Elinor bespeurde thans hoe groot het verschil is tusschen het verwachten van eene onaangename gebeurtenis, hoe stellig wij ons ook van hare komst overtuigd weten te houden, en volkomen zekerheid. Zij bespeurde nu, dat zij, haars ondanks, altoos nog, zoolang Edward ongetrouwd bleef, eenige hoop had blijven koesteren, dat er iets mocht gebeuren, ’t geen zijn huwelijk met Lucy verhinderen zou; dat òf een door hemzelf genomen besluit, òf de tusschenkomst van vrienden, òf eenige meer verkieselijke gelegenheid om de toekomst der jonge dame te verzekeren, had mogen bijdragen tot de bevordering van hun aller geluk. Maar nu was hij getrouwd, en zij laakte haar hart wegens die geheime vleitaal, welke de smart dezer tijding zoo zeer had verscherpt.
Dat hij zoo spoedig getrouwd was, eer hij, naar zij meende, de wijding had kunnen ontvangen, en bijgevolg eer hij beroepen had kunnen worden, verwonderde haar eerst een weinig. Maar zij zag weldra in, hoe waarschijnlijk het was, dat Lucy, in haar baatzuchtige bezorgdheid, in haar haast om hem te winnen, alles over het hoofd zou zien behalve het gevaar, verbonden aan uitstel. Zij waren getrouwd; in de stad getrouwd, en thans haastig op weg naar Lucy’s oom. Wat zou Edward hebben gevoeld, toen hij nog geen vier mijlen van Barton [403]was verwijderd; toen hij haar moeder’s knecht zag; toen hij Lucy’s boodschap aanhoorde!
Zij zouden zeker spoedig, dacht zij, nu gaan wonen te Delaford,—Delaford, die plaats, waarin zoovele redenen haar noopten, belang te stellen, die zij wenschte te kennen, en toch verlangde te vermijden. Zij zag ze vóór zich in hun pastorie; zag Lucy als de ijverige bekwame huishoudster, die den wensch naar uiterlijk weeldevertoon wist te paren met de uiterste spaarzaamheid, zich schamend, zoo iemand maar de helft van hare zuinigheidsmaatregelen had kunnen vermoeden;—onophoudelijk bedacht op haar eigen belang, pogend in de gunst te geraken bij Kolonel Brandon, bij Mevrouw Jennings, en bij alle vermogende vrienden. Hoe zij Edward zag, wist zij zelve niet, en evenmin, hoe zij hem wenschte te zien; gelukkig of ongelukkig,—niets kon haar behagen;—van iedere voorstelling, die ze zich van hem maakte, wendde zij het hoofd af.
Elinor bleef nog hopen, dat een van hunne kennissen in Londen hun zou schrijven, om het nieuws te berichten en verdere bijzonderheden te vermelden; maar de eene dag na de andere ging voorbij, zonder brief of tijding. Hoewel zij niet precies wist, aan wien de schuld te geven, ergerde zij zich over alle afwezige vrienden. Ze waren allen vergeetachtig, of lui.
“Wanneer schrijft u aan Kolonel Brandon, moeder?” was de vraag, die voortsproot uit haar ongeduldig verlangen, dat er toch iets gebeuren mocht.
“Ik schreef hem de vorige week, lieve, en ik verwacht nog eerder hem te zien, dan van hem te hooren. Ik drong er zeer op aan, dat hij zou komen, en ’t zou mij niet verwonderen, als we hem vandaag of morgen zagen binnenstappen.”
Dat was toch iets gewonnen; iets om tegemoet te zien. Kolonel Brandon moest het een of ander hebben te vertellen. [404]
Pas had zij dit voor zichzelve vastgesteld, toen de verschijning van een ruiter haar de oogen naar het venster deed richten. Hij hield stil bij hun hek. Het was een heer; het zou Kolonel Brandon zijn. Nu zou ze meer hooren, en gespannen verwachting deed haar beven. Maar—het was niet Kolonel Brandon, zijn figuur niet; zijn lengte niet. Als zooiets nu mogelijk was, dan zou zij zeggen, dat het Edward moest zijn. Zij keek opnieuw. Hij was juist afgestegen;—zij kon zich niet vergissen; het was Edward. Ze verwijderde zich van het venster en ging zitten. “Hij komt van den Heer Pratt hierheen, om ons te bezoeken. Ik wil kalm zijn; ik wil mij beheerschen.”
Op dat oogenblik bespeurde zij, dat de anderen ook hunne vergissing hadden bemerkt. Zij zag haar moeder en Marianne verbleeken, naar haar zien, en elkander iets toefluisteren. Ze zou alles hebben gegeven, om te kunnen spreken, om hen te doen begrijpen, hoe zij hoopte, dat hun houding geen koelheid, geen onverschilligheid zou aan den dag leggen; maar zij kon geen woord uitbrengen, en moest alles overlaten aan hun eigen gevoel van tact. Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij wachtten zwijgend, tot de bezoeker verschijnen zou. Zijn voetstappen klonken op het grintpad; daarna in de gang, en een oogenblik later stond hij voor hen.
Zijn gelaat drukte bij het binnenkomen geen al te groote blijdschap uit; zelfs niet voor Elinor. Hij zag bleek van zenuwachtigheid, en keek alsof hij bevreesd was voor de te verwachten ontvangst, en zich bewust, dat deze niet vriendelijk kon zijn. Mevrouw Dashwood echter, zich voegend, naar zij geloofde, naar den wensch van hare dochter, door wie zij zich, in hare verteederde gezindheid, in alles wilde laten leiden, begroette hem met een ietwat gedwongen minzaamheid, gaf hem de hand en wenschte hem geluk. Hij kleurde en stotterde [405]iets onverstaanbaars. Elinor’s lippen bewogen gelijktijdig met die harer moeder, en toen het ogenblik van handelen was verstreken, wenschte zij, dat zij hem ook de hand gegeven had. Maar nu was het te laat, en met een uitdrukking, die zij haar best deed onbevangen te doen zijn, ging zij weer zitten, en praatte over het weer.
Marianne had zich zoo ver mogelijk teruggetrokken, om hare droefheid te verbergen, en Margaret, die wel iets, maar niet alles van de zaak begreep, vond het raadzaam, een waardige houding aan te nemen; zij ging dus zoo ver mogelijk van hen af zitten, en bewaarde een strak stilzwijgen.
Toen Elinor klaar was met haar blijdschapsbetuigingen over het mooie droge weer, volgde er eene onheilspellende stilte. Deze werd verbroken door Mevrouw Dashwood, die zich verplicht achtte, te hopen, dat Mevrouw Ferrars het goed maakte. Hij gaf haastig een bevestigend antwoord.
Nieuwe stilte.
Al haar krachten verzamelend, hoewel bang voor ’t geluid van haar eigen stem, zei Elinor: “Is Mevrouw Ferrars te Longstaple?”
“Longstaple?” antwoordde hij verwonderd. “Neen, mijn moeder is in de stad.”
“Ik bedoelde eigenlijk,” zei Elinor, een handwerk van de tafel opnemend, “Mevrouw Edward Ferrars.” Zij durfde niet opzien; maar hare moeder en Marianne zagen hem beiden aan. Hij kleurde, scheen verlegen, keek twijfelachtig, en zei na eenige aarzeling: “Misschien bedoel je... mijn broer... je bedoelt zeker Mevrouw... Mevrouw Robert Ferrars.”
“Mevrouw Robert Ferrars?”—herhaalden Marianne en hare moeder op een toon van de uiterste verbazing, en hoewel Elinor niet kon spreken, zagen hare oogen hem aan met de zelfde ongeduldige verwondering. Hij stond van zijn stoel op en liep naar het venster, blijkbaar omdat hij niet [406]wist, wat te beginnen; hij nam een schaartje in étui op, dat er lag, en terwijl hij zoowel het schaartje als het étui bedierf, door het laatste onder het spreken in stukjes te knippen, zeide hij, op gejaagde toon:
“U weet zeker niet,—u hebt misschien niet gehoord, dat mijn broer onlangs is getrouwd met... met de jongste... met juffrouw Lucy Steele.”
Zijne woorden werden met onuitsprekelijke verbazing herhaald door allen, behalve Elinor, die met het hoofd over haar werk zat gebogen, zóó zenuwachtig, dat zij bijna niet wist, waar zij was.
“Ja,” zei hij, “ze zijn de vorige week getrouwd, en logeeren nu te Dawlish.”
Elinor kon niet langer blijven zitten. Zij liep bijna op een draf de kamer uit, en zoodra de deur was gesloten, barstte zij uit in een stroom van blijde tranen, die zij dacht, dat vooreerst niet zouden kunnen ophouden te vloeien. Edward, die tot nu toe naar alles had gekeken behalve naar haar, zag haar wegvluchten, en zag ook,—of hoorde zelfs,—hare ontroering; want dadelijk daarna verzonk hij in een gepeins, dat geene opmerking, geen vraag, geen vriendelijke toespraak van Mevrouw Dashwood scheen te kunnen verstoren, en eindelijk ging hij, zonder een woord te zeggen, de kamer uit en wandelde den weg op, naar het dorp, de anderen uiterst verbaasd en nieuwsgierig achterlatend over zulk een wonderlijke en snelle verandering in zijne omstandigheden,—zonder eenig ander middel om die verbaasde nieuwsgierigheid te bevredigen, dan hun eigen gissingen. [407]
[Inhoud]