Smartelijke uren had Beatrice doorgebracht sedert dien ochtend der scheiding. Zij moest al de innerlijke bitterheid van haar lot verdragen; zij moest al de stekelige gezegden van Elisabeth’s scherpe tong verduren, en Owen Davies op een afstand trachten te houden. Die laatste taak werd hoe langer hoe zwaarder. De man was totaal onhandelbaar; zijn hartstocht, die in de oogen van Beatrice vernederend [252]en hatelijk was, werd het praatje van het dorp. Iedereen wist er van, behalve haar vader, en zelfs hij begon er iets van te bemerken.
Op zekeren avond—het was dezelfde, waarop Geoffrey en Honoria hun brieven aan Beatrice op de post hadden gedaan—zou ieder, die een blik had kunnen slaan in de kleine kamer op Bryngelly Castle, die den eigenaar tot alles, behalve tot slapen, diende, getuige geweest zijn van een zonderling schouwspel. Owen Davies liep heen en weer—met snelle schreden, wilde oogen en verwarde haren. Aan elk einde van de lengte der kamer, hield hij telkens halt, sloeg zijn armen omhoog, en riep uit:
“O, God, verhoor mij, en geef mij mijn wensch! O, God, antwoord mij!”
Twee uren lang had hij zoo geloopen en geroepen, totdat hij eindelijk hijgend en uitgeput op een stoel nederzonk. Eensklaps hief hij het hoofd op, en scheen aandachtig te luisteren.
“De Stem,” zeide hij overluid; “daar is de Stem weder. Wat zegt zij? Morgen, morgen moet ik spreken; en zij zal de mijne worden.”
Met een kreet sprong hij overeind, en weer begon hij woest heen en weer te stappen. “O, Beatrice!” zeide hij, “morgen zult ge mij beloven met mij te trouwen; de Stem heeft het mij gezegd, en weldra, weldra, misschien binnen een maand, zult gij de mijne zijn—de mijne alleen! Geoffrey Bingham zal dan niet tusschen ons beiden staan, want ik zal dag en nacht over u waken. Gij zult mijn eigen—mijn eigen schoone Beatrice zijn,” en hij strekte de armen uit, en maakte het gebaar van een omhelzing in de ijle lucht—een akelig gezicht.
En zoo liep en sprak hij, totdat het grauwe licht van den dageraad zich in het oosten vertoonde. Het was Vrijdagnacht toen dit beschreven tooneel plaats had. Den volgenden ochtend ontving Beatrice, het ongelukkig en onschuldig voorwerp van die verliefde ontboezemingen, de twee brieven. Zij was, op haar weg naar de school, even aan het postkantoor gaan hooren of er ook [253]brieven voor haar waren, in de hoop dat er een van Geoffrey zou zijn. Arm meisje! zijn brieven waren haar eenige troost. Uit voorzichtigheid waren zij in den gewonen half officieelen stijl geschreven, maar zij kon tusschen de regels lezen, en bovendien, zij waren van zijn geliefde hand.
Ja, er was een brief, en nog een van een vrouwenhand. Zij herkende de hand van Lady Honoria, die zij dikwijls op enveloppen, aan Geoffrey geadresseerd, had gezien, en een angstig gevoel beknelde haar hart. Zij nam de brieven, liep er zoo snel als zij kon mede naar de school, sloot zich in haar kamertje op, want het was nog geen negen uur, en beschouwde ze met toenemende beangstheid. Wat zou er in staan? Wat kon Lady Honoria haar te schrijven hebben? Welken brief zou zij het eerst lezen? In een oogenblik had Beatrice haar besluit genomen. Het ergste wilde zij maar het eerst doorstaan. Met een strak gelaat opende zij Honoria’s brief en las. Wij weten den inhoud reeds. Onder het lezen werden haar lippen aschkleurig, en toen zij de foltering had doorgestaan, was zij een bezwijming nabij.
Naamlooze brieven! O, wie kon zoo iets wreeds gedaan hebben? Elisabeth, het moest Elisabeth zijn, die alles gezien had, en haar aldus een dolksteek in den rug toebracht. Was het mogelijk, dat haar eigen zuster haar zoo kon behandelen? Zij wist wel dat Elisabeth niet van haar hield; zij had er nooit de reden van kunnen begrijpen, maar toch wist zij dat het zoo was. Maar als zij dit gedaan had, dan moest zij haar haten, haar bitter haten: en wat had zij gedaan om zulk een haat te verdienen? En nu liep Geoffrey gevaar dat zijn geheele loopbaan bedorven zou worden, en dat kwam door haar—hoe kon zij dat voorkomen? Dat was haar eerste denkbeeld. De meeste andere meisjes in haar geval zouden aan zichzelven gedacht hebben, en het aan haar minnaar hebben overgelaten maar te zien hoe hij zich er uitredde. Doch Beatrice dacht weinig aan zichzelve. Hij was in gevaar, en hoe kon zij hem beschermen? Wel, daar in dien brief was het antwoord! “Als ge veel van hem houdt, breek dan alle betrekking met hem [254]voor altijd af. Anders zal hij u vloeken en u haten.” Neen, neen! dat zou Geoffrey nooit doen. Maar Lady Honoria had gelijk; in zijn belang, om zijnentwil, moest zij alle betrekking met hem afbreken—voor altijd. Maar hoe—hoe?
Zij stak den brief in de borst van haar kleed—een adder had geen onwelkomer gast kunnen zijn—en opende dien van Geoffrey.
Daar stond hetzelfde in, maar er werd een andere oplossing in voorgeslagen. De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij zijn aanbod las om haar voor goed en voor altijd tot zich te nemen en een nieuw leven met haar te beginnen. Het kwam Beatrice verwonderlijk voor, dat hij bereid was zooveel aan haar op te offeren—even verwonderlijk als edelmoedig. Maar geen oogenblik dacht zij er aan voor deze zware verzoeking te bezwijken. Hij smeekte haar te komen, maar dat zou zij niet doen zoolang haar wil haar nog overbleef. Hoe, zij zou Geoffrey in het ongeluk storten? Neen, liever zou zij van gebrek omkomen of door langzame martelingen sterven. Hoe kon hij denken dat zij in zulk een plan zou toestemmen? Neen, dat nooit; zij had hem reeds genoeg verdriet berokkend. Maar, o, zij zegende hem voor dien brief. Hoe innig moest hij haar liefhebben, dat hij aanbood dit om harentwil te doen!
Luister! De kinderen wachtten; zij moest onderwijs geven. De brief, Geoffrey’s dierbare brief kon na afloop van de school beantwoord worden. Zij stak dien dus in de borst van haar kleed, bij haar hart, en ging naar het schoolvertrek.
Dien namiddag, toen Granger in een opgeruimde gemoedsstemming—want zijn schulden waren betaald en geldverlegenheid had hij vooreerst niet te vreezen—over het hek van zijn kleine boerderij met welgevallen naar zijn varkens stond te kijken, was hij verbaasd eensklaps Owen Davies naast zich te zien.
“Hoe gaat het u, mijnheer Davies?” zeide hij. “Wat moet gij stil gekomen zijn!” [255]
“Ja,” antwoordde Owen afgetrokken. “Ik ben u eigenlijk nageloopen, omdat ik u wilde spreken—geheel alleen.”
“Zoo, mijnheer Davies—welnu, ik ben tot uw dienst. Scheelt er wat aan? Gij ziet er niet goed uit.”
“O, ik ben heel wel, dank u. Nooit ben ik beter geweest; en er scheelt me ook niets, hoegenaamd niets. Alles komt nu in orde, dat weet ik zeker.”
“Ei,” zeide Granger, hem weder met een verlegen gezicht aanziende, “en wat is er dan, waarover ge mij zoo volstrekt moet spreken? Niet dat ik niet altijd tot uw dienst ben, dat weet gij wel,” liet hij er verontschuldigend op volgen.
“Dit,” antwoordde Davies, den predikant bij zijn jas grijpende, op een manier, die hem deed schrikken.
“Wat—bedoelt gij mijn jas?”
“Wees zoo dwaas niet, mijnheer Granger. Neen, over Beatrice.”
“Zoo waarlijk, mijnheer Davies? Er is toch, hoop ik, op school niets onaangenaams gebeurd? Ik geloof dat zij haar taak vervult tot tevredenheid van de commissie, hoewel ik beken dat zij in het rekenen—”
“Neen, neen, neen! ’t Is niet over de school. Ik wil juist dat zij niet meer naar de school zal behoeven te gaan. Ik heb haar lief, mijnheer Granger, innig lief, en ik wil met haar trouwen.”
De oude man kreeg een kleur van genoegen. Was ’t mogelijk? Hoorde hij wel goed? Owen Davies, de rijkste man in dit gedeelte van Wales, wilde met zijn dochter trouwen, die niets anders bezat dan haar schoonheid! Dat was haast te mooi om waar te wezen!
“Ik gevoel me er zeer vereerd door,” zeide hij. “’t Is meer dan zij kon verwachten—niet dat Beatrice er niet goed uitziet en heel knap is,” liet hij er snel op volgen, vreezende dat hij op de marktwaarde van zijn dochter afdong.
“Zij ziet er niet alleen goed uit—zij is niet alleen knap—zij is een engel,” mompelde Owen.
“O, ja, zeker, zeker, dat is zij,” hernam haar vader, “dat wil [256]zeggen, als ooit een vrouw—ja, natuurlijk—en wat meer is, ik geloof dat zij heel veel van u houdt. Ik geloof dat zij van liefde voor u kwijnt. Dat heb ik al lang gedacht.”
“Dan moet ik zeggen,” merkte Owen aan, “dat zij al een heel rare manier heeft om het te toonen. Zij heeft geen woord voor mij over; zij scheept mij bij elke gelegenheid af. Maar dat zal alles nu wel in orde komen—alles in orde.”
“Och, mijnheer Davies, meisjes zijn meisjes, totdat zij vrouwen zijn. Daar weten wij alles van,” zeide Granger, geruststellend.
Zijn candidaat-schoonzoon zette een gezicht alsof hij daar zeer weinig van wist, hoewel de gevolgtrekking duidelijk genoeg was.
“Mijnheer Granger,” hernam hij, zijn hand grijpende. “Ik wil Beatrice tot mijn vrouw maken—ja, dat wil ik werkelijk!”
“Wel, ik heb ook niet anders voorondersteld, mijnheer Davies.”
“Als ge mij daarin helpt, zal ik in geldzaken en dergelijke alles doen wat ge maar wilt. Zij zal een zoo mooie lijfrente hebben als een vrouw maar hebben kan. Ik weet dat een vader daar nogal op gesteld is, en ik wil alle zwarigheden wegruimen.”
“Dat is alles goed en wel, en zeker ook wel zooals ’t behoort,” zeide Granger, een hooger toon aannemende, nu hij het voordeel van zijn positie zag. “Maar natuurlijk zal ik over zulke zaken het advies van een rechtsgeleerde vragen. Ik geloof dat mijnheer Bingham mij daarin wel zal willen raden,” ging hij voort, “als een vriend van de familie, weet gij. Hij is een zeer knap rechtsgeleerde, en hij zal er ook wel niet voor rekenen.”
“O, neen, mijnheer Bingham niet!” riep Owen met schrik uit. “Ik wil alles doen wat gij maar verlangt, of als gij een rechtsgeleerde wilt hebben, zal ik zelf de kosten wel betalen. Maar laten we daar nu niet over spreken. Laten we het eerst met Beatrice in orde brengen. Ga dadelijk mee.”
“Zoudt gij dat niet liever met haar alleen afhandelen?”
“Neen, neen. Zij scheept mij altijd af, als ik met haar alleen wil spreken. ’t Is beter dat gij er bij zijt, en Miss Elisabeth ook, als zij wil. Ik wil haar niet weer alleen spreken. Ik zal met haar [257]spreken in het aangezicht van God en de menschen, zooals God mij ingeeft te doen, en dan zal alles in orde zijn—dat weet ik.”
Granger zag hem verbaasd aan. Hij was een predikant van de praktische soort, en zag niet recht in wat de Hoogere Macht met de huwelijksplannen van Owen Davies te maken had.
“O, zoo!” zeide hij, “ik begrijp u; huwelijken worden in den hemel gesloten, bedoelt gij; ja, ja, natuurlijk. Welnu, als ge met de zaak voortgang wilt maken, geloof ik wel, dat wij Beatrice thuis zullen vinden.”
Dus gingen zij naar de pastorie, Granger verheugd en toch een weinig verlegen, want er was in de geheele manier van doen iets, dat hem wel wat vreemd voorkwam, en Owen Davies stilzwijgend of nu en dan bij zichzelven iets mompelende.
In de huiskamer vonden zij Elisabeth.
“Waar is Beatrice?” vroeg haar vader.
“Dat weet ik niet,” antwoordde zij, en op dat oogenblik kwam Beatrice, bleek en bedrukt, de kamer binnen, als een lam, dat ter slachtbank werd geleid.
“Ha, Beatrice,” sprak haar vader, “wij vroegen juist naar u.”
Zij zag rond, en bespeurde dadelijk dat een nieuw gevaar haar bedreigde.
“Zoo?” zeide zij, op een stoel nederzinkende, met een gevoel van zwakte, uit vrees ontstaan. “Wat is het dan, vader?”
Granger zag naar Owen Davies, en deed een stap naar de deur. Hij was sterk van meening dat dit tooneel tusschen de betrokken personen zelven onder vier oogen afgespeeld moest worden.
“Ga niet heen,” zeide Owen Davies opgewonden, “gaat geen van beiden heen. Wat ik te zeggen heb, wil ik liever in uw bijzijn zeggen. Ik zou het wel ten aanhooren van de heele wereld willen zeggen; ik zou het wel van de bergtoppen willen uitroepen.”
Elisabeth wierp een woedenden blik op hem—eerst op hem, en toen op de onschuldige Beatrice. Kon het dan zijn dat hij haar een huwelijksaanzoek ging doen? O, waarom had zij geaarzeld? Waarom had zij niet vroeger de geheele waarheid gezegd? [258]
Maar Beatrice, die ieder oogenblik verwachtte openlijk beschuldigd te worden, gevoelde haar hart hoe langer hoe meer bekneld.
Granger ging zitten en drukte zich in de zitting van zijn stoel, als om daardoor meer vastheid van houding te hebben. Elisabeth drukte haar tanden op elkaar en leunde met haar elleboog op de tafel, haar hand zoo houdende dat haar gelaat er door beschaduwd was. Beatrice zat op haar stoel als een geknakte lelie, of als een gevangene op de bank der beschuldigden. De anderen zaten tegenover haar, en Owen Davies stond op, met een van woeste geestdrift stralend gelaat en sprak hen allen toe als een Procureur Generaal.
“In den herfst van het vorige jaar,” begon hij, het woord richtende tot Granger, die daar zat als een rechter van instructie, “heb ik uw dochter Beatrice ten huwelijk gevraagd.”
Beatrice zuchtte, en raapte haar geestkracht bijeen. De storm was eindelijk losgebarsten, en zij moest dien het hoofd bieden.
“Ik heb haar ten huwelijk gevraagd, en zij heeft mij gezegd dat ik een jaar moest wachten. Ik heb zoolang gewacht als ik kon, maar het heele jaar kon ik niet wachten. Ik heb veel gebeden, en het is mij gegeven te spreken.”
Elisabeth kon een wrevelig gebaar niet bedwingen. Het ontbrak haar niet aan gezond verstand, en die mengeling van godsdienstigheid en verliefdheid walgde haar. Zij wist ook dat de storm was losgebarsten en dat zij die moest trotseeren.
“Dus kom ik u zeggen dat ik uw dochter Beatrice bemin en haar tot mijn vrouw wil maken. Ik heb nooit iemand anders liefgehad, maar haar heb ik sinds jaren bemind; en ik vraag uw toestemming.”
“Zeer vleiend, zeer vleiend voorzeker, vooral in dezen slechten tijd,” zeide Granger, verontschuldigend, zijn grijze haren over zijn voorhoofd schuddende en ze toen weer opstrijkende. “Maar ziet ge, mijnheer Davies, gij wilt niet met mij trouwen,” (hier glimlachte Beatrice even)—“gij wilt met mijn dochter trouwen, dus moest gij het liever rechtstreeks haar vragen—ten minste, dat zou ik denken.” [259]
Elisabeth maakte een beweging alsof zij wilde spreken, maar veranderde van besluit en luisterde.
“Beatrice,” zeide Owen Davies, “gij hoort het. Ik vraag u ten huwelijk.”
Hierop volgde een poos stilte. Beatrice, die er zwijgend bij had gezeten, verzamelde haar kracht om te spreken. Elisabeth, die haar van onder haar hand gadesloeg, meende op haar gelaat besluiteloosheid te lezen, die tot toestemming verzachtte. Wat zij werkelijk zag, was twijfel hoe zij op de geschiktste en zekerste manier zou weigeren. Als een bliksemstraal schoot het Elisabeth voor den geest dat zij nu of nooit haar slag moest slaan. Als Beatrice dat noodlottig “Ja” eenmaal had uitgesproken, zouden al haar ontdekkingen niet baten. En Beatrice zou het uitspreken, daar hield zij zich verzekerd van. Het was een gulden weg om uit haar moeilijkheden te geraken.
“Wacht!” zeide Elisabeth, met een schelle, barsche stem. “Wacht! Ik moet spreken; dat is mijn plicht als Christin. Ik moet de waarheid zeggen. Ik kan niet toelaten, dat een braaf man bedrogen wordt.”
Allen zaten als verstomd. Beatrice brak het stilzwijgen af. Nu zag zij de volle waarheid, nu wist zij wat zij te wachten had. Zij legde de hand op haar hart, om het kloppen tot bedaren te brengen.
“O, Elisabeth,” zeide zij, “in den naam onzer overleden moeder”—en zij hield op.
“Ja,” antwoordde haar zuster, “in den naam onzer overleden moeder, dien gij geschandvlekt hebt, zal ik het doen. Luister, Owen Davies, en gij vader. Beatrice, die daar zit”—en zij wees met haar magere hand naar haar—“Beatrice is een hoereerster!”
“Ik begrijp u waarlijk niet,” zeide Granger, op een doffen toon, naar adem hijgend van verbazing, terwijl Owen woest rondzag, en Beatrice haar hoofd op haar borst liet zinken.
“Dan zal ik het u uitleggen,” hernam Elisabeth, nog naar haar zuster wijzende. “Zij is de minnares van Geoffrey Bingham. In den nacht vóór Pinksteren is zij uit haar bed opgestaan en naar zijn kamer gegaan. Ik heb het met eigen oogen gezien. Naderhand [260]werd zij in zijn armen naar haar bed gebracht—dat heb ik ook met eigen oogen gezien, en ik heb gehoord dat hij haar kuste.” (Dit was er door Elisabeth bij geborduurd). “Hij is haar minnaar, en maanden lang is zij verliefd op hem geweest. Ik zeg u dit, Owen Davies, hoe zwaar het mij ook valt schande over onzen naam te brengen en mijn lippen met zulk een mededeeling te bezoedelen, maar evenmin kan ik dulden dat gij met een meisje zoudt trouwen, meenende dat zij braaf is, terwijl zij is wat Beatrice is.”
“Dan hadt je ook maar liever je mond moeten houden,” zeide Granger toornig.
“Neen, vader, ik heb een plicht te volbrengen, en dat zal ik doen, het koste wat het wil, en hoe smartelijk het ook voor mij is. Gij hebt het gerucht in den nacht vóór Pinkster gehoord, en zijt opgestaan, om te zien wat het was. Gij hebt de witte gedaante in de gang gezien—dat was Geoffrey Bingham, met Beatrice in zijn armen. Ja, wel mag zij het hoofd laten hangen. Laat zij het ontkennen als zij kan. Laat zij het ontkennen, dat zij tot haar schande verliefd op hem is, en dien nacht alleen in zijn kamer is geweest.”
Nu stond Beatrice op en sprak. Haar oogen glinsterden, en hoewel doodsbleek, was zij in haar schaamte en wanhoop schooner dan ooit.
“Wat mijn hart gevoelt, gaat mij alleen aan, daar geef ik u geen antwoord op,” zeide zij. “Gij moogt denken wat gij wilt. Voor ’t overige is het niet waar. Ik ben niet wat Elisabeth zegt dat ik ben. Ik ben niet de minnares van Geoffrey Bingham. ’t Is waar dat ik in dien nacht in zijn kamer ben geweest, en ’t is ook waar dat hij mij in zijn armen naar de mijne heeft gedragen. Maar het was in mijn slaap dat ik er heen ben gegaan, niet uit vrijen wil. Ik ontwaakte daar, en bezwijmde toen ik ontwaakte, en toen heeft hij mij dadelijk teruggebracht.”
Elisabeth lachte schel en luid—het klonk als een duivelenlach.
“In haar slaap!” zeide zij. “O, zij is daar in haar slaap heen gegaan!” [261]
“Ja, Elisabeth, in mijn slaap. Je gelooft me niet, maar ’t is waar. Je wilt de zuster, die je moest liefhebben, die je door woord noch daad ooit gekrenkt heeft, aan schande prijs geven. In je lage boosaardigheid heb je een naamloozen brief aan Lady Honoria Bingham geschreven, om haar te bewegen den slag toe te brengen, die haar echtgenoot en mij in ’t verderf moest storten, en nu je vreest dat dit niet gelukt is, kom je te voorschijn, om ons openlijk te beschuldigen. Dat doe je in den naam van Christelijken plicht; in den naam van Christelijke liefde geloof je het ergste, en wil je ons schandvlekken. Schaam u, Elisabeth! Schaam u! en moog je nooit gemeten worden met de maat waarmee je meet. Wij zijn niet langer zusters. Wat er ook gebeurt, met u heb ik afgedaan. Ga uws weegs.”
Zelfs de hardvochtigheid van Elisabeth’s valsch gemoed was niet bestand tegen die van verontwaardiging flikkerende oogen en de majesteit van beleedigde onschuld. Zij beet zich op de lippen dat het bloed er uitsprong, maar zij zeide niets.
Toen wendde Beatrice zich tot haar vader, en sprak op een anderen en smeekenden toon, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte.
“O, vader,” zeide zij, “zeg mij, ten minste, dat gij mij gelooft. Hoewel ge moogt denken dat ik in mijn liefde overdreven zou kunnen zijn, kunt gij, die mij zooveel jaren gekend hebt, toch niet denken dat ik, zelfs om mijn liefde, zou liegen.”
De oude man zag verbijsterd om zich heen, en schudde het hoofd.
“In zijn kamer, en in zijn armen!” zeide hij. “Het schijnt dat ik het gezien heb. Ik heb ook nooit geweten dat je een slaapwandelaarster waart, en je zegt ook niet dat je hem niet liefhebt—dien schelm. ’t Is slecht van Elisabeth—heel slecht, zoo iets te vertellen; maar nu het verteld is, hoe kan ik nu zeggen dat ik het niet geloof?”
Daarop liet Beatrice weder het hoofd hangen—haar beker was tot overloopens vol—en zij wilde heengaan.
“Wacht,” zeide Owen Davies, met een heesche stem. “Hoor, wat ik u te zeggen heb.” [262]
Zij sloeg de oogen op. “Met u, mijnheer Davies, heb ik niets te maken; ik ben u geen verantwoording schuldig. Ga uw medeplichtige helpen,” en zij wees naar Elisabeth, “om dezen laster over de heele wereld uit te bazuinen.”
“Wacht,” zeide hij weder. “Ik wil spreken. Ik geloof dat het waar is. Ik geloof dat gij de minnares van Geoffrey Bingham zijt, vloek over hem!—maar daar stoor ik mij niet aan. Ik wil toch nog met u trouwen.”
Elisabeth snakte naar adem. Moest al haar plannensmeden dan dáárop uitloopen? Zou de blinde hartstocht van dien dolleman dan toch nog over al haar ontdekkingen zegevieren, en Beatrice nog zijn rijke en geëerde vrouw worden, terwijl zij arm bleef en beschaamd werd? O, dat was afschuwelijk! O, dat had zij nooit kunnen denken!
“Edel, edel!” mompelde Granger; “edel! God zegene u!”
Dus was alles nog te herstellen. Zijn dwalende dochter zou nog een schitterende partij kunnen doen; hij zou op zijn ouden dag nog vrede en rijkdom kunnen verwachten.
Maar Beatrice glimlachte flauw.
“Ik dank u,” zeide zij, “ik gevoel mij zeer vereerd, maar ik had in geen geval ooit met u willen trouwen omdat ik niet van u houd. Ge moet mij al zeer weinig begrijpen, als gij denkt, dat ik er nu eer toe bereid zou zijn, omdat er zulk een klad op mij geworpen wordt,” en zij hield op.
“Luister, Beatrice,” hernam Owen, en een boosaardige glans straalde uit zijn gewoonlijk doffe oogen, terwijl Elisabeth als verstomd van verbazing was en haar ooren nauwelijks kon gelooven. “Ik wil u hebben, en ik ben vast voornemens met u te trouwen; gij zijt voor mij meer dan de geheele wereld. Ik kan u alles geven, en gij doet het best toe te stemmen, dan zult ge van dit alles nooit meer hooren. Maar als ge niet wilt toestemmen, dan zal ik mij op u wreken—verschrikkelijk wreken—”
Beatrice schudde het hoofd en glimlachte weder, alsof zij te kennen wilde geven dat hij het ergste maar doen moest.
“En, hoor eens, Beatrice,” ging hij voort, in zijn jaloersche wanhoop [263]bijna welsprekend wordende, “ik heb nog een andere drangreden aan te voeren. Ik zal mij niet alleen op u wreken; ik zal mij wreken op uw minnaar—op dien mijnheer Bingham.”
Een kreet als van plotselinge pijn ontsnapte Beatrice. Hij had het middel gevonden om haar te treffen, en met de slimheid van halve krankzinnigheid, ging hij op dit punt door.
“Ja, wel moogt gij schrikken—dat zal ik. Ik zeg u dat ik niet zal rusten voordat ik hem in ’t verderf heb gestort, en ik ben rijk en kan het doen. Ik heb er honderd duizend pond voor over. Ik heb niets anders te vreezen dan een actie wegens laster. O, ik ben niet gek, al houdt ge mij daar ook voor. Ik kan wel twaalf acties betalen. Er zijn bladen in Londen, die blijde zullen zijn dat alles publiek te maken—ja, de geheele geschiedenis—met afbeeldingen er bij. Bedenk, Beatrice, wat het zijn zal, als voor heel Engeland—ja, voor de geheele wereld—uw schande openbaar gemaakt wordt, en de bladen er gebruik van maken voor partij-bedoelingen en juichen over de vernedering van den man, die u in het ongeluk heeft gebracht en door u in het ongeluk gestort wordt. Hij heeft een mooie loopbaan; die zal voor goed bedorven zijn. Bij den Hemel, ik zal hem tot zijn dood toe vervolgen, tenzij ge mij belooft met mij te trouwen, Beatrice. Doe dat, en geen woord zal er van gezegd worden. Antwoord mij nu.”
Granger zonk in zijn stoel achterover; dit woeste spel van menschelijke hartstochten ging zijn verstand te boven—het overstelpte hem. Wat Elisabeth betrof, die beet op haar magere vingers en staarde van den een naar den ander. “Hij rekent buiten mij,” dacht zij. “Hij rekent buiten mij—toch zal ik met hem trouwen.”
Maar Beatrice leunde een oogenblik tegen den wand, en deed haar oogen dicht, om na te denken. O, zij zag in haar verbeelding reeds aanplakbiljetten met haar naam en dien van Geoffrey er op, de schandelijkste afbeeldingen van haar in zijn armen, de kolommen in de bladen vol ergerlijke bizonderheden, de brieven van verontwaardigde huismoeders—dit alles zag zij! Zij hoorde reeds [264]de smadelijke toespelingen in het Lagerhuis—het hoongelach en de bittere aanvallen van vijanden en mededingers. Dan zou Lady Honoria haar proces beginnen, en alles zou weer van nieuws af opgerakeld worden, en Geoffrey’s schuld zou op ieders lippen zijn, totdat hij geruïneerd was. Mocht zij dit iemand op den hals halen, wiens eenige misdaad geweest was dat hij haar had leeren beminnen? Neen, neen, maar evenmin kon zij met dien hatelijken man trouwen. Hoe was het echter mogelijk zich er uit te redden? Zij nam haar toevlucht tot haar vrouwelijk vernuft, en dat begaf haar niet. Binnen weinige oogenblikken had zij dit alles overdacht en haar besluit genomen.
“Hoe kan ik u zoo dadelijk antwoorden, mijnheer Davies?” zeide zij. “Ik moet tijd tot beraad hebben. Het is niet mannelijk mij met zulk een wraak te dreigen, doch ik weet dat ge mij bemint, en daarom verontschuldig ik het. Maar ge moet mij tijd laten. Ik ben nu te ontroerd.”
“Wat, nog een jaar? Neen, neen,” zeide hij, “ge moet antwoorden.”
“Ik vraag geen jaar of geen maand. Ik vraag maar één week. Als ge mij die niet geeft, dan trotseer ik u, en moet gij maar doen wat gij niet laten kunt. Ik kan u nu niet antwoorden.”
Dat was een stoute zet, maar hij was van uitwerking. Davies aarzelde.
“Sta haar een week toe,” zeide haar vader tot hem. “Zij is zichzelve niet.”
“Nu goed, een week dan, maar niet meer,” antwoordde hij.
“Ik heb nog een andere voorwaarde te maken,” hernam Beatrice. “Gij moet mij allen zweren, dat geen woord hiervan over uw lippen komt; dat ik in die week niet gekweld of gedrongen of door iemand uwer over dit punt aangesproken zal worden. Als ik, na verloop van dien tijd, nog weiger uw aanzoek aan te nemen, kunt gij het ergste doen wat gij wilt, maar tot zoolang moet gij u bedwingen.”
Owen Davies aarzelde; hij vertrouwde haar niet recht. [265]
“Bedenk,” ging Beatrice voort, met verheffing van stem, “dat ik tot het uiterste gedreven ben. In mijn wanhoop zou ik misschien iets doen, wat gij niet verwacht, en dat zou niet ten voordeele van een van u allen zijn. Zweert gij dat?”
“Ja,” zeide Owen.
Toen zag Beatrice naar Elisabeth, en Elisabeth zag naar haar. Zij bespeurde dat de zaak een anderen vorm had aangenomen. Zij zag, wat haar dwaze jaloerschheid tot dusverre voor haar verborgen had gehouden—dat Beatrice niet van zins was met Owen Davies te trouwen, dat zij alleen maar tijd won om een plan, dat zij had, ten uitvoer te brengen. Wat dat was, daar bekreunde Elisabeth zich weinig om, als het maar geen kansen, die voor het oogenblik zwak genoeg schenen, geheel wegnam. Het was niet noodig buiten de grenzen van haar eigen belangen tegen haar zuster of haar minnaar Geoffrey te werk te gaan. Beatrice zou haar week uitstel hebben, voor zooverre haar betrof. Zij besefte nu te laat hoe groot haar dwaling was geweest. O, had zij maar dadelijk Beatrice’s vertrouwen gezocht! Maar het was haar onmogelijk toegeschenen, dat haar zuster zulk een kans zou vergooien.
“Zeker beloof ik het, Beatrice,” zeide zij zachtmoedig. “Ik zweer het niet, want ‘zweert ganschelijk niet’ staat geschreven. Ik heb alleen gedaan wat ik mijn plicht achtte, door mijnheer Davies te waarschuwen. Als hij de zaak wil doorzetten, gaat het mij niet aan. Ik heb u of mijnheer Bingham niet willen krenken. Ik heb alleen naar mijn godsdienstige overtuiging gehandeld.”
“O, wees nu maar niet zoo godsdienstig in den mond, wees het liever in je daden!” zeide haar vader, ditmaal uit zijn zwakke zelfzucht gewekt. “Wij hebben allen beloofd deze week te zwijgen.”
Toen verliet Beatrice de kamer, en na haar Owen Davies, zonder een woord meer te zeggen.
“Elisabeth,” sprak haar vader, “wat je daar gedaan hebt, is slecht! Waarom deed je het?”
“Wilt ge dat weten, vader?” zeide zij koel; “dan zal ik u zeggen waarom. Omdat ik voornemens ben zelve met Owen Davies te [266]trouwen. In deze wereld is ieder zichzelf het naast, dat weet ge wel; dat is een stelregel, dien gij ook nooit vergeet. Ik ben van plan met hem te trouwen; en al schijnt mij dat mislukt te zijn, met hem trouwen zal ik toch! En nu weet gij er alles van; en als gij niet dwaas zijt laat ge mij maar stil begaan!” En zij ging ook de kamer uit, en liet hem alleen.
Granger sloeg van verbazing de handen omhoog. Hij was een zelfzuchtig, en een geldzuchtig man ook; maar hij gevoelde dat hij toch niet verdiend had zulk een dochter te hebben.