De laatste uren van kapitein Nemo.—De wil van den stervende.—Een herinnering aan zijn vrienden van een dag.—Het graf van kapitein Nemo.—Eenige raadgevingen aan de kolonisten.—Het laatste oogenblik.—Op den bodem der zee.
De dag was aangebroken. Geen lichtstraal drong in die onderaardsche galerij door. De vloed had elke opening versperd. Maar het kunstlicht, dat in breede bundels uit de wanden van de Nautilus ontsprong, verzwakte niet.
Kapitein Nemo was uitgeput van vermoeienis op zijn rustbed neergezonken. Men kon er niet aan denken hem naar het Rotshuis te vervoeren, want hij had den wensch te kennen gegeven om in die Nautilus te blijven, die met geen millioenen te betalen was, en daarin den dood te verbeiden, welke niet ver meer verwijderd kon zijn.
Cyrus Smith en Gideon Spilett sloegen den zieke aandachtig gade, terwijl hij schier bewusteloos lag. Men zag duidelijk dat de kapitein al zwakker en zwakker werd.
De kracht zou weldra ontzinken aan dat lichaam, dat eenmaal zoo forsch was en nu slechts het brooze omhulsel was van een ziel, die weldra zou ontvlieden.
De ingenieur en de reporter spraken eenige oogenblikken fluisterend met elkander. Kon men dezen stervende nog van dienst zijn? Kon men zijn leven, zoo niet redden, dan toch eenige dagen verlengen? Hij zelf had gezegd, dat er geen geneesmiddel meer was en hij wachtte geduldig den dood, dien hij niet vreesde.
“Wij vermogen niets,” zeide Gideon Spilett.
“Maar waaraan sterft hij?” vroeg Pencroff.
“Hij dooft uit,” antwoordde de reporter. [198]
“Maar als wij hem in de lucht, in de zon brachten, dan zou hij misschien weer bijkomen?” zeide de zeeman.
“Neen, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “er is niets meer aan te doen! Kapitein Nemo zou er bovendien niet in toestemmen zijn schip te verlaten. Sedert jaren leeft hij op de Nautilus en op de Nautilus wil hij sterven.”
Kapitein Nemo hoorde waarschijnlijk het antwoord van Cyrus Smith, want hij richtte zich een weinig op en op zwakken, maar duidelijken toon zeide hij:
“Gij hebt gelijk, mijnheer. Ik moet en ik wil hier sterven. Ik heb u nog een verzoek te doen.”
Cyrus Smith en zijn metgezellen naderden het rustbed en zij schikten de kussens zoo gemakkelijk mogelijk voor hem.
Men zag toen hoe zijn blik al de schatten in zijn zaal gadesloeg. Een voor een beschouwde hij de schilderijen aan den rijk versierden wand, die meesterstukken van italiaansche, vlaamsche, fransche en spaansche meesters, die marmeren en bronzen beelden op hun voetstukken, het prachtige orgel, de glazen kasten, die rondom een bekken gerangschikt stonden, waarin de schoonste voortbrengselen der zee verzameld waren; zeedieren en planten, paarlschelpen van onschatbare waarde en eindelijk vestigden zijn oogen zich op het opschrift, dat boven het museum te lezen stond, het devies van de Nautilus.
Mobilis in mobilo.
Het scheen dat hij nog eenmaal die gewrochten der kunst en der natuur wilde bewonderen, die zijn omgeving hadden uitgemaakt gedurende de vele jaren, welke hij op den bodem der zeeën had doorgebracht.
Cyrus Smith had de stilte geëerbiedigd. Hij wachtte tot de stervende het woord zou nemen.
Na eenige oogenblikken, waarin hij waarschijnlijk zijn geheele leven voor zich zag, wendde kapitein Nemo zich tot de kolonisten en zeide:
“Gelooft gij, mijn vrienden, dat gij mij iets verschuldigd zijt?....”
“Kapitein, wij zouden ons leven geven om het uwe te verlengen!”
“Goed,” hernam kapitein Nemo, “goed!... Beloof mij mijn laatsten wil na te komen, en gij zult mij alles, wat ik voor u gedaan heb, vergelden.”
“Wij beloven het u,” antwoordde Cyrus Smith.
“Vrienden,” hernam de kapitein, “morgen zal ik dood zijn.”
Hij legde Harbert, die hem in de rede wilde vallen, door een teeken het zwijgen op.
“Morgen zal ik dood zijn en ik wil geen ander graf dan de Nautilus. Dit is mijn graf. Al mijne vrienden rusten op den bodem der zee, ook ik wil daar rusten.” [199]
Diepe stilte volgde op de woorden van den kapitein.
“Luister wel,” vervolgde hij. “De Nautilus is in deze grot gevangen, waarvan de ingang versperd is. Maar zij kan haar gevangenis niet verlaten, zij kan door den afgrond verzwolgen worden en er mijn stoffelijk overschot bewaren.”
De kolonisten luisterden eerbiedig naar de woorden van den stervende.
“Morgen, na mijn dood, zult gij, mijnheer Smith en uwe metgezellen de Nautilus verlaten, want alle schatten, die zij bevat, moeten met mij verdwijnen. Een enkel aandenken zult gij behouden aan prins Dakkar, wiens levensgeschiedenis gij nu kent. Die koffer... daar... bevat millioenen diamanten, grootendeels herinneringen aan den tijd, dat ik als vader en echtgenoot, bijna aan het geluk geloofd heb, en een aantal paarlen, door mijne vrienden en mij uit de diepte der zee verzameld. Met die schatten zult gij eenmaal veel goeds kunnen verrichten. Aan handen als de uwe, mijnheer Smith, en die uwer metgezellen, is het geld wel vertrouwd. Ik zal dan hierboven deel hebben aan uw werken, en ik ben er niet bevreesd voor!”
Na eenige oogenblikken rust ging kapitein Nemo voort:
“Morgen kunt gij dien koffer nemen, en moet gij deze zaal verlaten en de deur sluiten; vervolgens moet gij naar het dek van de Nautilus gaan door het luik, dat gij eveneens moet sluiten.”
“Wij zullen het doen, kapitein,” antwoordde Cyrus Smith.
“Goed. Gij kunt u vervolgens op de boot inschepen, die u hier heeft gebracht. Maar ga, voordat gij de Nautilus verlaat, naar den achtersteven, en open twee groote kranen, die zich boven de lastlijn bevinden. Het water zal in het waterruim dringen en de Nautilus zal langzaam zinken om op den bodem der zee te gaan rusten.”
Toen Cyrus Smith hem in de rede wilde vallen, voegde de kapitein er bij:
“Vrees niets! Gij zult slechts een lijk in de diepte doen zinken!”
Noch Cyrus Smith, noch zijn metgezellen konden iets daar tegen inbrengen. Het was zijn laatste wil, dien hij hun meedeelde, en zij moesten dien ten uitvoer brengen.
“Ik heb u woord, vrienden?” vroeg kapitein Nemo.
“Gij hebt het, kapitein,” antwoordde de ingenieur.
Kapitein Nemo dankte hen en verzocht hem eenige uren alleen te laten. Gideon Spilett drong er op aan, dat hij bij hem zou blijven, ingeval zich een crisis mocht voordoen, maar de stervende weigerde en zeide:
“Ik zal nog tot morgen leven, mijnheer!”
Allen verlieten de zaal, gingen door de bibliotheek en de eetzaal, kwamen bij den achtersteven in de machinekamer, waar de electrische toestellen geplaatst waren, die tegelijk met lucht en warmte ook beweegkracht aan de Nautilus gaven. [200]
De Nautilus was een meesterstuk, dat meesterstukken bevatte en de ingenieur was vol bewondering; hij sidderde bij de gedachte, dat hij, wiens arm hen zoo krachtig ondersteund had, dat die beschermer, dien zij slechts eenige uren kenden, gereed was het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen.
Welk oordeel de nakomelingschap ook moge vellen over de daden van dit, als het ware, bovenmenschelijke bestaan, prins Dakkar zou altijd een van die zonderlinge verschijnselen blijven, waarvan de herinnering niet wordt uitgewischt.
“Dat is een man,” zeide Pencroff. “Zou men wel gelooven, dat hij zoo op den bodem van den Oceaan geleefd heeft! En als ik bedenk, dat hij er misschien evenmin rust heeft gevonden als ergens anders!”
“De Nautilus,” merkte Ayrton op, “zou ons misschien hebben kunnen dienen om het eiland Lincoln te verlaten en een bewoond land te bereiken!”
“Drommels!” riep Pencroff uit, “ik zou het niet gewaagd hebben zulk een schip te sturen. Op zee varen, goed! maar onder zee, dank je!”
“Ik geloof,” zeide de reporter, “dat het besturen van een onderzeesch schip als de Nautilus zeer gemakkelijk is, Pencroff, en dat wij er spoedig aan gewoon zouden zijn. Geen stormen, geen strandingen zijn te vreezen! Eenige voeten onder de oppervlakte is de zee even kalm als een meer.”
“Wel mogelijk!” hernam de zeeman, “maar ik houd meer van een fiksche bries aan boord van een goed getuigden bodem. Een schip is gemaakt om op en niet onder zee te varen.”
“Vrienden,” zeide de ingenieur, “het is onnoodig om, ten minste wat de Nautilus betreft, over onderzeesche toestellen te spreken. De Nautilus is niet van ons, wij hebben het recht niet er over te beschikken. Zij zou ons in geen geval van dienst kunnen zijn. Behalve dat zij niet uit deze grot kan, die door een verschuiving der basaltrotsen versperd is, wil kapitein Nemo, dat zij met hem, na zijn dood zal verdwijnen. Zijn wil is ons heilig en wij zullen hem nakomen.”
Na eenigen tijd verlieten Cyrus Smith en zijn metgezellen de machinekamer van de Nautilus; zij gebruikten eenig voedsel en keerden naar de zaal terug.
Kapitein Nemo was uit zijne verdooving ontwaakt en zijn oogen stonden niet meer zoo dof als te voren. Er speelde een glimlach om zijn lippen.
De kolonisten naderden hem.
“Vrienden,” sprak hij, “gij zijt dappere, edele, goede mannen. Gij hebt u met hart en ziel aan den gemeenschappelijken arbeid gewijd. Ik heb u dikwijls gadegeslagen. Ik heb van u gehouden, ik houd van u!... Uw hand, mijnheer Cyrus!” [201]
Cyrus Smith reikte den kapitein zijn hand, die deze hartelijk drukte.

Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode. Blz. 203.
“Dat doet mij goed,” mompelde hij.
Toen hernam de kapitein: [202]
“Maar genoeg van mij zelf. Ik moet met u over allen spreken, en over het eiland Lincoln, waarop gij een schuilplaats hebt gevonden.... Denkt gij het te verlaten?”
“Om er terug te komen, kapitein!” antwoordde Pencroff levendig.
“Er terugkomen? Ja, Pencroff,” zeide de kapitein glimlachend, “ik weet hoezeer gij aan dit eiland gehecht zijt. Het is door uw zorg verbeterd en het behoort u toe!”
“Ons plan is, kapitein,” zeide Cyrus Smith, “om het aan de Vereenigde Staten te schenken, en er voor onze marine een toevluchtsoord aan te leggen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan niet geheel misplaatst zal zijn.”
“Gij denkt aan uw vaderland,” antwoordde de kapitein. “Gij werkt voor zijn welzijn, voor zijn roem. Gij hebt gelijk. Het vaderland!... daar moest men altijd terugkeeren. Daar moet men sterven!.... En ik, ik sterf verre van alles, wat ik heb liefgehad!”
“Hebt gij nog een laatste wensch,” vroeg de ingenieur levendig, “een aandenken voor uw vrienden, die gij in de bergen hebt achtergelaten?”
“Neen, mijnheer Smith, ik heb geen vrienden meer! Ik ben de laatste van mijn geslacht... en sedert lang ben ik dood voor allen, die ik gekend heb... Maar laten wij over u spreken. Eenzaamheid en afzondering, zijn treurige dingen, die boven de menschelijke kracht gaan.... Ik sterf, omdat ik dacht alleen te kunnen leven!... Gij moet dus alles beproeven om Lincoln te verlaten, en den grond terug te zien, waar gij geboren zijt. Ik weet dat die ellendelingen het vaartuig vernield hebben dat gij gebouwd hadt....”
“Wij bouwen nu een schip,” zeide Gideon Spilett, “een schip dat groot genoeg is om ons naar een bewoonde kust te brengen; maar verlaten wij het ook vroeg of laat, wij zullen altijd weer naar het eiland Lincoln terugkeeren. Er zijn te veel herinneringen voor ons aan verbonden, dan dat wij het ooit zouden kunnen vergeten.”
“Hier hebben wij kapitein Nemo leeren kennen,” zeide Cyrus Smith.
“Hier vinden wij alles weer wat ons aan u herinnert!” voegde Harbert er bij.
“En hier zal ik in der eeuwigheid rusten, indien....” antwoordde de kapitein.
Hij aarzelde en in plaats van zijn volzin te eindigen, zeide hij slechts:
“Mijnheer Cyrus, ik wenschte u te spreken.... u alleen!”
De metgezellen van den ingenieur eerbiedigden het verlangen van den stervende en verlieten de zaal.
Cyrus Smith bleef eenigen tijd met kapitein Nemo alleen, riep vervolgens zijn metgezellen terug, maar zeide hun niets van hetgeen de grijsaard hem had toevertrouwd.
Gideon Spilett sloeg den zieke aandachtig gade. De kapitein leefde [203]nog slechts met zijn geest, die weldra niet meer tegen zijn lichamelijke zwakte zou kunnen strijden.
De dag liep ten einde zonder dat zich eenige verandering openbaarde. De kolonisten verlieten de Nautilus niet. De nacht was ingevallen, hoewel men dit in de rots niet bemerkte.
Kapitein Nemo leed niet, maar verzwakte meer en meer. Zijn edel gelaat, verbleekt door den naderenden dood, was kalm. Aan zijn lippen ontsnapten nu en dan onverstaanbare woorden. Men zag het leven langzaam uit dat lichaam verdwijnen, waarvan de uiterste deelen reeds koud werden.
Een paar maal richtte hij nog het woord tot de kolonisten, die om hem geschaard stonden, en glimlachte met dien laatsten glimlach, die zelfs door den dood niet wordt uitgewischt.
Tegen middernacht deed kapitein Nemo een laatste poging; hij slaagde er in zijn armen over de borst te kruisen, alsof hij in die houding wilde sterven.
Een uur later was er nog slechts leven in zijn blik. Een laatste vuur schitterde in die oogen, die vroeger vlammen schoten. Hij mompelde de woorden: “God en Vaderland!” en stierf zachtkens.
Cyrus Smith boog zich over hem heen, drukte de oogen toe van hem die prins Dakkar geweest was en nu zelfs kapitein Nemo niet meer scheen.
Harbert en Pencroff weenden. Ayrton wischte ter sluiks een traan weg. Nab lag geknield naast den reporter, die in een beeld veranderd was.
Cyrus Smith legde zijn hand op het hoofd van den doode en zeide:
“God zij zijner ziel genadig.”
Hij wendde zich tot zijn vrienden en zeide:
“Laten wij bidden voor hem, dien wij verloren hebben!”
Eenige uren later vervulden de kolonisten de belofte, welke zij den kapitein gedaan hadden, den laatsten wil van den doode.
Cyrus Smith en zijn lotgenooten verlieten de Nautilus, na het eenige aandenken genomen te hebben, dat hun weldoener hun gelaten had, dien koffer, welke een fortuin voor honderden bevatte.
De prachtige zaal, die nog steeds helder verlicht was, werd met zorg gesloten. De kolonisten maakten het luik dicht, zoodat er geen droppel water in de vertrekken van de Nautilus kon dringen.
Zij scheepten zich vervolgens op de boot in, die naast het onderzeesche vaartuig lag.
De boot werd naar den achtersteven gestuurd, waar men de twee groote kranen openzette, waardoor het water in de ruimen liep, en het schip moest zinken.
De Nautilus zonk inderdaad en verdween langzaam.
De kolonisten konden haar echter nog in de diepte volgen. Het [204]felle licht scheen onder water, terwijl de rotsholte donkerder werd. Eindelijk verdwenen ook die krachtige electrische stralen en weldra rustte de Nautilus, nu het graf van kapitein Nemo, op den bodem der zee.
[Inhoud]