die jongeman is een intrigant en ik neem hem evengoed gevangen als den ander. Ik zal hun een tête-à-tête verschaffen met den rechter en ze zullen ondervinden, dat nog niet alle zweepslagen verbruikt zijn.” “Hou op, Mijnheer de Officier,” zei de grijsaard, “laten wij de zaak niet zoo ver drijven. Gijlieden zijt nooit bang fatsoenlijke menschen te beleedigen. Zou de knecht niet een bedrieger kunnen zijn en de meester niet? Is het iets nieuws, dat vorsten schelmen in dienst hebben?” “Wat praat gij toch van vorsten,” viel de commissaris hem in de rede. “Ik arresteer beiden. Gaan ze niet goedschiks meê, dan heb ik maar te roepen; beneden heb ik twintig gewapende mannen.”

Ik was zeer ontdaan over die woorden en Moralès niet minder. Aan Jérôme de Moyadas zag ik, dat hij nu [359]aan onze houding begon te merken, dat wij bedriegers waren. Maar hij was een goed en eerlijk man, daarom zei hij: “Mijnheer de commissaris, u kunt gelijk heben, maar uw vermoedens kunnen ook valsch zijn. Laten wij ons daarin niet verdiepen, maar ik verzoek u, geef dien twee mannen vrijheid om heen te gaan, waar zij willen; ik vraag u dat, omdat ik groote verplichtingen aan hen heb.” “Indien ik mijn plicht deed, zou ik hen moeten gevangen nemen, maar ter wille van u, wil ik hen laten vertrekken,” zei de commissaris. “Zie ik hen echter morgen nog hier in de stad, dan zullen wij zien, wat er met hen gebeurt.”

Toen wij hoorden, dat wij vrij waren, kwamen Moralès en ik weer eenigszins op ons verhaal. Wij wilden flink van ons afspreken en verklaren, dat wij zeer betrouwbare personen waren, maar de blikken van den commissaris doorboorden ons en deden ons zwijgen. Ik weet niet, waarom sommigen van die lieden macht over ons hebben. [360]Wij moesten dus Florentine en de bruidschat overlaten aan Pedro de la Membrilla, die ongetwijfeld de schoonzoon werd van Jérôme de Moyadas. Mijn kameraad en ik sloegen den weg in naar Truxillo en troosten ons er mee, dat wij tenminste honderd pistolen bij het avontuur hadden gewonnen. Tegen den avond kwamen wij in een dorp, maar wij hadden besloten nog verderop een nachtverblijf te zoeken. Intusschen zagen wij een hotel, dat er, voor die plaats, goed uitzag. De hotelhouder en zijn vrouw zaten voor hun deur. Hij was een magere en bejaarde man en tokkelde op een slechte guitaar, waarnaar zijn vrouw met genoegen luisterde. “Heeren!” riep hij, “ik raad u aan hier op te houden en niet verder te gaan, het naaste dorp is nog drie mijl weg en ’t is er niet zoo goed als hier. Gelooft mij, komt mijn huis binnen, ge zult het goed en goedkoop hebben.” Wij lieten ons overhalen en, toen wij zaten, begonnen wij over verschillende onderwerpen te spreken. De waard zei ons, dat hij tevens dienaar van den heiligen Hermandad was.

Ons gesprek werd afgebroken door de aankomst van twaalf of vijftien ruiters, sommige op muilezels, andere op paarden en gevolgd door wel dertig muilezels, die met allerlei pakken waren beladen. “Hemel!” riep de waard, op het gezicht van zooveel menschen, “hoe moet ik die alle herbergen!” In een oogenblik was het heele dorp vol mannen en beesten. Er was gelukkig naast het hotel een groote schuur, waar men de muilezels en de bagage kon opbergen. Maar ’t scheen dien mannen aanvankelijk meer om een goed maal te doen te zijn, dan om een slaapplaats. De waard, zijn vrouw en de dienstmaagd gingen dus zoo hard aan het werk als ze konden.

Moralès en ik keken die heeren eens aan, die, op hun beurt, ons ook opnamen. Eindelijk raakten wij in gesprek en wij spraken af met elkaar te soupeeren. Zoo kwamen wij dus met elkaar aan tafel. Er was er een onder hen, die orders gaf en door de anderen met een zekeren eerbied werd behandeld. Het gesprek aan tafel liep o.a. [361]over Andalousie en toen Moralès Sevilla prees, zei de man van wien ik zooeven sprak: “Mijnheer, ik hoor u vol lof spreken van de plaats, waar ik geboren ben, dat is te zeggen, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, in Mayrena.” “Ik kan u hetzelfde zeggen,” zei mijn metgezel, “ik ben ook van Mayrena en daar ik er iedereen ken, zal ik uw ouders ook wel kennen. Van wien zijt gij een zoon?” “Van een eerzamen notaris,” zei de vreemdeling, “van Martin Moralès.” “Van Martin Moralès!” riep mijn kameraad met evenveel blijdschap als verrassing, “alle duivels, dat is een zonderling toeval! Dus zijt ge mijn oudere broer Manuel Moralès?” “Juist,” zei de andere, “en gij zijt Louis, die nog in de wieg lag, toen ik het ouderlijk huis verliet.” De twee broers omhelsden elkaar en bleven, ook na tafel, nog lang met elkaar zitten praten, terwijl de anderen dronken en pleizier maakten.

Na hun lang onderhoud, riep mijn kameraad mij apart en zei: “Al die mannen zijn bedienden van den graaf de Montanos, die door den koning benoemd is tot onderkoning van Majorca. Zij gaan met al dat goed naar Alicante, waar ze zich zullen inschepen. Mijn broer is als intendant aangesteld en heeft mij voorgesteld hem te vergezellen. Toen ik zei dat ik bezwaar maakte om u te verlaten, heeft hij mij beloofd u eveneens een goede betrekking te bezorgen, als ge wilt meegaan. Waarde vriend, ik raad u aan, dit aanbod niet af te slaan. Laat ons samen naar Majorca gaan. Indien het er ons bevalt, kunnen wij er blijven en, zoo niet, dan gaan we naar Spanje terug.”

Ik nam het voorstel gaarne aan. Wij sloten ons bij de andere mannen aan en verlieten voor zonsopgang het hotel. Spoedig bereikten wij Alicante, waar ik een guitaar kocht en wij ons van betere kleeren voorzagen. Ik dacht aan niets anders dan aan het eiland Majorca en mijn vriend deed hetzelfde. Om de waarheid te zeggen, wilden wij bij die lieden voor eerlijke menschen doorgaan en geen schelmenstreken uithalen. Eindelijk scheepten wij [362]ons in en hoopten spoedig op de plaats van onze bestemming te zijn, maar nauwelijks waren wij uit de golf van Alicante, of we werden door een hevigen storm overvallen. Ik zou u hier een mooie beschrijving van den storm kunnen geven, de lucht in vlammen, het knetteren van den bliksem, het huilen van den wind, de hooge golven, etc. Maar ik zal dat achterwege laten en alleen zeggen, dat het een verschrikkelijk onweder was en wij verplicht waren op het eiland Capri te landen, een eiland, dat vrijwel verlaten is en waar men een klein fort vindt, bewaakt door vijf of zes man en een officier, die ons zeer beleefd ontving.

Daar wij er verscheidene dagen moesten blijven, omdat er veel reparatie aan de zeilen en het touwwerk was, zochten wij verstrooiing, om de verveling te verdrijven. Ieder volgde daarbij zijn eigen neiging, sommigen speelden en ik behoorde tot hen, die veel wandelden. Wij sprongen op dit ongelijke terrein vaak van rots op rots. Op zekeren dag werden wij getroffen door een aangename geur en daarop afgaande, vonden wij, tusschen de rotsen, een plateau, waarop de prachtigste kamperfoelie groeide. Naar beneden gaande, vonden wij eenige beekjes, die hun kristalhelder water van de rotsen kregen. Het kostte ons moeite, om deze plaats te verlaten en wij besloten er den volgenden dag terug te komen. Wij deelden onze ontdekking aan onze kameraden mee, maar de commandant van het fort raadde ons aan er niet meer heen te gaan. “Waarom niet?” vroeg ik. “Is daar dan iets te vreezen?” “Zeker,” antwoordde hij. “De zeeroovers van Algiers en Tripolis komen daar soms, om water in te nemen en bij een van die gelegenheden hebben ze twee van mijn soldaten overvallen en als slaven meegevoerd.” Hoe ernstig de officier ook sprak, wij dachten, dat het maar gekheid was en den volgenden dag ging ik er, met drie anderen, weer heen. Wij waren zonder vuurwapenen en mijn vriend Moralès was niet meegegaan; hij hield, evenals zijn broer, er meer van om kaart te spelen. [363]

Wij hadden een paar flesschen wijn meegenomen en koelden die eerst in het heerlijke water af. Daarna dronken wij en ik speelde wat op mijn guitaar. Terwijl wij ons zoo aangenaam bezig hielden, zagen wij plotseling, op de rotsen, verscheidene mannen komen, die lange baarden en snorren hadden, een tulband droegen en op Turksche wijze gekleed waren. Wij dachten eerst, dat het onze mannen waren, die een aardigheid wilden hebben en ons bang maken, maar spoedig werden wij ontgoocheld. “Geeft u over, honden,” riep een van hen, “of ge zult allen sterven!” Men dreigde ons met karabijnen en zou ons bij den geringsten weerstand hebben neergeschoten, Wij verkozen de slavernij boven den dood, gaven gewillig onze degens over en werden geketend naar een schip gevoerd, dat daar dichtbij lag en met volle zeilen koers zette naar Algiers,

Zóó werden wij er dus voor gestraft, dat we geen gehoor hadden gegeven aan de waarschuwing van den officier. Het eerste wat de aanvoerder van de zeeroovers deed, was ons te fouilleeren en ons alles te ontnemen, wat wij aan geldswaarde bij ons hadden. Een goede vangst voor hem! De twee honderd pistolen van de jongelieden uit Plasencia, de honderd, die Moralès had ontvangen van Jérôme de Moadas en welke ik ongelukkigerwijze ook bij mij droeg, alles werd zonder genade buit gemaakt. Om ons te plagen, dronken de zeeroovers de flesschen wijn, welke wij hadden meegenomen, op onze gezondheid uit.

Mijn metgezellen, die zich hadden voorgesteld op Majorca een aangenaam leven te gaan leiden, waren zeer gedrukt. Ik voor mij besloot mijn lot gelaten te dragen, kreeg spoedig mijn opgewektheid terug en dat beviel den aanvoerder. Hij zei: “Jongeman, je manier van doen bevalt mij, ’t is beter zich te schikken, dan om te zuchten. Ge draagt een guitaar, speel daar eens een stukje op.” Mijn armen werden losgemaakt en daar ik goed thuis was op mijn instrument en ook een goede stem had, voldeed [364]het zeer, wat ik ten gehoore bracht. Het bleek mij, dat de Turken, op het gebied van muziek althans, smaak hadden. De hoofdman fluisterde mij in het oor, dat ik het als slaaf niet slecht zou hebben en dat, met mijn talenten, mijn gevangenschap zeer goed te dragen zou zijn.

Die woorden deden mij wel eenig genoegen, maar zeer rooskleurig zag ik mijn toekomst toch niet in. Toen wij de haven van Algiers naderden, zagen wij een groot aantal menschen en wij waren nog niet ontscheept, of ze begonnen luide vreugdekreten te uiten. Daarbij voegden zich trompetten, Moorsche fluiten en andere in dat land gebruikelijke instrumenten. Het geheel was een symphonie, die meer luidruchtig dan welluidend was. De oorzaak van die vreugde was een valsch gerucht, dat men in de stad verspreid had. Men had namelijk verteld, dat Méhémet (zoo heette onze zeeroover) omgekomen was bij den aanval van een schip uit Genua en nu bereidden hem zijn bloedverwanten en vrienden zulk een feestelijke ontvangst.

Nauwelijks hadden wij voet aan wal gezet, of men geleidde mijn kameraden en mij naar het paleis van den pacha Soliman, waar een Christen-schrijver ons elk afzonderlijk ondervroeg naar onzen naam, ons vaderland, onzen godsdienst en onze bekwaamheden. Toen Méhémet mij aan den pacha toonde, prees hij mijn stem en zei hij, dat ik daarbij verrukkelijk op de guitaar speelde. Soliman besloot mij voor zijn dienst in den harem te bestemmen; de anderen werden naar de markt gebracht, om daar volgens gewoonte, aan den meestbiedende te worden verkocht. Wat Méhémet mij op het schip voorspeld had, werd bewaarheid, ik had een gelukkig lot. Soliman bracht mij samen met vijf of zes slaven van goede afkomst, die weder ingekocht zouden worden en aan wien men geen zwaar werk gaf, het verzorgen van de oranjeboomen en het begieten van de bloemen.

De Pacha was een flink gebouwd man van veertig jaar en voor een Turk zeer beleefd. Voor favorite had hij een [365]vrouw uit Cachemir, die, door haar geest en schoonheid een bijna onbeperkte macht over hem had. Hij beminde haar tot verafgoding toe. Iederen dag bijna gaf hij voor haar een feest, nu eens een concert, dan weer een comedie, op Turksche wijs, d.w.z, drama’s in verzen, waarin de kuischheid en de zedigheid niet meer geëerbiedigd worden dan de regels van Aristoteles.

De favorite heette Farrukhnar4. Ze was een hartstochtelijk liefhebster van het tooneel en voerde dikwijls met hare vrouwen Arabische stukken voor den pacha op. Zij bekoorde dan steeds de toeschouwers door haar gratie en de levendigheid van haar voordracht. Op een dag, dat ik, tijdens een voorstelling, onder de muzikanten zat, beval Soliman mij op mijn guitaar te spelen en in een entr’acte alleen te zingen. Ik had het geluk Soliman te behagen; hij applaudiseerde, niet alleen door in de handen [366]te klappen, maar ook met luide stem en het scheen mij, dat de favorite mij met een welwillend oog aanzag.

Den volgenden morgen, toen ik in de tuinen de bloemen begoot, ging er een eunuch voorbij, die, zonder iets te zeggen, een brief voor mijn voeten liet vallen. Ik raapte hem op, met een mengeling van genoegen en vrees. Om niet gezien te kunnen worden door de vensters van het serail, verschuilde ik mij achter een broeikast en opende daar den brief. Ik vond er een diamant in van groote waarde en de volgende woorden in goed Spaansch:

“Jonge Christen! Dank den hemel voor uw gevangenschap. De liefde en de fortuin zullen die gelukkig voor u maken: de liefde, wanneer gij gevoelig zijt voor de bekoorlijkheden van een schoone vrouw en de fortuin, indien gij den moed hebt alle gevaren te trotseeren.”

Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of de brief kwam van de favorite; de stijl en de diamant zeiden mij dat. Behalve, dat ik van natuur niet beschroomd ben, deden de ijdelheid, om op een goeden voet te zijn met de maitresse van een grooten heer en meer nog de hoop, om van haar meer dan vier keer het bedrag van mijn losprijs te krijgen, mij besluiten dit avontuur te wagen, welke gevaren er ook aan verbonden zouden zijn. Ik ging voort met mijn werk, de middelen bepeinzend, waardoor ik in de vertrekken van Farrukhnar zou kunnen doordringen, of liever gezegd in afwachting, dat ze mij daartoe den weg zou openen, want ik begreep wel, dat ze het niet bij dien brief zou laten en dat zij meer dan de helft van de moeite zou doen. Ik werd niet bedrogen. Dezelfde eunuch kwam, na een uur, terug en zei: “Christen, ge hebt tijd gehad om na te denken; hebt gij den moed mij te volgen?” Ik antwoordde van ja. “Welnu!” hernam hij, “de Hemel behoede u! Morgenochtend zult ge mij zien. Houd u dan gereed om u te laten leiden.” Met [367]die woorden vertrok hij. Den volgenden dag zag ik hem ’s morgens om acht uur. Hij gaf mij een wenk om bij hem te komen en leidde mij in een zaal, waar hij met een anderen eunuch een rol linnen van groote afmeting bracht, bestemd als decoratie voor een Arabisch stuk, dat de sultane voor den pacha instudeerde.

De twee eunuchen, die zagen, dat ik bereid was om alles te doen, wat men wilde, verloren geen tijd; ze rolden mij in het linnen, op gevaar af van mij te laten stikken, vatten het ieder aan een eind en namen mij op. Toen zij het weer afrolden, was ik in de slaapkamer van de favorite, die in lachen uitbarstte, toen ze mij te voorschijn zag komen. Hoe stoutmoedig ik ook van natuur was, toch was ik niet geheel zonder vrees, toen ik mij daar zoo opeens gebracht zag in het geheime vertrek van de vrouwen. De schoone dame scheen dat te merken en zei: “Jongeman, ge hebt niets te vreezen. Soliman is naar zijn landgoed, hij zal daar den geheelen dag blijven en dus kunnen wij ons vrij met elkaar onderhouden.”

Die woorden stelden mij gerust en ik was dadelijk weer geheel op mijn gemak. “Ik voelde mij dadelijk tot u aangetrokken,” vervolgde zij, “en ik zal de hardheid van uw slavernij verzachten. Ik geloof, dat gij de gevoelens, welke ik voor u opgevat heb, waardig zijt. Hoewel ge de kleederen van een slaaf draagt, hebt ge een edel en galant uiterlijk, dat mij zegt, dat ge geen persoon uit het gewone volk zijt. Spreek openhartig met mij en zeg me wie ge zijt. Er zijn wel gevangenen, die hun hooge afkomst verbergen, omdat ze denken dan goedkooper weder vrijgekocht te kunnen worden, maar bij mij behoeft ge niets voor te wenden; die voorzorg zou ik zelfs als een beleediging beschouwen, want ik beloof u de vrijheid.” Ik zei, dat ze goed gezien had en dat ik de zoon was van een grande van Spanje. Misschien sprak ik de waarheid wel; zij althans geloofde het, drukte er hare vreugde over uit, dat haar oogen haar niet hadden bedrogen en gaf mij de verzekering, dat wij dikwijls zouden samen zijn. Zelden [368]heb ik een aardiger vrouw ontmoet. Ze sprak verschillende talen en het Spaansch zeer goed. Toen ze meende, dat het tijd was om te scheiden, kroop ik op haar bevel in een groote teenen mand, ze bedekte mij met stukken zijde, die ze zelf bewerkt had en riep de twee slaven weer, die mij wegbrachten, als een cadeau, dat de favorite aan den pacha zendt en dat heilig is voor ieder.

Wij vonden nog andere gelegenheden om elkaar te spreken en spoedig boezemde deze bekoorlijke vrouw mij een even groote liefde in, als zij voor mij had. Onze verstandhouding bleef zes maanden geheim, hoewel het zeer moeilijk is, om, in een harem, zooiets lang verborgen te houden. Op een goeden dag keerde de fortuin ons den rug toe. Ik was binnengesmokkeld in een draak, die in een comediestuk moest worden gebruikt, toen Soliman, die, naar ik meende uit de stad was, zoo plotseling naar haar kamer kwam, dat de oude vertrouwde slavin, die altijd op wacht stond, nauwelijks tijd vond om ons te [369]waarschuwen. Ik had nog minder den tijd om mij te verbergen.

Het eerste wat de pacha zag, was ik; hij scheen zeer verwonderd en zijn oogen flikkerden van toorn. Ik beschouwde mijzelf als iemand wiens laatste oogenblik is aangebroken. Wat Farrukhnar betreft, ook zij was zeer verschrikt, maar inplaats van haar schuld te bekennen en vergiffenis te vragen, zei ze: “Heer, verwaardig u mij aan te hooren, voor ge uw vonnis uitspreekt. De schijn is tegen mij: ik beken, dat ik dien jongen gevangene bij mij heb laten brengen, op de wijze alsof ik een geliefde ontving en toch ben ik u in geen enkel opzicht ontrouw geworden, de groote profeet is mijn getuige. Ik heb getracht dezen christen-slaaf afvallig te maken en hem over te halen de geloovigen te volgen. Zooals ik wel verwachtte, heb ik tegenstand bij hem gevonden, maar ik heb dien overwonnen en hij heeft zich bereid verklaard onzen godsdienst te omhelzen en Mahomedaan te willen worden.”

Ik voelde wel, dat ik eigenlijk verplicht was om dit tegen te spreken, maar, bevende voor het lot van de vrouw, die mij beminde en voor dat van mijzelf, zweeg ik en de pacha leidde daaruit af, dat zij de waarheid had gesproken. “Ik wil gelooven,” zei hij, “dat ge mij niet bedrogen hebt en dat de lust om een werk te doen, dat welgevallig is in de oogen van den profeet, u tot deze onvoorzichtigheid heeft geleid. Ik vergeef u die, mits deze jonge gevangene dadelijk den tulband aanneemt.” Er werd een Mohammedaansch priester geroepen en men kleedde mij als een Turk. Ik liet alles toe, zonder mij te verzetten.

Na deze ceremonie verliet ik het serail, om onder den naam Sidy Hally een betrekking te gaan vervullen, die Soliman mij had gegeven. Ik zag de favorite niet weer, maar een van haar eunuchen kwam mij op zekeren dag bezoeken. Hij gaf mij edelsteenen ter waarde van een paar duizend gouden dukaten en een brief, waarin de sultane mij bedankte voor mijn edelmoedigheid. Door Mohammedaan [370]te worden, had ik haar het leven gered. Door haar invloed kreeg ik ook spoedig een betere betrekking en in minder dan zes jaar was ik een der rijkste mannen van de stad Algiers.

Ge kunt u wel voorstellen welke grimassen ik trok, als ik deelnam aan de gebeden van de Muzelmannen in hunne moskeeën en aan de andere ceremoniën, welke hun godsdienst voorschrijft. Gaarne wilde ik weer tot onze oude kerk terugkeeren en daarom stelde ik mij voor, met de rijkdommen, welke ik verzameld had, naar Spanje of Italië te gaan. In afwachting daarvan, maakte ik mij het leven zoo aangenaam mogelijk. Ik woonde in een mooi huis, had prachtige tuinen, een groot aantal slaven en in mijn harem had ik zeer mooie vrouwen. Wat het gebruik van wijn betreft, dit is aan Mohammedanen verboden, maar de meesten drinken dien in het geheim. Ik dronk zooveel als ik lustte, zooals alle afvalligen doen. Met twee bekenden zat ik dikwijls ’s avonds en ’s nachts aan tafel. De een was een jood en de andere een Arabier. Ik was zeer familiaar met hen, daar ik meende, dat het eerlijke menschen waren. Op een avond noodigde ik hen uit, om bij mij te soupeeren. Er was dien dag een hond van mij gestorven, waaraan ik zeer gehecht was. Wij wieschten het lichaam en bestelden het ter aarde met alle ceremoniën, die bij de begrafenis van een geloovig Mohammedaan worden in acht genomen. Het gebeurde niet zoozeer om met den godsdienst te spotten, dan wel om ons, in een roes, te vermaken.

Maar die grap kwam mij duur te staan, zooals gij zult hooren. Den volgenden dag kwam er een man bij mij, die me zei: “Mijnheer Sidy Hally, een gewichtige zaak voert mij tot u. Mijnheer de kadi wenscht u te spreken, wees zoo goed dadelijk bij hem te komen.” “Zeg mij als ’t u belieft wat hij van mij wil?” vroeg ik. “Dat zal hij u zelf wel zeggen,” kreeg ik ten antwoord. “Het eenige dat ik u zeggen kan is, dat een Arabische koopman, die gisterenavond bij u gesoupeerd heeft, hem eenige mededeelingen [371]heeft gedaan omtrent de begrafenis van een hond. Gij moet daarom vandaag bij hem verschijnen anders zult ge gerechtelijk vervolgd worden,” Toen hij weg was, dacht ik over die sommatie na. Waarom zou die Arabier mij dat geleverd hebben? Hij had in het geheel geen redenen, om zich over mij te beklagen. Den kadi kende ik als een man, streng voor het oog, maar in werkelijkheid niet zeer nauwgezet en voor alles een vrek. Ik deed tweehonderd goudstukken in een beurs en ging den rechter opzoeken. Hij liet mij in zijn kabinet komen en zei met een barsch gezicht: “Gij zijt een goddelooze, een heiligschenner, een verschrikkelijke man! Gij hebt een hond begraven als een Muzelman! Welk een profane handelwijze! Respecteert gij dan onze heiligste ceremoniën niet? En zijt ge alleen Mahomedaan geworden om onze godsdienstige gebruiken te bespotten?” “Mijnheer de kadi”, antwoordde ik, “de Arabier, die u mededeeling gedaan heeft van het gebeurde, die valsche vriend, is medeplichtig aan mijn misdaad, indien het er althans een is, om eer te bewijzen aan de stoffelijke overblijfselen van een trouw dier, dat duizende goede hoedanigheden bezat, dat veel hield van verdienstelijke mannen en zelfs stervende hun nog bewijzen van zijn vriendschap heeft willen geven. Het heeft een testament gemaakt, waarvan ik exécuteur ben. Aan den een zijn twintig kronen vermaakt, den ander dertig en ook u, mijnheer de kadi heeft hij niet vergeten, hier zijn tweehonderd goudstukken, die hij mij opgedragen heeft u ter hand te stellen. Dit zeggende, haalde ik mijn beurs te voorschijn. De kadi had onder het gesprek zijn streng uiterlijk verloren; hij kon niet nalaten om te lachen en, daar wij alleen waren, stak hij de beurs in zijn zak. “U kunt gaan, mijnheer Sidy Hally,” zei hij “en gij hebt goed gedaan door de laatste eer te bewijzen aan een dier, dat eerlijke menschen zoo wist te respecteeren.”

Zoo liep de zaak af en als ze mij niet wijzer maakte, ik werd er althans minder goed van vertrouwen door. Ik noodigde den Arabier niet meer bij mij uit en den jood [372]ook niet. ’s Avonds dronk ik nu dikwijls met een jongeman uit Livorno, die Azarini heette en mijn slaaf was. Ik was over het algemeen zeer goed voor mijn slaven en deed niet als andere afvalligen, die hun christenslaven slechter behandelden dan de Turken zelf, zoodat velen niet eens naar de vrijheid verlangden, hoe aantrekkelijk die ook is voor menschen in slavernij.

Op zekeren dag keerden de schepen van den pacha terug met een goede vangst. Meer dan honderd slaven brachten ze mee van beide geslachten, opgelicht aan de kusten van Spanje, Soliman hield er maar een klein gedeelte van, de overigen werden verkocht. Ik ging naar de markt en kocht een Spaansch meisje van tien of twaalf jaar. Ze weende onophoudelijk en was wanhopig. Ik zei haar in het Spaansch, dat ze gerust moest zijn want dat ze een humanen meester zou krijgen, hoewel hij een tulband droeg. Het kleine meisje was zoo vervuld met haar verdriet, dat ze mij niet hoorde. Ze deed niets als zuchten, klagen over haar lot en nu en dan riep zij aandoenlijk: “O, moeder! waarom wil men ons scheiden!” en keek daarbij naar een vrouw van vijf en veertig of vijftig jaar, die in stilte wachtte tot zij verkocht zou worden. “Is dat uw moeder?” vroeg ik. Ze knikte en ik zei: “Welnu, ge kunt bij elkaar blijven,” Ik naderde de vrouw, om over haar te onderhandelen. Ik had haar gezicht nog niet gezien, of ik herkende, tot mijn groote aandoening, de trekken van Lucinde, “Gerechte hemel,” zei ik bij mijzelf, “dat is mijn moeder, ik kan er niet aan twijfelen!” Zij herkende mij niet. Na haar gekocht te hebben, bracht ik haar met haar dochter naar mijn huis, waar ik het genoegen hebben wilde haar te zeggen, wie ik was.

“Mevrouw,” zei ik tegen Lucinde, “hoe is het mogelijk, dat mijn gezicht u niet treft. Ben ik door mijn tulband en mijn knevel zoo veranderd, dat ge uw zoon Raphaël niet herkent?” Mijn moeder beefde bij die woorden, keek mij goed aan en wij omhelsden elkaar teeder. Ik omhelsde ook het meisje, dat wel even weinig geweten zal hebben, [373]dat ze een broer had, als ik wist, dat ik een zuster bezat. “Beken maar,” zei ik tegen mijn moeder, “dat ge in al uw comedie-stukken nooit een herkennings-scène hebt meegemaakt, die zoo treffend was als deze.” “Mijn zoon,” antwoordde zij zuchtend, “ik ben zeer blij u weer te vinden, maar er mengt zich smart in mijn vreugde. Helaas, hoe moet ik u weerzien! Mijn slavernij doet mij duizendmaal minder verdriet dan deze verfoeilijke kleeding....” “Wel mevrouw,” viel ik haar in de rede, “ik bewonder uw fijngevoeligheid; ik mag die wel zien in een actrice. Maar ge zijt wel veranderd, dat mijn gedaanteverwisseling u zoo treft; inplaats van zoo vertoornd te zijn op mijn tulband, moet ge mij maar beschouwen als een acteur, die een rol vervult in een Turksch stuk. Ik ben even weinig Muzelman als ik het in Spanje zou zijn en hecht nog altijd aan mijn godsdienst; als ge alle avonturen weet, die mij in dit land overkomen zijn, zult ge mij verontschuldigen. De liefde is oorzaak van mijn misdaad; ik heb aan dien god geofferd en lijk in dat opzicht een weinig op u. Maar het zal u misschien genoegen doen te vernemen, dat wij hier rijk en in overvloed kunnen leven, tot zich de gelegenheid zal aanbieden, om veilig naar Spanje terug te keeren. Herinner u het spreekwoord: “er is altijd een geluk bij een ongeluk”. “Mijn zoon,” zei Lucinde, “daar ge van plan zijt naar uw vaderland terug te keeren en het mohamedanisme af te zweren, ben ik heelemaal getroost. Dank zij den Hemel, zal ik uw zuster Beatrix veilig en wel naar Spanje kunnen terug brengen.” “Ja mevrouw,” riep ik uit, “dat kunt ge. Wij zullen alle drie terugkeeren naar onze overige familie, want ge zult in Spanje zeker nog wel andere bewijzen van uw vruchtbaarheid hebben?” “Neen,” zei mijn moeder, “ik heb maar twee kinderen en Beatrix is uit een wettig huwelijk geboren.” “En waarom,” vroeg ik, “hebt ge mijn kleine zuster dat voordeel geschonken boven mij? Hoe hebt ge er toe kunnen besluiten om te trouwen? Ik heb u in mijn jeugd wel honderd maal hooren zeggen, dat ge het van [374]een mooie vrouw onvergeeflijk vond om te huwen.” “Andere tijden, andere zorgen, mijn zoon, de sterkste man verandert wel eens en zou dan een vrouw het niet doen? Ik zal u,” vervolgde zij, “mijn geschiedenis vertellen van uw vertrek uit Madrid af.” Daarna deed ze mij het volgende verhaal, dat ik nooit zal vergeten en dat ik u niet wil onthouden.

“Het is nu,” zoo begon zij, “ongeveer dertien jaar geleden, dat ge den jongen Léganez verliet. Omstreeks dien tijd zei de hertog de Medina Céli mij, dat hij een avond alleen met mij wilde soupeeren. Hij bepaalde den dag, hij kwam en ik beviel hem. Hij verzocht mij, om mij niet meer in te laten met andere heeren, indien ik dat soms deed. Ik beloofde het hem, in de hoop, dat hij het goed met mij zou maken. Daar ontbrak het niet aan, den volgenden dag reeds ontving ik prachtige cadeaux, die door vele andere werden gevolgd. Hoewel ik vreesde, dat ik hem niet lang zou kunnen boeien, daar hij met andere schoone vrouwen altijd spoedig had gebroken, scheen hij steeds nieuw genoegen in mijn gezelschap te vinden.

Het was reeds drie maanden, dat hij mij beminde en ik had alle hoop, dat zijn liefde nog wel van langeren duur zou zijn, toen ik op zekeren dag een uitnoodiging ontving van een vriendin, om mee te gaan naar een concert, waar de hertog en zijn vrouw ook waren. Toevallig kwamen wij dicht bij hen te zitten. De hertogin liet mij door een dame uit haar gevolg verzoeken, mij onmiddellijk te verwijderen. Ik gaf een brutaal antwoord terug en de hertogin beklaagde zich bij haar man, die zelf bij me kwam en zei: “Ga weg Lucinde; wanneer groote heeren zich hechten aan wezentjes zooals gij, dan moeten zij toch niet vergeten, dat, al beminnen wij haar meer dan onze vrouwen, wij de laatsten toch meer eeren en ge stelt u aan een onaangename behandeling bloot, indien ge het waagt u met haar op één lijn te stellen.”

Gelukkig sprak de hertog zoo zacht, dat hij door anderen niet gehoord werd. Beschaamd verliet ik de zaal en [375]ik weende van spijt over deze beleediging. Tot overmaat van smart wisten denzelfden avond al de acteurs en actrices bij ons reeds, wat er was gebeurd. Men zou zeggen, dat er onder die lieden altijd een demon is, die er behagen in schept het ongeluk van anderen ruchtbaar te maken. Den hertog de Médina-Céli zag ik niet weer en ik hoorde eenige dagen later, dat een zangeres hem veroverd had.

Wanneer een dame van het tooneel het geluk heeft in den smaak te vallen, ontbreekt het haar nooit aan minnaars [376]en de liefde van een groot heer, al duurt die ook maar drie dagen, geeft haar nieuwe waarde. Dus zag ik mij omringd door aanbidders, zoodra het in Madrid bekend werd, dat de hertog mij niet meer bezocht. Onder hen was er een, die mij met volharding het hof maakte. Hij zag er niet zeer beminnelijk uit, het was een dikke Duitscher, die tot het gevolg van den hertog d’Ossune behoorde; maar hij had in den dienst van zijn meester duizend pistolen weten bijeen te brengen en besteedde die om mij attenties te bewijzen. Hij heette Brutendorf. Zoolang hij veel geld voor mij uitgaf, ontving ik hem vriendelijk, toen het op was, bleef mijn deur voor hem gesloten. Dat verbitterde hem zeer, hij kwam in den schouwburg, terwijl de voorstelling aan den gang was en kwam bij mij, achter de coulissen, waar hij mij heftige verwijten deed; ik lachte hem in zijn gezicht uit en hij gaf mij een slag in het gezicht. Ik uitte een kreet, welke stoornis veroorzaakte op het tooneel en wilde mij bij den hertog, die met zijn vrouw in den schouwburg was, beklagen over deze Germaansche manieren van dien heer uit zijn gevolg. De hertog gelastte, dat de voorstelling zou worden vervolgd en dat hij daarna de partijen zou hooren. Later kwam ik dus bij hem, om op levendige wijze mededeeling te doen van den ondervonden smaad. Wat den Duitscher betreft, hij had slechts enkele woorden te zeggen, niet van berouw, maar om te verklaren, dat hij lust had om weer te beginnen. De hertog zei daarop tegen den Duitscher: “Brutendorf, ik ontsla u, niet omdat ge een actrice een slag in het gezicht hebt gegeven, maar omdat ge weinig eerbied betoond hebt voor uw meester, door in zijn tegenwoordigheid en die van de hertogin de voorstelling te verstoren.”

Die uitspraak verbitterde mij zeer. De Duitscher werd dus niet weggejaagd, omdat hij mij beleedigd had. Ik had mij verbeeld, dat een dergelijke beleediging van een actrice even streng gestraft zou worden als majesteitsschennis. Daardoor ervaarde ik, dat de groote wereld de acteurs [377]niet verward met de rollen, welke zij op het tooneel vervullen. Ik kreeg een afkeer van het theater en besloot Madrid te verlaten. Als woonplaats koos ik Valencia en ik ging er incognito heen, met een waarde van twintig duizend ducaten, welke ik bezat aan geld en edelgesteente. Ik meende, dat die som voldoende was om de rest van mijn dagen een ingetogen leven te leiden. Te Valencia huurde ik een klein huis en nam voor mijn bediening een vrouw en een page, die mij niet kenden. Ik gaf mij uit voor de weduwe van een officier, had weinig conversatie en leidde een zoo geregeld leven, dat niemand in mij een gewezen actrice vermoedde. Maar hoe stil ik ook leefde, ik trok de aandacht van een edelman, die een kasteel had, dicht bij Paterna. Hij was een knappe man van omstreeks veertig jaar, maar had veel schulden, wat even dikwijls in Valencia als in andere plaatsen voorkomt. Daar ik hem beviel en hij vernomen had, dat ik vermogend was, verklaarde hij zich, bekoord door mijn schoonheid en deugd, bereid mij voor het altaar te geleiden. Ik vroeg drie dagen bedenktijd. Daar ik veel goeds van hem hoorde, besloot ik, hoewel de staat van zijn vermogen mij niet onbekend was, hem mijn hand te reiken.

Don Manuel de Xerica, zoo heette mijn echtgenoot, bracht mij op zijn kasteel, dat zeer antiek was en waarop hij niet weinig trotsch was. Hij beweerde, dat een van zijn voorvaderen het had laten bouwen en leidde daaruit af, dat er geen ouder huis in Spanje was. Hoeveel reden hij ook had om trotsch te zijn op zijn bezitting, deze geleek op sommige plaatsen wel op een ruïne. De helft van mijn geld werd gebruikt om het gebouw te herstellen en de andere helft diende ons om een schitterenden staat te voeren. Zoo werd ik dus een dame van een kasteel. Welk een verandering! Maar ik was een te goede actrice om niet schitterend mijn rang en stand op te houden. Ik deed zeer voornaam en in het dorp geloofde men, dat ik het was. Wat zouden ze een pleizier gehad [378]hebben als ze geweten hadden, wie ik werkelijk was! De edellieden uit de omgeving zouden mij beleedigd en vernederd hebben en de boerenbevolking zou veel aan eerbied voor mij hebben verloren.

Er verliepen zes jaar, waarin ik zeer gelukkig met don Manuel leefde. Toen stierf hij, mij mijn zaken in een zeer ontredderden toestand en uw zuster Beatrix nalatende, die toen vier jaar was. Onze eenige bezitting was het kasteel en wij hadden verscheidene schuldeischers, waarvan de groote Bernard Astuto5 heette. Hij deed zijn naam alle eer aan en daar hij procureur was, begon hij ons dadelijk te vervolgen met al de kennis van iemand, die gewoon is om processen te voeren. In een onderhoud, dat ik met hem over deze zaken had, scheen ik hem te bekoren. Ik deed mijn uiterste best om zijn neiging aan te wakkeren en al spoedig zei me deze papierkrabber: “Mevrouw, ik ben altijd zoo door mijn vak in beslag genomen geweest, dat ik van liefde en galanterie niets afweet, maar indien u met mij wilt huwen, zal ik alle stukken voor het proces verbranden, en uw andere schuldeischers tevreden stellen. Gij zult dan de inkomsten van uw goed hebben en uw dochter den eigendom.” Het belang van Beatrix en van mij veroorloofde mij niet te twijfelen, ik nam zijn voorstel aan. De procureur hield zijn belofte, het kasteel was ons verzekerd en dit was misschien de eerste maal in zijn leven, dat deze man de belangen van een weduwe en een wees had gediend.

Ik werd dus procureursvrouw, zonder echter op te houden de Vrouwe van het dorp te zijn, maar mijn huwelijk vernederde mij in de oogen van den adel van Valencia. De aanzienlijke dames meenden, dat ik beneden mijn stand was getrouwd en wilden geen conversatie meer met mij hebben. In den aanvang hinderde mij dat zeer, maar spoedig troostte ik mij en werd opgenomen in de kringen, waarin de vrouwen van de collega’s van mijn [379]man gewoon waren zich te bewegen. Ik maakte kennis met een griffiers- en twee procureursvrouwen, die een goed karakter hadden. Er was in haar manieren iets belachelijks, waarmee ik mij zeer vermaakte. Deze vrouwtjes vonden zichzelf heel bijzonder. Helaas, dacht ik dikwijls, als ik hen zag, zoo is de wereld. Iedereen denkt, dat hij meer is dan zijn buurman. Ik dacht vroeger, dat alleen de actrices zoo waren. Ik wilde, dat men deze burgerdames dwong de portretten van hun voorouders te bewaren. Op mijn woord, ze zouden ze niet in het volle licht ophangen.

Na vier jaren werd Bernard Astuto ziek en stierf hij, zonder kinderen na te laten. Met het landgoed en het vermogen, dat hij mij naliet, was ik nu een rijke weduwe. Op dat gerucht kwam een Siciliaansche edelman, genaamd Colifichini, af. Hij was nog geen vijfentwintig jaar, welgemaakt, hoewel klein en ik moet bekennen, dat ik na het eerste onderhoud, dat ik met hem had, al smoorlijk verliefd op hem werd. Het liefst zouden wij maar dadelijk getrouwd zijn; dat kon echter niet, omdat de procureur pas dood was. Hoewel ik bijna tweemaal zoo oud was en de arme jongen zeer slecht bij kas, trouwden we toch spoedig en wij leefden bijna twee jaar op mijn kasteel, meer als een paar beminden, dan als getrouwde menschen. Ons geluk duurde helaas niet lang, een longontsteking nam mijn besten Colifichini weg.”

Hier viel ik mijn moeder in de rede. “Maar stierf uw derde man dan ook al? Het moet een gevaarlijk werk geweest zijn om met u te trouwen!” “Wat zal ik u zeggen, mijn zoon,” antwoordde ze mij. “Kan ik de dagen verlengen, die de Hemel heeft geteld? Twee van mijn echtgenooten heb ik oprecht betreurd, den procureur niet, daar ik hem slechts uit eigenbelang had gehuwd. Maar, om op Colifichini terug te komen, hij had nog een kleine bezitting bij Palermo, die ik erfde. Ik wilde die zelf gaan bezichtigen en scheepte mij met mijn dochter in naar Sicilië. Wij werden overvallen door de schepen [380]van den pacha van Algiers en zeer gelukkig voor ons, heeft men ons naar de plaats gebracht, waar we door u werden gevonden.”

Zoo luidde de geschiedenis van mijn moeder. Ik gaf haar de mooiste kamers van mijn huis en de vrijheid om te leven, zooals ze wilde, wat haar zeer naar den zin was. Ze had het zich echter zoo tot een gewoonte gemaakt om te beminnen, dat ze niet buiten een minnaar of een man kon leven. Weldra trok een Griek, die Mohamedaan was geworden, Hally Pégelin, een bezoeker van ons huis, haar aandacht. Zij vatte voor hem nog meer liefde op, dan ze ooit voor Colifichini had gehad en daar ze er geroutineerd in was, om de mannen te behagen, vond ze ook het geheim om dezen Griek te bekoren. Ik deed alsof ik van die verstandhouding niets merkte en dacht aan niets anders, dan om naar Spanje terug te gaan. De pacha had mij al toegestaan om een schip te bemannen, om daarmee op zeeroof te gaan. Die zaak hield mij druk bezig en acht dagen voor ik klaar was, zei ik tegen mijn moeder, dat wij spoedig op reis zouden gaan en de plaats verlaten, welke zij verfoeide.

Mijn moeder verbleekte bij die woorden en zweeg. Ik was daardoor zeer onaangenaam getroffen. “Wat zie ik?” riep ik uit. “Hoe komt het, dat ge zulk een verschrikt gezicht zet? Het schijnt wel, dat ge bedroefd zijt inplaats van verheugd. Verlangt ge er dan niet naar, om weer naar Spanje terug te keeren?” “Neen, mijn zoon,” antwoorde ze mij, “ik heb daar te veel verdriet gehad.” “Wat een verandering!” riep ik uit. “Toen u hier in de stad kwam, was alles verfoeielijk, maar Hally Pégelin heeft uw stemming veranderd.” “Ik ontken niet,” zei ze, “dat ik hem bemin en tot mijn vierden man wil maken.” “Wat een plan!” riep ik met schrik, “u, een Muzelman trouwen! Vergeet ge dan, dat ge een christin zijt, of liever, zijt ge dat tot nu toe alleen maar in naam geweest?”

Wat ik ook deed, om haar van haar voornemen af te brengen, het was nutteloos; haar besluit stond vast. Ze [381]bepaalde zich daartoe niet, ze wilde ook Béatrix meenemen. Ik verzette mij daartegen. “Maar ongelukkige, als niets u zelf van een onzinnige daad kan terughouden, sleep dan toch in geen geval een jong onschuldig wezen mee!” Lucinde ging weg en ik meende, dat een laatste straal van gezond verstand haar brein had verlicht. Wat kende ik mijn moeder slecht! Een paar dagen later zei een van mijn slaven mij, dat ik voorzichtig zijn moest en dat een gevangene van Pégelin hem in vertrouwen mededeelingen had gedaan, waarvan ik profijt kon trekken.

“Uw moeder is veranderd van godsdienst en, om zich op u te wreken, dat ge Béatrix niet hebt willen afstaan, heeft zij het plan gevormd, om den pacha van uw voorgenomen vlucht in kennis te stellen.” Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of Lucinde was er de vrouw naar, om te doen, wat de slaaf zei. Ik had tijd genoeg gehad om haar te leeren kennen en ik had gezien, dat zij, door het spelen in bloedige drama’s, vertrouwd geraakt was met de misdaad. Zij had mij heel goed levend kunnen laten verbranden en ik geloof niet, dat mijn dood haar meer getroffen [382]zou hebben dan een van de gebeurtenissen op het tooneel.

Ik wilde den raad, dien men mij gegeven had, niet in den wind slaan, dus verhaastte ik mijn inscheping, mijn zuster Béatrix nam ik mee en behalve van mijn eigen slaven, slechts zooveel Turken als noodig was, om geen argwaan te wekken. Aan geld en edelsteenen had ik een waarde bij mij van zesduizend ducaten. Toen wij in volle zee waren, begonnen wij met ons van de Turken te verzekeren. Wij ketenden hen gemakkelijk, omdat mijn slaven sterker in aantal waren. Wij hadden een zeer gunstigen wind, bereikten spoedig de Italiaansche kust en ontscheepten ons in de haven van Livorno, waar een groot deel van de inwoners van de stad uitliep, om ons te zien landen. De vader van mijn slaaf Azarini bevond zich daaronder. Hij keek aandachtig naar al mijn gevangenen, die één voor één den voet aan wal zetten, maar hoewel hij de trekken van zijn zoon zocht, was hij er niet op voorbereid, dat hij hem terug zou zien. Welk een vreugde en omhelzingen volgden op de herkenning! Zoodra Azarini hem had verteld wie ik was en waarom ik in Livorno kwam, drong hij er zeer op aan, dat ik met mijn zuster bij hem zou komen logeeren. Ik verkocht mijn schip, gaf al mijn slaven de vrijheid en de Turken werden in de gevangenis bewaard, om tegen Christenslaven te worden uitgewisseld.

Bij de familie van Azarini ondervonden wij veel vriendschap en de zoon huwde later zelf met mijn zuster Béatrix, die geen slechte partij voor hem was, daar zij de dochter van een edelman was en het kasteel van Xerica bezat.

Nadat ik eenigen tijd in Livorno had vertoefd, wilde ik Florence zien. De oude Azarini had mij vele aanbevelingsbrieven verschaft, ook voor vrienden, die hij aan het hof van den groothertog had. Ik voegde ook don voor mijn naam, zooals vele Spanjaarden zonder complimenten in het buitenland doen. Ik liet mij dus don Raphaël [383]noemen en zocht slechts omgang met voorname heeren. Al spoedig werd ik aan den groothertog voorgesteld; uit gesprekken met andere hovelingen had ik afgeleid welk een man hij was en ik regelde mij daarnaar, zoodat ik hem beviel. Ik had o. a. opgemerkt, dat hij er veel van hield, om naar interessante verhalen en aardige invallen te luisteren. Door mijn ondervinding, kon ik nog al veel vertellen en ’s morgens zon ik altijd op verhalen, een mengeling van waarheid en verdichting, waarmee ik hem dan des middags vermaakte. Ter afwisseling maakte ik soms ook verzen, waarin ik hem bezong en ze hadden niet beter door hem kunnen worden ontvangen, al waren ze ook nog zoo goed geweest. Hoe het zij, de groothertog schepte zooveel behagen in mij, dat de andere hovelingen jaloersch werden en wenschten te weten, wie ik was. Ze slaagden daarin niet.

Op zekeren dag, toen ik weer een reisverhaal had gedaan, dat hem zeer had geboeid, zei hij mij: “Don Raphaël, ik gevoel voor u veel vriendschap en ik zal u daarvan een bewijs geven door u deelgenoot te maken van mijn geheimen. Ik moet u dan bekennen, dat ik verliefd ben op de vrouw van een mijner ministers. Dat is de beminnelijkste dame van mijn hof, maar tegelijkertijd de deugdzaamste. Ze gaat weinig uit en is zeer gehecht aan haar echtgenoot, die haar aanbidt. Die verovering is dus zeer moeilijk. Ik heb gelegenheid gevonden, om met haar zonder getuigen te spreken en zij kent mijne gevoelens. Ik vlei mij niet, dat ik haar liefde heb ingeboezemd, ze heeft mij geen enkele reden gegeven om die gelukkige gedachte te koesteren. Maar toch heb ik hoop, dat ik haar op den duur voor mij zal winnen door mijn standvastigheid en stilzwijgen.

De liefde, welke ik voor haar koester, is alleen aan haar bekend. Ik wil in deze zaak niet als souverein handelen, dat laat ik na ter wille van Mascarini, haar man, die mij met ijver en toewijding dient. Alles moet dus geheim blijven en ik heb u bestemd om de tolk van mijn [384]gevoelens bij Lucretia te zijn. Ik twijfel er niet aan of ge zult u op uitstekende wijze van die taak kwijten. Knoop omgang aan met Mascarini, tracht zijn vriendschap te winnen en beproef het zoover te brengen, dat ge in zijn huis, vrij met zijn vrouw kunt spreken. Ziedaar wat ik van u verlang en ik ben er zeker van, dat ge het met kieschheid en discretie zult volbrengen.”

Ik beloofde den groothertog, dat ik al het mogelijke zou doen, om te beantwoorden aan het vertrouwen, dat hij in mij gesteld had en om zijn geluk te bevorderen. Het kostte mij niet veel moeite, om mij aangenaam te maken bij Mascarini. Het deed hem genoegen, dat zijn vriendschap gezocht werd door iemand, die door den vorst steeds met zekere onderscheiding werd behandeld en dus kwam hij mij tegemoet. Zijn huis stond voor mij open en ik kon met zijn vrouw zooveel spreken als ik wilde. Ik moet zeggen, dat hij weinig jaloersch was voor een Italiaan; hij vertrouwde op de deugd van Lucretia. Al spoedig begon ik met die dame over de liefde van den groothertog te spreken. Ze scheen niet verliefd op hem, maar haar ijdelheid werd gestreeld. Ze luisterde met genoegen toe, zonder te antwoorden. Ze was wel verstandig, maar bleef vrouw en kon niet ongevoelig blijven bij het denkbeeld, een souverein aan haar voeten te zien. De vorst kon dus hopen, dat Lucretia hem eenmaal zou toebehooren, maar een gebeurtenis, die hij het minst had verwacht, kwam zijn hoop vernietigen, zooals ge zult vernemen.

Ik was natuurlijk stoutmoedig in den omgang met vrouwen. Die gewoonte, het moge een goede of een slechte zijn, had ik mij eigen gemaakt bij de Turken. Lucretia was schoon. Ik vergat, dat ik een afgezant was en begon voor mijzelf te spreken. Inplaats van mij een vertoornd antwoord te geven, zei ze glimlachend: “Beken, don Raphaël, dat de groothertog een pleitbezorger van zijn zaak heeft, die zeer trouw en ijverig is. Ge dient hem met een kracht, welke niet genoeg geprezen kan worden.” “Mevrouw,” [385]zei ik, “laten wij daar niet dieper op ingaan, ik laat mij leiden door mijn gevoel en ik zou niet de eerste vertrouweling van een vorst zijn, die in een liefdesaangelegenheid zijn meester bedroog.” “Dat kan wel,” zei Lucretia, “maar ik ben trotsch en geen ander dan een vorst zal mij naderen. Gedraag u dus daarnaar,” zei ze op ernstigen toon, “laten wij van dit onderwerp afstappen. Ik wil vergeten, wat ge hebt gezegd, op voorwaarde, dat zulke woorden u niet weer ontvallen, want dan zou het u berouwen.”

Maar die waarschuwing doofde mijn hartstocht niet voor de vrouw van Mascarini en ik was zelfs vermetel genoeg, om mij zekere vrijheden te willen veroorloven. Zij dreigde mij daarop, dat ze den groothertog mededeeling zou doen van mijn onbeschaamdheid en hem zou verzoeken, mij daarvoor te straffen, zooals ik verdiende.

Ik werd op mijn beurt kwaad. Mijn liefde veranderde in haat en ik besloot mij te wreken. Ik zocht haar man op en na hem een eed te hebben doen afleggen, dat hij mij niet zou verraden, deelde ik hem mee, welke verstandhouding er tusschen den groothertog en zijn vrouw bestond. Daarbij verzuimde ik niet, om de scène interessanter te maken, te doen voorkomen, of zij zeer verliefd was op haar aanbidder. De minister nam afdoende maatregelen, hij sloot zijn vrouw dadelijk op in een geheim vertrek en liet haar door een paar zeer vertrouwde personen bewaken. Terwijl het haar dus onmogelijk was, om berichten aan mijn meester te doen toekomen, zei ik met een bedroefd gezicht tot den vorst, dat hij maar niet meer aan Lucretia moest denken. Ik opperde de veronderstelling, dat de minister alles ontdekt had, hoewel ik mij steeds zeer behendig had gedragen, dat zijn vrouw misschien zelve alles aan hem had medegedeeld en dat ze zich nu, in overeenstemming met hem, had laten opsluiten, om haar deugd beter te beveiligen. De prins was zeer terneergeslagen door mijn mededeelingen en ik gevoelde berouw over wat er gebeurd was, maar een volgend [386]oogenblik had ik weer een zekere kwaadaardige vreugde, bij de gedachte aan den toestand, waarin zich de trotsche vrouw bevond.

Een tijd ging alles goed, toen de groothertog op zekeren dag, dat ik met vijf of zes andere hovelingen bij hem was, tot ons zei: “Op welke wijze, mijne heeren, oordeelt ge, dat men een man straft, die misbruik gemaakt heeft van het vertrouwen van zijn vorst en getracht heeft hem zijn maitresse te ontrooven?” De eene hoveling zei, dat men hem door vier paarden van elkaar moest laten scheuren, een ander wilde hem door stokslagen dood slaan en de derde, Italiaan, die het minst wreed was, dacht, dat men hem van een toren moest laten springen. De groothertog zei: “En don Raphaël, wat denkt hij ervan? Ik ben overtuigd, dat de Spanjaarden in zulke zaken niet minder streng oordeelen dan de Italianen.” Ik begreep wel, zooals ge kunt denken, dat Mascarini zijn eed niet had gehouden, of dat zijn vrouw een middel gevonden had, om den vorst mee te deelen, wat er was gebeurd. Hoe angstig ik ook was, ik antwoordde op vasten toon: “Heer, de Spanjaarden zijn edelmoediger in zulke zaken. Zij vergeven hunnen vertrouweling en doen door die goedheid in zijn ziel een eeuwige spijt ontstaan over het gebeurde.” “Welnu,” zei de vorst, “ik gevoel mij tot die edelmoedigheid in staat; ik vergeef den verrader; mijzelf maak ik er een verwijt van, dat ik mijn vertrouwen heb geschonken aan een man, dien ik niet kende en dien ik had moeten wantrouwen na alles, wat ik over hem had gehoord. Don Raphaël,” voegde hij eraan toe, “dit is de wijze, waarop ik mij op u wil wreken. Verlaat oogenblikkelijk mijn staten en kom mij niet weer onder de oogen.” Ik ging dadelijk heen, minder bedroefd door de ongenade, waarin ik gevallen was, dan verheugd, dat ik er zoo goedkoop afkwam.

Den volgenden dag ging ik scheep naar Barcelona, maar ik bleef daar niet lang, daar de lust mij bekroop, om Madrid, mijn geboorteplaats, weer te zien. Het grootste [387]gedeelte van mijn geld had ik toen al uitgegeven. In Madrid ging ik toevallig logeeren in een hotel, waar ook een dame, die Camilla heette, haar intrek had. Hoewel zij meerderjarig was, was zij een zeer pikante verschijning, zooals ook de heer Gil Blas, die haar te Valladolid heeft gezien, zal kunnen getuigen. Zij had nog meer geest [388]dan schoonheid en nooit had een avonturierster meer talent, om slachtoffers aan te trekken. Maar zij was niet een van die coquette vrouwen, die alleen maar aan haar voordeel denken; als zij een rijke mijnheer had afgezet, deelde zij den buit met den eersten armen drommel, dien zij aardig vond.

Wij beminden elkaar zoodra we kennis maakten en de overeenkomst van onze neigingen verbond ons zoo nauw, dat wij weldra in gemeenschap van goederen leefden. Om de waarheid te zeggen, bezaten wij niet veel en in korten tijd was dat weinige verbruikt. Wij hadden ongelukkigerwijs alleen aan ons genoegen gedacht, zonder het minste gebruik te maken van de gaven, welke wij hadden gekregen, om ten koste van anderen te leven. De armoede wekte ten slotte ons genie op, dat door het vermaak was verdoofd. “Mijn waarde Raphaël,” zei Camilla, “laat ons scheiden, onze trouw ruïneert ons. Gij kunt een rijke weduwe het hoofd op hol brengen en ik zal trachten een rijken ouden heer te bekoren. Indien wij voortgaan met elkaar trouw te blijven, loopen wij twee fortuinen mis.” “Schoone Camilla,” antwoordde ik, “gij voorkomt mij, ik wilde u hetzelfde voorstel doen. Laat ons trachten nuttige veroveringen te maken. Telkens, wanneer wij elkaar ontrouw zullen zijn, zal het een triomf voor ons wezen.”

Wij gingen aan het werk. Maar het schoot niet hard op. Camilla vond in het begin slechts fatterige heertjes, die geen cent bezaten en ik vrouwen, die liever ontvingen dan betaalden. Daar de liefde aan onze behoefte niet voldeed, namen wij onze toevlucht tot oplichterijen. Toen wij gevaar liepen met het gerecht in aanraking te komen, verwijderden wij ons in stilte en trokken naar Valladolid. Ik huurde een huis, dat ik met Camilla bewoonde, die ik voor mijn zuster liet doorgaan. Wij bestudeerden eerst het terrein, voor wij ons aan een onderneming waagden.

Op zekeren dag ontmoette ik op straat iemand, die mij beleefd groette. “Don Raphaël,” zeide hij, “herkent [389]ge mij niet?” Ik antwoordde van neen; daarop zei hij: “ik heb u aan het hof van Toscane gezien, waar ik toen lijfwacht was van den groothertog. Sinds eenige maanden heb ik den dienst verlaten. Ik ben in Spanje gekomen met een Italiaan; wij wonen nu sinds drie weken te Valladolid, samen met een Spanjaard en een Franschman, die, ik moet het zeggen, zeer knappe jongelieden zijn. Wij leven van het werk van onze handen en verdienen veel. Indien ge u bij ons wilt aansluiten, zal het ons aangenaam zijn, u als confrater te begroeten, want gij hebt op mij altijd den indruk gemaakt van een galant man, die niet bang is en op de hoogte van ons vak.”

De openhartigheid van dien schelm wekte de mijne op. “Omdat ge zoo vrij met mij gesproken hebt,” zei ik, “zal ik dat met u ook doen. In uw vak ben ik werkelijk geen nieuweling en indien mijn bescheidenheid mij niet verbood u eenige van mijn verrichtingen te vertellen, zoudt ge zien, dat ge mij goed beoordeeld hebt; maar ik bepaal mij er toe, u mee te deelen, dat ik de plaats, welke ge mij wilt geven, zeer gaarne aanneem en dat ik u toonen zal, die niet onwaardig te zijn.”

Ik ging met hem mee, om kennis te maken met zijn kameraden en daar was het, dat ik voor de eerste maal den beroemden Ambrosius de Lamela ontmoette. De heeren ondervroegen mij over de wijze om zich vlug het goed van zijn naasten toe te eigenen. Ik toonde hun eenige handigheden, welke ze nog niet kenden en bewonderden. Daarop zei ik, dat het werk van de handen eigenlijk maar van minderen aard was en dat ik aan dat met den geest de voorkeur gaf. Als een staaltje, verhaalde ik het avontuur met Jéróme de Moyadas. Zij vonden mij een genie en benoemden mij tot hun aanvoerder. Indien wij vrouwelijke hulp noodig hadden, zouden wij ons bedienen van Camilla, die verrukkelijk alle rollen speelde.

In dien tijd ging onze confrater Ambrosius een reisje maken naar Frankrijk en daarvan terugkomende bezocht hij Burgos, waar een hotelhouder, die hem kende, hem [390]een betrekking bezorgde bij den heer Gil Blas de Santillano. “Mijnheer,” vervolgde don Raphaël, zich tot mij wendende, “gij weet op welke wijze wij u te Valladolid van uw valies ontlastten. Ik twijfel er niet aan, of ge hebt vermoed, dat Ambrosius de hoofdaanlegger van dien diefstal was en daarin hebt ge u niet vergist. Maar ge weet het vervolg niet van dit avontuur. Ambrosius en ik stalen uw valies en, op onze muilezels gezeten, sloegen wij den weg in naar Madrid, zonder ons te bekommeren om Camilla en onze kameraden, die wel even verwonderd geweest zullen zijn als gij, ons den volgenden dag niet weer te zien.

Wij veranderden den tweeden dag van plan. Inplaats van naar Madrid te gaan, dat ik niet zonder reden had verlaten, gingen wij naar Toledo. Onze eerste zorg in die stad was, ons netjes te kleeden. Wij gaven ons uit voor Franschen, twee broeders, die voor hun genoegen op reis waren. Spoedig maakten wij met vele nette menschen kennis. Ik was zoo gewend voor een grooten mijnheer door te gaan, dat men het dadelijk geloofde en daar men gewoonlijk de menschen zand in de oogen strooit door veel geld uit te geven, begonnen wij feesten te geven, ter eere van de dames, die wij ontmoetten. Daaronder was er een, die ik nader wilde leeren kennen. Ik vond haar schooner dan Camilla en ook was zij jonger. Ik vernam, dat zij Violante heette en dat zij door haar man verwaarloosd werd. Ze nam weldra een groot gedeelte van mijn gedachten in beslag.

Zij bemerkte de verovering, die zij gemaakt had. Ik wilde haar troosten over de trouweloosheid van haar echtgenoot en zond haar ook verschillende brieven, die ze beantwoordde met de mededeeling, dat haar man gewoon was elken avond bij zijn maitresse te soupeeren. Het was duidelijk, wat dat bericht te beteekenen had en ik was ’s avonds aan haar venster, waar wij een lang en teeder onderhoud hadden. Bij het scheiden spraken wij af, dat ik de volgende avonden zou terugkomen. Deze [391]ontmoetingen waren mij echter niet voldoende en ik wilde trachten op een andere plaats samen te komen. Van plan haar dit mee te deelen, zag ik ’s avonds in de straat een man, die mij nauwkeurig opnam. Het was, zooals later bleek, de echtgenoot van Violante, die vroeger dan gewoonlijk van zijn maitresse teruggekomen en iemand voor zijn huis ziende, argwaan kreeg. Ik kende dien heer niet en hij kende mij niet. Na eenig nadenken ging ik naar hem toe en zei: “Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, de straat eenigen tijd voor mij vrij te laten, ik ben gaarne tot wederdienst bereid.” Hij antwoordde mij, dat hij mij een zelfde verzoek wilde doen, hij moest twintig huizen verder zijn, waar een meisje woonde, dat hij liefhad, maar dat streng door haar broeder bewaakt werd. “Dan behoeven wij elkaar niet te storen,” merkte hij op, groette en ging weg.

Na eenigen tijd verscheen Violante op het balcon; ik drong er op aan, dat zij mij ergens een rendez-vous zou toestaan. Zij scheen daarop voorbereid geweest te zijn, want zij haalde een briefje uit haar zak en wierp mij dit toe. Nadat wij nog eenigen tijd gesproken hadden, ging zij weer naar binnen, want de tijd naderde, waarop haar man gewoon was thuis te komen.

Op korten afstand van het huis ontmoette ik den vreemdeling weer, die mij vroeg of ik tevreden was, waarop ik antwoordde, dat ik alle reden daartoe had. Hij vertelde mij daarop, dat ik dan gelukkiger was geweest dan hij; al dien tijd had hij tevergeefs voor het huis van zijn schoone heen en weer geloopen.

We bleven nog eenige oogenblikken in gesprek en spraken af, dat wij elkaar den volgenden morgen op de groote markt zouden ontmoeten.

Hij was daar op tijd en begon mij een lang verhaal te doen van zijn liefde, waardoor hij mijn vertrouwen uitlokte en ik hem alles omtrent Violante meedeelde; ook las ik hem het briefje voor, dat ik van haar had gekregen. Dit luidde: [392]

“Morgen ga ik dineeren bij dona Inès. Ge weet, waar ze woont en in het huis van deze trouwe vriendin wil ik een samenkomst met u hebben. Ik kan u deze gunst, die gij waardig schijnt te zijn, niet langer weigeren.”

Hij wenschte mij geluk met mijn succes. Wat er verder gebeurde weet ik niet; maar nauwelijks was ik met Violante samen in het huis van dona Inès, of er werd hard aan de deur geklopt. Men vermoedde, dat het don Balthazar was en noodzaakte mij door een achterdeur te vluchten. Zeer ontevreden over den afloop van dit avontuur, liep ik ’s middags in de stad rond, toen ik den vreemdeling weer ontmoette, die mij vroeg of ik bij dona Inès gelukkige oogenblikken had doorgebracht; waarop ik hem mededeelde, wat er gebeurd was. Ik verzekerde hem echter, dat ik mij niet uit het veld zou laten slaan en dat ik ’s avonds weer voor het huis van mijn geliefde zou zijn, waarin ze mij zou binnen laten, indien het terrein vrij was. Echter gaf ik mijn voornemen te kennen, om twee of drie vertrouwde vrienden mee te nemen, die ons zouden behoeden voor een overrompeling. Mijn nieuwe vriend gaf mij daarin gelijk en bood zich zelf aan, ook zou hij nog een vertrouwden kennis meenemen, een ware Caesar, die veel van zulke avonturen hield. Zeer dankbaar voor die bereidwilligheid, nam ik het aanbod aan.

Daarop ging ik Lamela opzoeken, wien ik mijn wedervaren meedeelde. Hoewel ook hij wel een weinig verwonderd was over de groote bereidwilligheid van mijn nieuwen vriend, had hij evenmin achterdocht dan ik. Wij liepen met open oogen in den val. Voor een paar slimme vogels zooals wij, moet ik wel zeggen, dat dit eigenlijk onvergeeflijk was.

Ambrosius en ik verschenen ’s avonds, gewapend met goede rapieren en troffen de twee andere heeren op eenigen afstand van Violante’s huis aan. Don Balthazar stelde mij zijn zwager voor en zei: “Dit is de edelman, wiens dapperheid ik tegenover u geroemd heb. Ga nu [393]naar uwe minnares en geniet zonder zorg van uw geluk.” Ik klopte en werd binnen gelaten. Op hetgeen achter mij gebeurde lette ik niet, ik liep door naar een zaal, waar de schoone dame mij wachtte. De twee verraders [394]echter waren mij gevolgd en hadden de buitendeur zoo snel weer gesloten, dat Lamela alleen op straat bleef staan. Eenmaal in huis zijnde, riepen ze mij toe, dat ik verloren was, want dat zij don Balthazar en zijn zwager waren. Maar ge begrijpt wel, dat men met mij niet zoo gemakkelijk gewonnen spel had. Ik verweerde mij zoo heftig, dat zij misschien berouw kregen over deze wijze van wraak nemen. Ik had het geluk den echtgenoot te doorsteken, waarop de zwager de vlucht nam, door de buitendeur, welke was opengemaakt door Violante en de oude dienstbode, die mij had binnengelaten en met haar was weggesneld, zoodra zij zag, dat wij begonnen te vechten.

Met Lamela ging ik naar ons logement; wij namen mee, wat wij aan waarde bij ons hadden, bestegen onze muilezels en gingen ’s nachts nog de stad uit. We begrepen wel, dat deze zaak gevolgen kon hebben en dat men in Toledo nasporingen zou doen, die wij maar liever moesten ontvluchten.

Den volgenden dag waren wij in Villarubia. We bleven er om uit te rusten en tegen den avond kwam er een koopman uit Toledo aan, die met ons mee soupeerde en ons den tragischen dood van den echtgenoot van Violante vertelde. Hij deelde ons mee, dat men de schoone vrouw overal zocht en dat de rechter, die een bloedverwant van don Balthazar was, niets onbeproefd zou laten, om de moordenaars op te sporen.

Daar wij in dit gedeelte van het land dus niet veilig waren, besloten wij ons, langs een omweg, naar Aragon te begeven. In de bergen bij Cuença kende Ambrosius goed den weg. Hij was er zes jaren geleden ook geweest en had er toen een ouden kluizenaar ontmoet, die hem met veel liefde in zijn grot had opgenomen. Nu wij toch in de nabijheid waren, wilde hij dien ouden man gaan opzoeken. Ik bleef in de nabijheid op het mos uitrusten. Na een korten tijd kwam Lamela mij halen; ik volgde hem naar een grot, waar een grijsaard lag [395]uitgestrekt, bleek en stervende. Met zachte stem zei hij:

“Wie ge ook moogt zijn, mijn broeders, leert van hetgeen zich nu aan uw blikken toont. Veertig jaar heb ik in de wereld geleefd en zestig jaar in de eenzaamheid. En op dit oogenbik schijnt mij den tijd, welken ik aan mijn genoegens heb gegeven lang en dien, welken ik aan boetedoening besteedde, kort. Helaas! ik vrees, dat het leven van den kluizenaar broeder Juan de zonden niet heeft schoon gewasschen van don Juan de Solis.”

Nauwelijks had hij die woorden uitgesproken, of hij gaf den geest. Wij waren zeer getroffen door zijn dood. Zelfs op de grootste vrijgeesten maken zulke oogenblikken indruk. Spoedig echter waren wij dit weer vergeten en wij begonnen den inventaris op te maken, waaraan wij, zooals ge wel zult hebben gezien, niet veel werk hadden, aan eetwaren vonden wij alleen een paar stukken hard brood en eenige noten.

Op tafel lag een stuk papier, gevouwen als een brief, waarin de oude man hem, die deze regels zou lezen, verzocht, na zijn overlijden, zijn rozenkrans en sandalen naar den bisschop van Cuença te brengen. Wat dezen ouden vader kon hebben bewogen die voorwerpen aan den geestelijke te willen schenken, konden wij niet raden.

Nadat wij een groot gat hadden gemaakt, om den kluizenaar te begraven, kwam Lamela op een aardigen inval. Hij stelde mij voor, dat ik mij zou verkleeden en voor broeder Juan spelen en dat hij broeder Ambrosius zou wezen. We waren dan zeker, dat men ons spoor niet zou vinden en hij had kennissen in Cuença, die ons wel verder zouden helpen. Ik juichte dat denkbeeld toe en den volgenden morgen vroeg ging Lamela op weg, hij verkocht onze muilezels te Toralva, kwam ’s avonds terug met levensmiddelen en valsche baarden en pijen om ons te vermommen.

Na drie dagen, waarin wij niemand zagen, kwamen er twee boeren, die brood, kaas en uien brachten. Het was halfdonker in ons verblijf en ik bootste de stem van vader [396]Juan na, zoodat zij mij niet herkenden. Wel waren zij eenigszins verwonderd, nu twee personen te vinden, maar Lamela, die dat merkte, voorkwam hen. Hij zei, dat hij een kluizenaar was uit Aragon, maar zijn woning had verlaten, om den eerbiedwaardigen broeder Juan, die oud werd, gezelschap te blijven houden. De boeren prezen broeder Ambrosius om zijn hulpvaardigheid en waren er trotsch op, dat ze nu twee heilige mannen in hun streek hadden.

Lamela, die van de natuur een vroom gezicht had gekregen en de begaafdheid bezit om op het gemoed van christelijke zielen te werken, ging met een grooten bedelzak naar de stad Cuença, die iets minder dan een mijl ver lag, en deze kwam gevuld terug. “Maar ik heb nog andere dingen gedaan,” zei hij. “Ik heb een nimf ontmoet, Barbe, die ik vroeger bemind heb. Zij is zeer veranderd, evenals wij is zij devoot geworden en woont samen met [397]drie andere schijnheilige zusters, die onder elkaar een prettig leven leiden. Zij herkende mij eerst niet en toen ik haar mijn naam noemde, drukte zij groote verwondering er over uit, mij in zulk een kleed te zien. “Door welk avontuur zijt gij kluizenaar geworden?” vroeg zij. Ik antwoordde, dat het verhaal een beetje te lang was om het dadelijk te doen, maar dat ik den volgenden dag haar nieuwsgierigheid zou bevredigen en dan broeder Juan zou meebrengen. Ze viel mij in de rede: “Wat? Broeder Juan, die goede kluizenaar, die dichtbij de stad woont? Hoe komt ge daarbij? Men zegt, dat hij wel honderd jaar oud is.” “’t is waar,” antwoordde ik, “maar sedert eenige dagen is hij veel jonger geworden, zooals ge zult zien.” Barbe, die wel begreep, dat er een geheim onder schuilde, zei, dat hij maar moest meekomen.

Den volgenden dag bezochten wij de vrome zusters, die ons met een goede tafel ontvingen. Wij ontdeden ons van onze vermomming, bleven bijna den geheelen nacht aan tafel, amuseerden ons uitstekend en keerden eerst tegen den morgen naar onze grot terug. Wij herhaalden dat bezoek dikwijls, maar er schijnt iets uitgelekt te zijn, althans de politie komt heden ons kluizenaarsverblijf met een bezoek vereeren, om zich van onze personen te verzekeren. Toen Lamela gisteren in Cuença was, ontmoette hij een van de zusters en deze zei hem: “Een vriendin van mij heeft me dezen brief geschreven, dien ik u door een bode wilde laten brengen. Toon hem aan broeder Juan en neem uwe maatregelen daarnaar.” Het is deze brief, heeren, door Lamela mij in uw bijzijn overhandigd, welke ons heeft doen besluiten, onze eenzame woning te verlaten.” [398]

1 De Buena Garra = van den goeden greep. De Cordel = van het koord.

2 De Moyadas = van de bevochtiging.

3 De la Membrilla = van de zachte kweepeer.

4 Dit woord is samengesteld uit twee Perzische woorden, welke door de Turken zijn overgenomen en die men vertalen kan door beminnelijke coquetterie.

5 Astuto = geslepen.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.