Beatrice (Dutch) Chapter 28

Beatrice reed naar Paddington terug, en hoewel haar gelaat strak en bleek als marmer bleef, vloeiden er groote tranen, één voor één, langs haar wangen. [290]

Aan het station gekomen, betaalde zij den voerman van haar weinige nog overgebleven shillings—omdat zij een vreemdeling was, wilde hij niet minder dan een halve kroon aannemen. Toen, zonder acht te slaan op den verbaasden blik van den nachtportier, liep zij de wachtkamer binnen en ging zitten. Eerst haalde zij den brief te voorschijn en voegde er eenige regels met potlood bij; maar zij deed hem nog niet op de post, want zij wist dat hij dan te spoedig aan zijn adres zou komen. Toen leunde zij met het hoofd tegen den wand en viel van afgematheid in slaap—haar laatste slaap hier op aarde, vóór den langsten slaap van alle.

En zoo wachtte en sliep Beatrice te Paddington, terwijl haar minnaar te Euston wachtte en waakte.

Omstreeks vijf uur werd zij wakker, en al de smartelijke gedachten aan het verleden, het tegenwoordige en de toekomst bestormden haar hart. Zij liep de ledige straat op, en op een opene ruimte tusschen de huizen zag zij de zon opgaan. Het was de laatste zonsopgang, dien zij zou aanschouwen.

Toen zij op het station terugkwam, was de restauratiekamer open; daar trad zij binnen, en na zich met een kop koffie en een stuk brood ververscht te hebben, nam zij haar plaatskaartje niet naar Bryngelly of naar Coed, maar naar het station aan deze zijde van Bryngelly en drie mijlen er van af. Daar zou zij minder gevaar loopen van opgemerkt te worden. De trein werd in het spoor gebracht. Juist toen zij was ingestapt, kwam er een krantenjongen geeuwend aanloopen. Beatrice kocht een nummer van den Standard, en sloeg het open bij het blad waar de hoofdartikelen in stonden. Het eerste begon: “De krachtige, kernachtige en welsprekende redevoering, door den heer Bingham, het lid voor Pilham, gehouden, zal voorzeker van evenveel uitwerking op het geheele land zijn als zij op het Lagerhuis was. Wij verwelkomen haar niet alleen om haar waarde als een bijdrage tot de polemiek over de Iersche Kwestie, maar als een afdoend bewijs van wat reeds vermoed is, dat de Unionistische partij in den heer Bingham een jong staatsman van hooge begaafdheden [291]bezit, wiens uitgebreide rechtsgeleerde praktijk hem niet, zooals maar al te dikwijls het geval is, in den weg staat op het geestinspanning vereischende en ruime arbeidsveld der politiek.”

Evenzoo ging het voort. Beatrice legde het blad met een zegevierenden glimlach neder. Geoffrey’s roem was gevestigd. De geheele lange reis door, streelde zij haar verbeelding door zich het eene beeld voor, het andere na voor den geest te roepen van die toekomst, waaraan zij geen deel zou hebben. Maar hij zou haar toch niet vergeten; daar was zij zeker van. Haar herinnering zou hem tot het einde van zijn leven bijblijven, en soms zou hij denken hoe trotsch zij zijn zou, als zij getuige van zijn zegepralen had kunnen zijn. Ach, zij bedacht niet dat, wanneer alles verloren is wat het leven schoon kan maken, wanneer de zon voor ons ondergegaan is en het duister in onze ziel is geworden, de glans van onze kleine zegepralen slechts den verdwenen luister kan vergoeden! Geluk en tevredenheid zijn teere planten, die licht en lucht moeten hebben om te kunnen bloeien. Zij gedijen niet in donkere schaduwen, en als het hart dood is, kunnen geen zegepralen, hoe schitterend ook, tegen het onherstelbaar verlies opwegen. Het arme meisje vermoedde niet dat Geoffrey, in de jaren, die komen zouden, gaarne al zijn roem en onderscheiding gegeven zou hebben voor één maand van haar dierbare, onvergetelijke tegenwoordigheid. Zij had een te geringen dunk van zichzelve; zij dacht niet dat een man aldus op de liefde van een vrouw prijs kon stellen, en hield het voor een uitgemaakte zaak dat tegenover zijn streven, om het doel zijner eerzucht te bereiken, zulk een schat als Beatrice Geoffrey geschonken had, niets beteekende. Dit was de wagen van Jaggernaut1 op zijn loopbaan, waaraan Beatrice haar leven ten offer wilde brengen, niet wetende dat daardoor al de eer en onderscheiding, die hij reeds zoo weinig telde, bitterheid en asch moest worden. [292]

Te Chester stapte Beatrice uit den trein, en deed haar brief aan Geoffrey op de post. Dat had zij niet vroeger willen doen, omdat die hem niet in handen moest komen voordat alles gedaan was. Zij wierp een blik op den brief,—het laatste teeken, dat ooit op aarde tusschen hen gewisseld kon worden. Eenmaal drukte zij den brief aan haar hart, eenmaal raakte zij hem met haar lippen aan, en toen stak zij hem onherroepelijk in de bus. Nu was er geen terugtreden meer. En terwijl zij daar nog stond, kwam de postbeambte fluitend aan, opende de bus onverschillig, en stak den inhoud in zijn linnen zak. Als hij geweten had wat daaronder was, zou hij den geheelen dag niet meer gefloten hebben.

Beatrice zette haar reis voort, en tegen drie uur was zij aan het kleine station bij Bryngelly. Het was dien dag kermis te Coed, en vele boeren en boerinnen gingen daarheen en stapten hier op den trein. Te midden van die drukte werd zij niet opgemerkt. Niemand in de nabuurschap van Bryngelly wist zelfs, dat Beatrice heen en terug naar Londen was geweest.

Zij liep langs de rots om, en binnen een uur was zij aan de deur van de pastorie, waaruit het haar toescheen jaren lang afwezig te zijn geweest. Zij ontsloot de deur en trad binnen. In de brievenbus vond zij een briefkaart van haar vader, meldende dat hij en Elisabeth van plan veranderd waren, en niet terug zouden zijn vóór den volgenden ochtend met den trein, die te half negen aankwam. Des te beter, dacht zij. Toen haalde zij de lakens op haar bed om, alsof het beslapen was geweest, legde in de keuken vuur aan, zette den ketel er op, om water te koken, en gebruikte wat voedsel. Zij had al haar kracht noodig en zonder voedsel kon zij die niet ophouden.

Kort daarna kwam Betty, de dienstmaagd terug, en ging aan haar werkzaamheden, onbewust dat Beatrice den geheelen nacht afwezig was geweest. Haar zusje was veel beter, antwoordde zij op Beatrice’s vragen.

Na, voor zooverre zij kon, iets gegeten te hebben—het was niet veel—begaf Beatrice zich naar haar kamer, ontkleedde [293]zich, baadde zich, en trok andere kleeren aan. Toen maakte zij haar vlechten met zorg op, juist zooals zij het haar had gedragen op dien namiddag toen zij Geoffrey voor ’t eerst had ontmoet. Een zonderling verlangen scheen haar te bezielen om er op dezen dag, nu zij het leven vaarwel zeide, op haar voordeeligst uit te zien. Na zich gekleed te hebben, nam zij den zilveren Romeinschen ring, dien Geoffrey haar gegeven had, van het snoer, waaraan zij hem om haar hals droeg, en stak hem aan den derden vinger van haar linkerhand.

Toen zij dit alles gedaan had, ging Beatrice naar de keuken en bestelde het avondeten. In haar onschuldige geslepenheid, ging zij nog verder. Betty vroeg haar wat zij voor haar ontbijt wilde hebben, en zij zeide haar dat zij maar wat spek moest koken, en opletten hoe zij het sneed, omdat zij niet van dik spek hield. Na een langen, laatsten blik op de pastorie geslagen te hebben, ging zij naar de woning van de hoofdonderwijzeres, om over het schoolwerk van dien dag te spreken.

Beatrice zeide haar dat zij had besloten in zekere lessen een verandering te brengen. De Woensdagsche rekenles was tot dusverre vóór de taalles geweest. Dat wilde zij juist andersom hebben, en daar gaf zij haar redenen voor op. De hoofdonderwijzeres was het met haar eens, en Beatrice gaf haar de hand en wenschte haar goeden avond. Zij had haar wel willen bedanken voor haar hulp in de school, maar met het oog op hetgeen er gebeuren zou, deed zij dat maar niet, omdat het licht vermoeden zou kunnen wekken.

Arme Beatrice, dat waren de eenige leugens, waaraan zij zich ooit schuldig had gemaakt!

Zij verliet de woning van de onderwijzeres, en wilde juist naar het strand gaan, om daar te zitten totdat het tijd was, toen de vader van het arme krankzinnige kind, Jane Llewellyn, haar te gemoet kwam.

“O, Miss Beatrice,” zeide hij, “ik heb u overal gezocht. Wij zijn zoo in naarheid, juffrouw. Jane heeft weer een aanval van [294]razernij en spreekt over de hel en zoo wat, en de dokter zegt dat zij sterft. Kunt gij komen, juffrouw, en zien of gij iets doen kunt om haar tot bedaren te brengen? De dokter zegt dat het een zaak van leven of dood is.”

Beatrice glimlachte droevig; zaken van leven of dood waren in de lucht. “Ik zal komen,” zeide zij, “maar ik kan niet lang blijven.”

Hoe kon zij haar laatste uur beter doorbrengen?

Zij ging met den man naar zijn woning. Het arme kind, slechte in een nachthemd gekleed, was aan ’t razen, en blijkbaar in het laatste tijdperk van uitgeputheid; noch de dokter noch haar moeder kon iets meer doen om haar bedaard te houden.

“Ziet gij wel,” schreeuwde zij, naar den wand wijzende, “daar staat de Duivel op mij te wachten. En o, daar gaapt de mond van de hel, waar die dominé zei dat ik heen zou gaan! O, houd mij vast, houd mij vast, houd mij vast!”

Beatrice trad naar haar toe, nam haar magere handjes in de hare, en zag haar strak in de oogen.

“Jane,” zeide zij, “Jane, ken je me niet meer?”

“Ja, Miss Granger,” antwoordde het kind, “ik ken de les, ik zal ze aanstonds opzeggen.”

Beatrice nam haar in haar armen, en ging op het bed zitten. Het kind werd al kalmer en kalmer, totdat zich eensklaps een akelige verandering op haar gelaat vertoonde.

“Zij sterft,” fluisterde de dokter.

“Houd mij vast, houd mij vast!” zeide het kind, wier helderheid van geest op het laatste oogenblik scheen terug te komen. “O, Miss Granger, ik zal niet naar de hel gaan, zal ik wel? Ik ben bang voor de hel.”

“Neen, lieve, neen; je gaat naar den hemel.”

Jane lag een poos stil. Toen zag Beatrice de bleeke lippen bewegen en bracht haar oor aan den mond van het kind.

“Zult ge bij mij komen?” fluisterde Jane; “ik ben bang om alleen te gaan.” [295]

En met haar groote oogen vast op het gelaat van het stervende kind gevestigd, fluisterde Beatrice terug, zoodat niemand anders het kon verstaan:

“Ja, ik kom aanstonds.” Maar Jane had het verstaan en begrepen.

“Beloof het mij,” zeide zij.

“Ja, ik beloof het u,” antwoordde Beatrice, in hetzelfde onverstaanbaar gefluister. “Slaap, lieve; ik ben spoedig bij u.”

En het kind zag op, huiverde—glimlachte—en sliep.

Beatrice gaf het aan de weenende ouders terug, en ging heen. “Een engel van een meisje,” zeide de dokter bij zich zelven, terwijl hij haar nastaarde. “Ik heb nooit zoo’n vrouw gezien—zij is anders dan andere vrouwen.”

Intusschen ging Beatrice naar het schuitenhuis van den ouden Eduard. Zooals zij wel verwachtte, was daar niemand, en ook niemand op het strand. De oude Eduard en zijn zoon waren, evenals ieder ander te Bryngelly, aan het theedrinken.

Zij zag naar de zee uit. Er was geen sterke golving, maar de koelte stak op, en er was een langzame zwelling in het water. Voorbij de beschutting van Rumball Point, vijf mijlen ver, zou een zware branding zijn.

De vloed was hoog; hij was tot binnen acht meter van het schuitenhuis gestegen. Zij deed de deur open, sleepte haar bootje er uit, en deed de deur weder achter zich dicht. Het vaartuigje was licht, en zij was sterk voor een vrouw. Zij trok het bootje aan den ketting van den voorsteven langs het strand voort, totdat het te water was, terwijl de brekende golven haar schoenen nat maakten. Toen stapte zij er in, en een oogenblik later roeide zij met al haar kracht in zee.

Twintig minuten lang roeide zij onophoudelijk voort. Toen rustte zij even, maar hield den boeg van het bootje naar de zee, die, zonder onstuimig te zijn, al meer en meer begon te golven. Daar, op eenige mijlen afstands, was Rumball Point. Voordat de avond viel, moest zij daar voorbij zijn. Daar zou branding genoeg zijn; geen bootje als het hare zou het daar vijf minuten uithouden, en het [296]getij was aan het keeren. Wat daar zonk, zou weggevoerd worden, en nooit weder op de kust van Wales terugkomen.

Zij zag om naar Bryngelly en die lange, welbekende uitgestrektheid rotsen. Welk een schoon gezicht was dat in het kalme licht van een zomernamiddag! O, zou er een namiddag zijn, daar, waarheen het kind was gegaan, en waar zij volgde?—of was het daar nacht, zwarte, eeuwige nacht, onafgebroken door den droom van dierbare herinneringen?

Daar was de rots, waarop zij op dien mistigen herfstdag gestaan en het visioen van haar overleden moeder gezien had. Dat was voorzeker een voorteeken van haar lot geweest. Daar voorbij was de Bel Rots, waar in datzelfde uur Geoffrey en zij elkander ontmoet hadden, en daarachter was het Amphitheater, waar zij elkander hun liefde beleden hadden. Luister, wat was dat voor een geluid, dat bij tusschenpoozen flauw over de diepte klonk? Dat was de groote scheepsbel, nu en dan door den hoogen vloed in beweging gebracht, die plechtig haar doodsklok luidde.

Zij roeide voort; het gelui van die doodsklok schokte haar zenuwen en gaf haar een gevoel van zwakheid. O, een jaar geleden zou het gemakkelijker voor haar geweest zijn, voordat zij had leeren beminnen, en geloof en hoop uit de diepte harer bewogen ziel had zien oprijzen. Toen had zij met de kracht van heidensch ongeloof haar einde te gemoet kunnen gaan, wetende wat zij verloor, en meenende dat haar niets anders wachtte dan de slaap. Maar nu was het anders, want in haar hart geloofde zij niet dat zij geheel vernietigd zou worden. Hoe, zou het lichaam in duizend vormen kunnen leven, wel veranderd, maar onvergankelijk en onsterfelijk, terwijl het geestelijk deel, met al zijn hoop en liefde en vrees, tot het niet zou versmelten? Dat kon niet zijn; voorzeker zou zij in een onbekend gewest hem, dien zij liefhad, weder begroeten. En als het niet zoo was, hoe zou in dat Hiernamaals het wederzien met haar moeder zijn, nu zij daar als een zelfmoordenares kwam? Zou zij zich van haar afwenden?—en dat broertje, dat zij zoo had liefgehad, zou hij haar van zich stooten? En welke veroordeelende [297]Stem zou haar misschien tot eeuwigdurende hopeloosheid doemen?

Maar, welke zonde het ook mocht zijn, zij zou die begaan om den wille van Geoffrey; ja, al moest zij er ook een eeuwige rampzaligheid voor inoogsten. Zij boog het hoofd en bad: “O, Macht, die daarboven zijt, vanwaar ik kom en waarheen ik ga, ontferm u over mij! O, Geest, als werkelijk uw naam Liefde is, weeg mijn liefde dan in uw weegschaal, en laat die de schaal der zonde lichter maken! O, God van opoffering, wees niet vertoornd over mijn daad van opoffering, en schenk mij vergiffenis, opdat ik in den tijd, die komen zal, hem, voor wien ik sterf, moge aanschouwen!”

Dat was wel een eenigszins heidensch gebed, en veel te vol menschelijken hartstocht voor iemand, die op het punt was het aardsche leven vaarwel te zeggen. Maar men moet bedenken, dat het Beatrice was, die bad—Beatrice, die zich geen hemel kon voorstellen buiten de grenzen harer liefde—die nog altijd meer dacht aan haar liefde dan aan het behoud harer ziel. Misschien vond dat gebed verhooring—misschien ging het met haar, die het opzond, in de onpeilbare diepte verloren.

Toen bad Beatrice niet meer. Haar tijd was kort. Zie, daar ging de zon luisterrijk onder; en daar sloeg de branding over de eenzame landtong. Zij wilde niet meer aan het eigen ik denken; het scheen haar zoo kleingeestig toe, dat smeekend aanroepen van den Ongeziene, niet voor anderen, maar voor zichzelve, hulp voor zichzelve, behoud voor zichzelve. Zij had haar gebed gedaan, en indien zij weder bad, moest het voor Geoffrey zijn, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat hij gelukkig mocht zijn—dat hij haar het verdriet, dat haar liefde hem berokkend had, mocht vergeven. Zij had naar de inspraak van haar hart gebeden, en daarmede was het gedaan. Het oordeel liet zij over. Nu wilde zij haar gedachten bepalen bij haar liefde, over de bitterheid van den dood zegevieren. Haar oogen fonkelden, en haar borst zwoegde: verder in zee, nog verder—voorbij de punt van die landtong zou zij de branding ontmoeten, en geen spoor zou van haar overblijven. [298]

Nu zelfs zou zij het verleden niet ongedaan willen maken. Zij was er trotsch op hem te beminnen. Voor hem en met hem leven kon zij niet, maar zij kon voor hem sterven.

“Geoffrey, hoor mij—ik sterf voor u; neem mijn offer aan en vergeet mij niet.” Zoo!—zij is in de branding. Hoe plechtig komen die golven, met hun witte kruinen, één voor één loeiend opzetten!

Daar heft een zware golf het bootje omhoog, maar het drijft er op als een kurk. Zie! het daglicht verdwijnt op het land in de verte, maar de luister van de laatste zonnestralen blinkt nog op de zee. Weldra zal alles gedaan zijn. Hier is de wind sterk; hij rukt haar den hoed van het hoofd, maakt de opgebonden vlecht los, en zwierend hangen haar weelderige lokken langs haar hals en rug. Snerpend als zweepslagen, slaat het schuim haar in het gelaat. Neen, die golf nog niet, daar glijdt zij ook nog overheen. Maar die dáár komt overweldigend opzetten. O, zie! Geoffrey’s ring is van haar natte hand gegleden en op den bodem van het bootje gevallen. Kan zij hem terugvinden? Zij wilde sterven met dien ring aan haar vinger—’t is haar trouwring, die haar door den dood met Geoffrey verbindt. Zij bukt! De golf slaat over haar heen.

“Geoffrey! hoor mij, Geoffrey!—ik sterf—ik sterf voor u! Ik zal u wachten op den bodem der zee—waar ook in het onbekend Hiernamaals zal ik op u wachten!”

De boot zinkt—is gezonken—zij is alleen met God en het onmeedoogende water. Hoor het bruisen van die ziedende golf, die haar verzwelgt!

“Geoffrey, mijn geliefde—ik zal wachten—”

Vaarwel Beatrice! Het licht verdween van den hemel, duisternis daalde op de woelende zee. Vaarwel, Beatrice, en al haar liefde en al haar zonde! [299]

1 Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten verpletteren. Vert.

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.