Beatrice ging naar haar kamer, maar de atmosfeer daar scheen haar te verstikken. Haar hoofd duizelde, zij moest naar buiten, in de lucht, ver van haar kwelgeesten. Zij had Geoffrey’s brief nog niet beantwoord, en die moest met deze post nog beantwoord worden, want Zondags was er geen. Het was half vijf—te vijf uur ging de post: als zij schrijven wilde, moest zij het dadelijk doen, maar hier kon zij het niet. Bovendien moest zij tijd tot nadenken hebben. Ha, zij had er iets op gevonden; zij zou in haar bootje over de baai naar het stadje Coed roeien en daar haar brief schrijven. De post ging niet vóór half zes uit Coed. Zij zette haar hoed op, trok haar jacquet aan, nam een postzegel, een vel papier en een enveloppe mee, en sloop stil het huis uit naar Eduard’s schuitenhuis, waar het bootje lag. De oude Eduard was daar zelf niet, maar zijn zoon was er, een knaap van veertien jaar, en met zijn hulp was Beatrice spoedig in zee gestoken en roeide zuidwaarts om de kust van het eiland, waarop het kasteel stond, naar de baai. [267]
Onder het roeien klaarde haar geest op, en was zij in staat over haar toestand na te denken. Die was erg genoeg. Zij zag geen licht, rondom was het duisternis. Maar zij had, ten minste, een week voor zich, en wat zou zij intusschen aan Geoffrey schrijven?
Terwijl zij nadacht, bestormde haar een zware verzoeking, en voor de eerste maal was haar besluit aan ’t wankelen gebracht. Waarom zou zij Geoffrey’s aanbod niet aannemen en met hem, meegaan—ver van al die ellende? Zij zou er gaarne haar leven voor geven om één jaar aan zijn zijde door te brengen. Zij had het maar te zeggen, en hij zou haar tot zich nemen, en over een maand zouden zij te zamen in een vreemd land zijn, en de wereld zou niets meer voor hen zijn, zooals hij gezegd had. Ongetwijfeld zou Lady Honoria wel echtscheiding verkrijgen, en dan konden zij trouwen. Er kon zelfs een tijd komen, dat dit alles een, vergeten nacht van storm en vrees zou schijnen, wanneer zij, door de kinderen hunner liefde omringd, vreedzaam en gelukkig in den avond huns levens al meer en meer die grens naderden, die de helft van haar verschrikking zou verloren hebben, omdat zij die hand in hand zouden overschrijden.
O, dat zou goed voor haar zijn; maar zou het voor hem ook goed zijn? Als de eerste maanden van hartstocht voorbij waren, zou hij dan niet beginnen te denken aan alles wat hij voor de liefde eener vrouw weggeworpen had? Zou de smaad en schande, die hem tot in de verste hoeken der aarde volgde, zijn liefde niet doen slijten, totdat hij eindelijk, zooals Lady Honoria gezegd had, haar leerde vloeken en haten? En als dat niet zoo was—als hij haar, door alles heen, bleef liefhebben, wat van hem wel te verwachten was—kon zij het dan zijn, die zijn loopbaan voor hem bedorven had? O, beter zou het geweest zijn als zij hem had laten verdrinken, toen in dien stormachtigen nacht het noodlot hen bij elkander had gebracht.
Neen, neen; eens en voor al, dat zou zij niet doen. Hoe folterend haar toestand, hoe zwaar haar last ook was, hij zou daar niet onder te lijden hebben, als het in haar macht was hem daarvoor [268]te vrijwaren. Zij zou hem niet eens mededeelen wat er gebeurd was—in allen gevalle, nu niet. Dat zou hem maar bedroeven; hij zou misschien een of anderen wanhopigen stap doen; dat was bijna zeker. Haar antwoord moest zeer kort zijn.
Zij was nu dicht bij Coed, en het water was zoo kalm als een vijver. Zóó kalm was het, dat zij het vel papier en de enveloppe uit haar zak haalde, die op de bank van het bootje legde, en met potlood de woorden schreef, die wij reeds gelezen hebben:
“Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen B.”
Na dit geschreven te hebben, roeide zij naar de kust. Een visscher, die daar stond, zag haar bootje, en haalde het op het strand. Zij liet het aan zijn zorg over, liep het stille stadje in, deed haar briefje op de post, en kocht wat wol. Dat was een voorwendsel om daar geweest te zijn, in geval haar iets gevraagd werd. Daarna ging zij naar haar bootje terug. De visscher stond er bij. Zij bood hem een sixpence voor zijn moeite aan, maar dien wilde hij niet aannemen.
“Neen, juffrouw,” zeide hij, “dank u vriendelijk—maar we krijgen hier niet dikwijls zoo’n lief gezichtje te zien. Dat is wel een sixpence waard. Maar, juffrouw, als ik zoo vrij mag wezen het te zeggen, ’t is niet veilig voor u in dat bootje te kruisen, ten minste, niet zoo alleen.”
Beatrice dankte hem en bloosde een weinig. Onwillekeurig kwam het bij haar op, dat zij wel met een meer dan gewone schoonheid bedeeld moest zijn, als die op een ruwen varensgast zulk een indruk maakte. Dat was het waarom een man verliefd op een meisje wordt—schoonheid; en daarom alleen beminde en begeerde Owen Davies haar.
Zou het misschien met Geoffrey hetzelfde zijn?—neen, dat geloofde zij niet. Hij beminde haar om meer dan haar uiterlijke schoonheid. Maar als zij niet schoon was geweest, misschien zou hij dan niet begonnen zijn haar te beminnen, dus was zij haar schoonheid van oogen, van haar en gestalte dankbaar.
Kon dwaze verblinding verder gaan? In de donkerste ure van [269]haar wanhopigen toestand, waarvan het einde niet was te zien, ter prooi aan gewetensknaging, en bedreigd door schande, die als een donderwolk boven haar hoofd hing, kon dat meisje zich nog dankbaar gevoelen dat zij die liefde, die de bron van al haar verdriet was, gewonnen had. Of was haar dwaasheid vermomde diepe wijsheid?—is er iets goddelijks in een gevoel, dat aldus het zwaarste trotseert en er over kan zegevieren?
Zij was nu weder op zee, en de avond viel op het water, zacht als een droom. De brief was op de post gedaan. Zou het de laatste zijn? vroeg zij zichzelve af. Het scheen haar toe alsof zij geen brieven meer schrijven moest. En wat te doen? Met Owen Davies trouwen wilde zij niet—dat nooit. Zoo schandelijk kon zij haar gevoel geen geweld aandoen. Als zij dat deed, zou zij zich de laagste der laaggezonkenen geacht hebben. En nog minder zou zij het willen doen, omdat haar hart haar zeide hoe grievend het voor Geoffrey moest zijn, al zeide hij geen woord. Voorzeker zou hij haar er om verachten. Neen, dat denkbeeld werd verworpen—totaal verworpen.
Wat bleef haar dan over? Met Geoffrey vluchten wilde zij niet, omdat het zijn ongeluk zou zijn. Zij wilde niet met Owen trouwen, en als zij het niet deed, zou Geoffrey in ’t verderf gestort worden. Zij wist wel dat haar onschuld moeilijk te bewijzen zou zijn; immers haar eigen vader geloofde er niet aan, en haar zuster zou haar voor de wereld openlijk beschuldigen. Wat moest zij dan doen? Zou zij zich in een verre, half beschaafde streek, of in Londen, verbergen? Dat was onmogelijk; zij had geen geld, en geen middelen om aan geld te komen. Bovendien zou men haar wel opsporen; zoowel Owen Davies als Geoffrey zouden haar beiden tot in de uiterste hoeken der aarde opsporen. En zou de eerstgenoemde niet denken dat Geoffrey haar ingeblazen had heen te gaan, en terstond zijn bedreigingen ten uitvoer brengen? Zeker zou hij dat. Van dien kant was er geen hoop. Zij moest een ander plan bedenken, of haar minnaar zou er het slachtoffer van zijn.
Zoo redeneerde Beatrice, niet aan zichzelve maar aan Geoffrey [270]denkende, die meer dan alles op de wereld voor haar was, meer, duizendmaal meer dan haar eigen veiligheid of welzijn. Misschien overdreef zij. Owen Davies, Lady Honoria, en zelfs Elisabeth mochten alles gedaan hebben, waarmede zij dreigden: de eerste zeker, de beide anderen misschien; en toch had het kunnen zijn dat Geoffrey er ongedeerd afkwam. Mogelijk waren er uitwegen, waarvan zij niets wist. Maar van alle kanten in het nauw gebracht, scheen het ergste Beatrice een noodzakelijk gevolg toe. Haar eigen geweten trad ook beschuldigend tegen haar op. Die bizondere aantijging was een leugen, maar het was geen leugen, dat zij Geoffrey beminde, en dat scheen haar toe op hetzelfde neer te komen. In zulke zaken maakte zij geen fijn onderscheid; en zoo stelde zij zichzelve in staat van beschuldiging. Zij besefte niet het door de geheele beschaafde wereld erkende, groote verschil tusschen denken en doen, tusschen de neiging en het schuldig bedrijf. Beatrice beschouwde dit punt meer in den geest van den Bijbel, waarin uitdrukkelijk verklaard wordt, dat dit een onderscheid maken zonder verschil is.
Indien zij naar Geoffrey toe was gegaan en hem de geheele geschiedenis verteld had, zou hij waarschijnlijk alles getrotseerd hebben en er mogelijk zegevierend afgekomen zijn. Maar met die terughouding, waartoe alleen vrouwen in staat zijn, deed zij dat niet, en wilde zij het niet doen. Zij wilde hem niet met den last van haar leed bezwaren, dat wilde zij alléén verduren—niet bedenkende dat zij daardoor een veel zwaarderen last op hem laadde, dien hij zijn leven lang zou moeten dragen.
Hoe liefelijk viel de avond, hoe schitterend wierp de ondergaande zon haar laatste stralen op de zee, en hoe helder was het water! Zie, daar sprong een visch voorbij haar roeispaan, en daar kwam de eerste ster aan het uitspansel te voorschijn! Was Geoffrey maar bij haar om het genot van dat schouwspel met haar te deelen! Geoffrey? zij had hem verloren; zij was nu alleen op de wereld—alleen met de zee en de sterren. Welnu, die waren beter dan [271]de menschen—beter dan allen, behalve één. Er was een hoogere gemeenschap der zielen, en dat vertroostte haar. Want hoewel haar geweten haar verweet dat zij tegen de tijdelijke en menschelijke wet gezondigd had, gevoelde zij geen berouw; haar hart zeide haar dat de liefde, die zij geschonken had, onsterfelijk, en dus boven tijd en menschen verheven was. In allen gevalle beminde zij Geoffrey, en daar was zij trotsch op en verheugde zij zich over. De omstandigheden waren ongelukkig, maar zij had de wereld en de maatschappelijke instellingen evenmin gemaakt als zichzelve, en dat kon zij niet helpen. Het feit bleef, goed of kwaad—zij beminde hem!
Hoe helder was het water. Wat was dat voor een droom harer opgewonden verbeelding van op den bodem der zee te zitten en op hem te wachten totdat hij eindelijk kwam? Op den bodem der zee zitten—waarom wekte dat zulke zonderlinge denkbeelden in haar geest? Welnu, waarom niet? Het zou daar aangenaam zijn, in allen gevalle beter dan op aarde. Waarom moest zij langer een leven dragen, dat haar te zwaar werd? Zie, zij had slechts over den kant van het bootje te glijden en zich in die geopende armen te storten, en binnen weinige oogenblikken zou het met haar gedaan zijn!
Hier zou het antwoord op haar vragen en twijfelingen zijn, hetzelfde antwoord, dat op alle menschelijk verdriet, alle aardsche hoop en vrees en strijden gegeven wordt. Eén oogenblik, en alles zou verloren of gevonden zijn. Zou het dan zooveel te beteekenen hebben haar leven voor Geoffrey op te offeren?—zij had het immers bijna gedaan toen zij hem nog maar een uur kende, en zou zij het dan nu niet doen, nu hij alles in alles voor haar was? Als zij stierf—heimelijk, plotseling stierf—zou Geoffrey voorzeker gered zijn; men zou hem niet lastig vallen; er zou niemand zijn, over wie men hem lastig zou kunnen vallen: Owen Davies zou dan niet met haar kunnen trouwen, Geoffrey zou zich voor haar niet in ’t ongeluk kunnen storten, Elisabeth zou haar niet meer kunnen vervolgen. Het zou goed zijn dit voor Geoffrey te doen, en hij [272]zou haar altijd blijven beminnen, en achter dat zwarte gordijn was misschien iets beters.
Men zeide dat het zonde was. Ja, het zou misschien zonde zijn dit voor zichzelf alleen te doen. Maar als het voor een ander was? Zou het zonde zijn voor Geoffrey te sterven, zich voor Geoffrey’s welzijn op te offeren?
O, er zou niet veel verdienstelijks in zijn. Wat was haar leven voor haar? Het zou beter, veel beter zijn dan met Owen Davies te trouwen, dan hun liefde te ontheiligen, en te maken dat Geoffrey haar moest verachten. En hoe anders kon zij het dreigend leed van hem afweren dan door haar dood of door een huwelijk, dat in haar oogen veel verschrikkelijker was dan de dood?
Maar nu kon zij het nog niet doen. Zij kon niet sterven voordat zij nog eenmaal zijn gelaat aanschouwd had, al zag hij ook het hare niet. Neen, dezen avond zou zij die snelle oplossing niet zoeken. Zij had nog woorden te zeggen—of woorden te schrijven. Reeds drongen zij zich aan haar geest op!
Maar als zich geen beter plan opdeed, zou zij het doen, daar was zij zeker van. Het was een zonde—welnu, dan zondigde zij voor Geoffrey. Hij zou daarom niet slechter van haar denken. En zij had hoop, ja, Geoffrey had haar leeren hopen. Als er een hel was, dan was het hier op aarde. En toch niet geheel en al een hel, want zij had er haar liefde gevonden!
Het werd donker, zij kon het ruischen van de golven op het strand van Bryngelly hooren. Daar gekomen, zag zij den ouden Eduard staan, die haar bootje op het droge haalde.
“Alweer in dat ding uit, Miss Beatrice, en dat zoo alleen,” bromde de oude man, het hoofd schuddende, terwijl hij het bootje verachtelijk een schop gaf, “en nog wel in donker. Gij moest een man hebben, die op u paste, dat moest gij. Gij zult niet rusten voordat gij verdronken zijt.”
“Neen, Eduard,” antwoorde zij, met een lachje, “dat geloof ik ook niet. Ge weet wel, voor de boozen is geen vrede boven de zee. Nu, wees [273]maar niet boos. In dit weer, en op de baai, zit ik in het bootje zoo veilig als in de kerk.”
“O, ja, bij kalm weer en in de baai gaat het wel,” hernam hij, “maar gesteld dat ge voorbij Rumball Point afdreeft en de branding op u kreegt—wel dan zoudt ge binnen vijf minuten verdronken zijn. ’t Is ongepermitteerd, juffrouw, dat zeg ik.”
Beatrice lachte weder en ging heen.
“’t Is me een rare!” zeide de oude man, zijn hoofd krabbende, terwijl hij haar nazag. “Van al het vrouwvolk, dat ik ooit gekend heb, is zij de wonderlijkste. Het lijkt wel alsof zij verdrinken wil. De drommel hale me als ik niet wel lust had een gat in den bodem van dat vervloekte bootje te boren en het ding naar den kelder te laten gaan.”
Beatrice kwam een weinig vóór het avondeten thuis. Het eerste, wat zij deed, was Betty, de dienstmaagd, te roepen, en met haar hulp haar bed en toebehooren naar de logeerkamer te laten brengen. Met Elisabeth wilde zij niets meer te doen hebben. Zij hadden bij elkander geslapen sedert zij kinderen waren, maar nu was dat uit. Toen kwam zij binnen, en onder het avondeten zat zij als een steenen beeld, zonder een woord te spreken. Haar vader en Elisabeth voerden een gedwongen gesprek, maar zij spraken niet tegen haar, en zij sprak niet tegen hen. Elisabeth vroeg haar niet eens waar zij geweest was, en nam van haar verandering van kamer geen notitie.
Beatrice vernam echter dat haar vader Maandag met den eersten trein naar Herefordshire zou gaan, om een vergadering van predikanten bij te wonen, die belegd was om de kwestie van de tienden te bespreken. Dinsdagavond met den laatsten trein, omstreeks middernacht, zou hij terugkomen. Beatrice bemerkte dat Elisabeth hem zou vergezellen. Blijkbaar wilde zij gedurende die week van wapenstilstand haar zuster zoo weinig mogelijk zien—mogelijk was zij een weinig bevreesd voor haar. Het kon zijn dat zelfs Elisabeth een geweten had.
Dus zou zij van Maandagochtend tot Dinsdagnacht alleen gelaten worden. In veertig uur kan men veel doen. [274]
Na het avondeten stond Beatrice op, zonder een woord te zeggen, en zij waren blijde dat zij heenging. Zij maakte hen bevreesd, met haar strak gezicht en haar groote oogen. Maar geen van beiden sprak er over. Zij hadden samengezworen om het stilzwijgen te bewaren.
Beatrice deed haar deur op slot en zat in gepeins verzonken. Als de gedachte aan zelfmoord eenmaal opgekomen is, wortelt zij zich met verbazende snelheid vast. Beatrice overzag en beredeneerde den geheelen toestand; zij tuurde op den zedelijken gezichtseinder, om een middel tot uitredding te zien, maar zij kon geen ander vinden, dat Geoffrey zou redden, dan dit. Ja, zij zou het doen, zooals menige andere ongelukkige gedaan had, echter niet uit lafhartigheid, want als het haar alleen betroffen had, zou zij alles getrotseerd, tot het uiterste gestreden hebben—maar omdat het een einde zou maken aan de gevaren, die Geoffrey bedreigden. Natuurlijk moest er geen schandaal bij zijn; het moest nooit bekend worden dat zij den dood had gezocht; anders zou zij zelve haar doel verijdeld hebben en de zaak weer opgerakeld worden. Maar zulk een mogelijkheid wist zij wel te vermijden; in haar uitersten nood werd Beatrice zoo slim als een vos. Er zou een lijkschouwing gehouden kunnen worden, waarbij lastige vragen gedaan konden worden. Maar zij wist ook wel dat er geen lijkschouwing gehouden kan worden, of er moet iets zijn, waarop zij gehouden wordt, en dat iets zou er niet zijn.
En zoo, in de stilte van den avond en in de eenzaamheid van haar kamer, wijdde Beatrice zich tot een offer op het altaar harer onmetelijke liefde. Zij zou den doodstrijd trotseeren in den eersten bloei van haar jeugdige kracht en schoonheid; de wereld in de lente haars levens verlaten, en alleen die donkerheid, met haar verschrikkingen voor het zondige menschdom, ingaan. Alleen!—O, hand in hand met hem zou het gemakkelijk geweest zijn, maar dat mocht niet zijn. De deur der uiterste duisternis zou achter daar dichtgeslagen worden, en wie kon zeggen of die deur eenmaal, [275]als Geoffrey haar volgde, voor hem geopend zou worden, en of hij wel ooit het pad dat zij betreden had, zou vinden? Maar het moest, het zou geschieden. Beatrice stond van haar stoel op met schitterende oogen en versnelde ademhaling, en zwoer voor God dat zij het doen zou, op Zijn vergiffenis en barmhartigheid hopende of—op eeuwigen slaap.
Ja, maar eerst moest zij nog een blik slaan op Geoffrey’s geliefd gelaat—en dan vaarwel!
Beklaag haar, dat arme dwalende meisje, dat van haar eigen wil een Voorzienigheid maakt en zich den dood in de armen werpt! Beklaag haar, maar laak haar niet al te zeer, of gij moet ook Judith, Jephta’s dochter, en Charlotte Corday laken, en al de roemrijke vrouwen, die van tijd tot tijd op deze wereld vol hebzucht en eigenbaat zijn opgestaan en zichzelven opgeofferd hebben op het altaar van haar liefde, haar godsdienst, haar eer of haar vaderland.
Het was besloten. Laat haar nu rusten terwijl zij kan, in afwachting van wat er zal komen. Met een zucht over alles, dat was, en alles wat had kunnen zijn, legde Beatrice zich te bed, en sliep weldra zoo rustig als een kind.