Beatrice (Dutch) Chapter 27

De volgende dag was Zondag. Beatrice ging niet naar de kerk. Eén reden daarvoor was dat zij bevreesd was er Owen Davies te ontmoeten. Maar zij nam haar Zondagsklasse als gewoonlijk waar, en nog lang naderhand herinnerden de kinderen zich hoe vriendelijk [276]en geduldig zij dien dag jegens hen geweest was, en hoe mooi zij hun de geschiedenis van dat Joodsche meisje verteld had, dat haar leven opofferde opdat haar vader zijn gelofte getrouw zou zijn.

Bijna al het overige van den dag en den avond besteedde zij om te schrijven, wat wij later zullen lezen; alleen des namiddags ging zij een poos in haar bootje roeien. Nog iets anders deed zij ook; zij ging naar de hoofdonderwijzeres, en zeide haar dat zij mogelijk Dinsdag (Maandag was het toevallig een vacantiedag) niet in het dorp zou zijn. Als iemand naar de reden van haar afwezigheid mocht vragen, verzocht zij de hoofdonderwijzeres of deze zoo vriendelijk zou willen zijn te zeggen dat zij een afspraak had gemaakt, en om die te houden een ochtend vrijaf had genomen. De hoofdonderwijzeres bewilligde daarin, zonder eenige achterdocht, zeggende dat als Beatrice geen ochtend vrijaf zou mogen nemen, zij niet zou weten wie.

Den volgenden ochtend ontbeten zij zeer vroeg, omdat Granger en Elisabeth met den eersten trein zouden vertrekken. Beatrice zat er stilzwijgend bij; haar kalme oogen staarden strak, en de anderen gevoelden hun hart door een onverklaarbare vrees bekneld, terwijl zij naar haar ondoorgrondelijk gelaat zagen. Wat was dat meisje voornemens te doen? Dat was de vraag, die zij zichzelven deden, hoewel elkander niet. Dat zij iets in den zin had, daar waren zij zeker van, want een vast besluit stond op elken trek van haar strak gelaat te lezen.

Eensklaps, terwijl zij zat te peinzen, en den schijn aannam van te eten, schoot haar een denkbeeld voor den geest als een pijl, die haar hart doorboorde. Dit was de laatste maal dat zij ooit te zamen aan tafel zouden zitten, de laatste maal dat zij het gelaat van haar vader en haar zuster ooit zou aanschouwen. Wat haar zuster betrof, daar kon zij zich wel overheen zetten—want er zijn dingen, die zelfs een vrouw als Beatrice niet vergeven kan—maar haar vader had zij lief, met al zijn gebreken; zelfs zijn geldgierigheid en zelfzuchtigheid waren haar door de gewoonte van er zich over te verbazen lief geworden. Bovendien [277]was hij haar vader; hij was de oorsprong van het leven, dat zij ging wegwerpen. En zij zou hem nimmer wederzien. Wel weifelde zij daarom niet in haar besluit, dat nu zoo vast stond als Bryngelly Castle op zijn rots, maar dat denkbeeld deed haar toch de tranen in de oogen schieten.

Juist was het ontbijt afgeloopen, en Elisabeth liep de kamer uit, om haar hoed te halen.

“Vader,” zeide Beatrice, “eer gij heengaat, zou ik u gaarne hooren zeggen dat gij niet gelooft dat het onwaar is wat ik u gezegd heb—van die geschiedenis.”

“Hm, hm!” antwoordde de oude man zenuwachtig, “ik dacht dat wij overeengekomen waren vooreerst daar niet over te spreken.”

“Ja, maar ik zou het u toch gaarne hooren zeggen. Het grieft mij zoo dat gij zoudt denken dat ik u voorgelogen heb, want nooit in mijn leven heb ik u opzettelijk iets gezegd, dat niet waar was,” en zij klemde haar handen om zijn arm, en sloeg de oogen naar zijn gelaat op.

Hij zag haar twijfelachtig aan. Was het mogelijk dat zij dan toch de waarheid sprak? Neen; het was niet mogelijk.

“Dat kan ik niet, Beatrice,” antwoordde hij—“niet dat ik je er te zeer om laak dat ge u zoekt te verdedigen; een rat, die in een hoek gejaagd is, stelt zich te weer.”

“Mogen die woorden u nimmer berouwen,” zeide zij; “en nu vaarwel,” en zij kuste hem op het voorhoofd.

Op dat oogenblik trad Elisabeth binnen, zeggende dat het tijd was om heen te gaan, en hij beantwoordde den kus niet.

“Vaarwel, Elisabeth,” zeide Beatrice, haar de hand toestekende. Maar Elisabeth deed alsof zij dit niet zag, en een oogenblik later waren zij weg. Zij volgde hen tot aan het hek; en zag hen na, totdat zij op den weg uit haar gezicht verdwenen. Toen keerde zij terug, haar hart tot berstens toe vol; maar zij stortte geen enkelen traan.

Zoo had Beatrice haar vader en haar zuster een laatst vaarwel gezegd. [278]

“Elisabeth,” zeide Granger, toen zij het station naderden, “ik ben ongerust over Beatrice. Er was zoo’n vreemde uitdrukking in haar oogen, het—kortom, het maakt mij beangst. Ik had wel lust Hereford er aan te geven, en terug te gaan,” en hij bleef aarzelend op den weg stilstaan.

“Zooals ge wilt,” zeide Elisabeth, met een smadelijken glimlach, “maar ik zou meenen dat Beatrice groot genoeg is om op zichzelve te passen.”

“Bij den God, die ons geschapen heeft,” riep de oude man woedend uit, met zijn stok op den grond stampende, “zij moge slecht zijn, maar zij is niet zoo slecht als jij, die haar verraden hebt. Als Beatrice een Magdalena is, ben jij een vrouwelijke Judas, en ik geloof dat je haar haat en wel zou willen dat zij dood was.”

Elisabeth gaf hierop geen antwoord. Zij waren nu aan het station, want haar vader was weer voortgeloopen, en er waren menschen om hen heen. Maar zij wierp hem een blik toe, en nooit vergat hij dien blik. Het was genoeg om zijn tong te verstijven, en hij roerde dit punt niet weder aan.

Toen zij vertrokken waren, ging Beatrice toebereidselen maken. Haar voornemen was naar Londen te reizen, om, zoo mogelijk, in het Lagerhuis Geoffrey voor ’t laatst te zien, en dan terug te keeren. Zij zette haar hoed op, en trok haar beste kleed aan; dit was zeer eenvoudig en van grijs laken, maar het stond haar zeer goed, en in de borst stak zij den brief, dien zij den vorigen dag geschreven had. Een kleine reistasch, met een paar boterhammen en een schuier en kam er in, benevens een mantel, maakte haar geheele bagage uit.

De trein, die te Bryngelly niet stilhield, vertrok te tien uur van Coed, en naar Coed was het anderhalf uur gaans. Het was tijd om heen te gaan. Zij zou, natuurlijk, dien nacht afwezig zijn, en wat voor reden zij Betty, de dienstmaagd, voor haar afwezigheid zou opgeven, wist zij niet. Maar het toeval kwam haar te hulp. Terwijl zij er over nadacht, kwam Betty zelve weenend binnen. Zij [279]had zooeven vernomen dat haar zusje, dat met haar moeder in een dorp op zes mijlen afstands woonde, door een wagen aangereden en zwaar bezeerd was; en zij vroeg of zij voor dien nacht naar huis mocht gaan. Den volgenden dag zou zij terugkomen.

Beatrice stemde in haar verzoek toe, en Betty ging dadelijk heen. Zoodra zij weg was, sloot Beatrice het huis, stak den sleutel in haar zak, en ging op haar wandeltocht van vijf mijlen uit. Niemand zag haar het huis verlaten, en zij liep langs een pad achter het dorp om, zoodat niemand haar ook op den weg zag. Onopgemerkt aan het Coed-station gekomen, even vóór het vertrekuur van den trein, deed zij haar voile neer, en nam een plaatskaartje derde klasse naar Londen. Dit moest zij wel doen, want haar geldvoorraad was zeer gering; alles bijelkaar had zij maar zes-en-dertig shillings, waarvoor de reis naar Londen heen en terug haar acht-en-twintig shillings en vier pence zou kosten.

Een oogenblik later was zij een leegen waggon ingestapt, en de trein stoomde heen.

Dien avond omstreeks acht uur kwam zij aan het Paddington-station. In de restauratiekamer deed zij haar middagmaal met een kop thee en een boterham, waarna zij verder op haar tocht uitging.

Beatrice was nooit in Londen geweest, en zoodra zij het station verlaten had, bracht de rumoerige drukte van de groote stad haar in verlegenheid. Haar plan was te voet naar het Parlementsgebouw in Westminster te gaan. Daar meende zij zeker te zijn van Geoffrey te zien, omdat zij een dagblad gekocht had, waarin zij gelezen had dat hij een van de sprekers in een groot debat over de Iersche kwestie zou zijn, dat dien nacht gesloten zou worden. Een vriendelijke kruier had haar gezegd dat zij Praed Street maar moest volgen totdat zij aan Edgware Road kwam, dan doorloopen naar den Marmeren Boog, en maar weer vragen. Beatrice volgde het eerste gedeelte van die aanwijzing tot Edgware Road. Maar daar stond zij verlegen en aarzelde.

Op dit oogenblik kwam er een ruwe vent naar haar toe en zeide iets. Een meisje als Beatrice kon onmogelijk door de straten van [280]Londen loopen zonder aan het gevaar van zulke ongewenschte aandacht blootgesteld te zijn. Zij wendde zich van hem af, en terwijl zij dit deed, hoorde zij hem tegen een ander een onkiesch gezegde over haar schoonheid uiten. Dicht bij de plaats waar zij zich bevond, stonden twee cabs. Zij ging naar de eerste toe, en vroeg den voerman voor hoeveel hij haar naar het Lagerhuis wilde rijden.

“Twee shillings, juffrouw,” was het antwoord.

Beatrice schudde het hoofd, en wilde heengaan. Zij durfde zooveel geld niet aan cabs besteden, want zij moest naar Bryngelly terug.

“Ik zal er u brengen voor anderhalven shilling, juffrouw,” riep de voerman van de andere cab. Dit aanbod wilde zij juist aannemen, toen de eerste inviel:

“Wou je mij mijn vrachtje afsnoepen? Hoor eens, juffer, ik ben galant voor dames, en ik zal er u voor één shilling brengen.”

Zij glimlachte en stapte de cab in. Nu dwarrelde het haar voor de oogen in de drukke, met gas verlichte straten, en binnen een kwartier hield de cab voor den ingang van het Lagerhuis stil. Beatrice betaalde den cab-voerman zijn shilling, bedankte hem, en trad binnen, maar stond weer verlegen te midden van witte beelden, marmeren vloeren, hooge gewelfde zolderingen en gedrang van menschen. Een op post staande politiedienaar vroeg haar waarvoor zij hier kwam. Beatrice antwoordde dat zij de zitting van het Lagerhuis wilde bijwonen.

“Dien kant op, juffrouw—dien kant op,” zeide de politiedienaar, op een stroeven toon. Zij volgde zijn aanwijzing, en kwam eindelijk in een portaal onder een menigte lieden van allerlei soort—kale politieke aanhangers, Iersche priesters, mannen van de pers, enz. Aan de eene zijde van het portaal stonden politiedienaars en boden, die gestadig kaartjes aannamen. Onmerkbaar werd zij door den stroom naar dien kant medegesleept.

“De damesgalerij, juffrouw?” vroeg een stem; “uw toegang-kaartje als ’t u belieft, maar ik geloof dat er wel geen plaats meer zal zijn.”

Dit was een nieuwe verlegenheid. Beatrice had geen toegang-kaartje. Zij had niet gedacht dat het noodig was. [281]

“Ik heb geen toegangkaartje,” zeide zij. “Ik wist niet dat ik er een hebben moest. Kan ik niet zonder binnenkomen?”

“Zeer zeker niet,” antwoordde de stem, terwijl de eigenaar van die stem, die waarschijnlijk dynamiet vermoedde, haar met een koelen ambtelijken blik in oogenschouw nam. “Uit den weg als ’t u belieft.”

Beatrice’s oogen schoten vol tranen, terwijl zij zich in bitterheid des harten omkeerde. Zoo was al haar moeite dan te vergeefs, en moest zij zich dit laatste zwijgend afscheidnemen ontzeggen. Welnu, wat kwam bij zooveel treurigs een weinig meer er op aan? Zij keerde zich om, en wilde heengaan, maar niet onopgemerkt. Een nog vrij jong Parlementslid, die in Beatrice’s nabijheid met een zijner kiezers had gesproken, had haar afwijzing gezien. Getroffen door haar schoonheid en haar droefheid, deed hij wat hij behoorde te doen; hij nam, namelijk, zijn hoed af, en vroeg of hij, als lid van het Lagerhuis, haar van dienst kon zijn. Beatrice luisterde, en legde hem uit dat zij bizonder gaarne toegang tot de Damesgalerij had willen hebben.

“Dan kan ik u, geloof ik, helpen,” zeide hij. “Toevallig heeft een dame, voor wie ik een kaartje had, mij getelegrafeerd dat zij niet kan komen. Wilt ge mij maar volgen? Mag ik u verzoeken mij uw naam op te geven?”

“Mevrouw Everston,” antwoordde Beatrice, den eersten naam, die haar inviel, nemende. Het Parlementslid zag een weinig teleurgesteld. Hij had, zonder eigenlijk te weten waarom, gehoopt dat die schoone vrouw nog vrij was. Haar huwelijk was zeker niet gelukkig, anders zou zij er niet zoo treurig uitzien.

Toen kwamen er nog meer trappen en gangen en formaliteiten, totdat Beatrice zich in een soort van vogelkooi bevond, tot stikkens toe vol met allerlei soort van dames.

“Ik vrees—ik vrees dat er geen plaats meer is,” zeide haar nieuwe vriend, met ongerustheid de menigte overziende.

Maar op dit oogenblik was een dikke dame, die vooraan zat, en bijna flauw viel van de hitte, genoodzaakt de galerij te verlaten, [282]en eer zij recht wist waar zij was, was Beatrice naar haar plaats geleid. Haar vriend had voor haar gebogen en was verdwenen, en zij zat zoo goed als alleen, want zij lette niet op degenen, die om haar heen zaten, hoewel sommigen haar scherp opnamen, benieuwd wie dat schoone meisje toch wel wezen mocht.

Zij liet haar blik door de volle zaal gaan, en zag een chaos van hoeden, halsboorden en beenen, en hoorde een rumoer van geluiden: de scherpe stem van een spreker, die spoedig driftig werd, de toejuichingen van de Regeeringsbanken, de interpellaties van de Oppositie—ja, zelfs geschreeuw en gejouw, en geluiden, die wel iets van hanengekraai hadden. Als zij er aan gedacht had, zou Beatrice geen hoogen dunk verkregen hebben van de waardigheid eener vergadering, waar zoovelen van haar leden hun fatsoenlijkheid met hun overjassen en stokken aan de deur schenen gelaten te hebben; maar zij dacht er eenvoudig niet aan. Wel zag zij vorschend de zaal rond, maar het was om slechts één gelaat te zien—Ha! daar was het.

En nu mocht het Lagerhuis in den bodemloozen afgrond verzinken, en het Hoogerhuis, en alles wat er van de Britsche Constitutie overbleef meenemen, en zij zou het niet gemist hebben. Want zelfs in haar beste gemoedsstemming was Beatrice—wat zij met de meesten van haar sekse gemeen had, dat zij met alle dankbaarheid gezegd—geen vurig politicus.

Daar zat Geoffrey, met zijn armen over elkander geslagen. Daar was hij, om wien te zien zij van zoo ver gekomen was, en voor wien zij morgen haar leven ten offer zou brengen. Wat zag hij treurig—hij scheen afgetrokken te zijn. Zij wist dat hij aan haar dacht; dat kon zij gevoelen, evenals zij het vroeger gevoeld had. Onafgewend hield zij haar oogen gevestigd op dat geliefd gelaat, waarvan zij afscheid nam; zij zag niets anders, zij hoorde niets van het gegons, als van een bijenzwerm, om haar heen en onder haar.

Nu kwam de heer, die zoo vriendelijk voor haar geweest was, naast Geoffrey zitten en begon met hem te fluisteren, en terwijl hij [283]dat deed, zag hij een paar malen naar het traliewerk, waarachter zij zat. Zij vermoedde dat hij haar vertelde van de dame, die zoo onverklaarbaar verlangend was om de debatten te hooren, en hoe schoon zij was. Maar Geoffrey scheen daar niet veel belang in te stellen, en Beatrice was genoeg vrouw om dit op te merken en zich er over te verheugen. Het denkbeeld dat Geoffrey er belang in stelde van geheimzinnige schoone dames te hooren, zou haar niet aangenaam geweest zijn.

Eindelijk stond er een spreker op—uit het gemompel om haar heen begreep zij dat het een der leiders van de Oppositie was—en begon een krachtige en bittere redevoering. Zij merkte op dat Geoffrey met aandacht begon te luisteren.

“Zie,” zeide een der dames in haar nabijheid, “mijnheer Bingham maakt aanteekeningen. Aanstonds gaat hij spreken—hij spreekt uitmuntend, zooals gij weet. Men zegt dat hij, op Gladstone en Lord Randolph na, de beste in het Lagerhuis is.”

“Lady Honoria schijnt er niet te zijn,” zeide een andere dame. “Ik zie haar niet.”

“Neen,” hernam de eerste, “zij is een lieve vrouw, en zoo schoon!—juist de vrouw voor een man van aanzien—maar ik geloof niet dat zij veel belang stelt in politiek. Wat zijn haar diners uitgelezen!”

Hier werd het gemompeld gesprek door een storm van toejuichingen gestoord.

Deze spreker sprak ongeveer drie kwartier, en toen stond Geoffrey eindelijk op. Een paar andere leden stonden tegelijk met hem op, maar lieten hem aan ’t woord.

Hij begon langzaam—wat al te bedaard, naar het Beatrice, die het hart op de tong had, toescheen—maar toen hij ongeveer vijf minuten gesproken had, geraakte hij in vuur. En nu begon een van de merkwaardigste redevoeringen, die ooit in dat Parlement gehouden zijn. Geoffrey had vroeger goed gesproken, en zou later weer goed spreken, maar nooit had hij zoo goed gesproken als ditmaal. Bijna anderhalf uur hield hij het Lagerhuis [284]geboeid, en zelfs de interpellaties en teekenen van afkeuring der Oppositie hielden tegen het einde van zijn redevoering op. Zijn gelaat schitterde van het vuur der welsprekendheid. Hij ontleedde de door de Oppositie aangevoerde feiten één voor één, en toonde met overtuigende logica aan dat het geen feiten waren; te midden van een toornig gesis vergruisde hij al haar bewijsgronden en wederlegde haar beweegredenen. Toen sloeg hij een anderen toon aan, en richtte het woord niet meer bepaald tot de Oppositie, maar tot het Lagerhuis in ’t algemeen, en tot het geheele land, in dien echt vaderlandsgezinden geest en met die kracht en gloed van taal, waardoor zijn toenemende beroemdheid zoowel in het Parlement als in de kiezersvereenigingen bevestigd werd.

Beatrice deed de oogen dicht, en luisterde naar die volle, heldere en indrukwekkende stem, die al krachtiger en krachtiger scheen te worden, totdat de geheele zaal er van vervuld was en elke bestrijding tot zwijgen was gebracht.

Met een kernachtig slot hield Geoffrey op, en nam zijn plaats weder in. Hij had anderhalf uur gesproken, en toch scheen het Beatrice toe dat er slechts eenige minuten verloopen waren sedert hij was opgestaan. Nu barstte er een storm van toejuichingen los, te midden waarvan een leider der Oppositie opstond, om, juist niet in de beste luim, te antwoorden, want Geoffrey’s redevoering had hem gevoelig geraakt.

Hij begon met den geachten spreker een compliment te maken over zijn gehouden redevoering, “zoo welsprekend als hij er in geen jaren een gehoord had, hoewel, ongelukkig, van een verkeerd standpunt uitgaande.” Daarna laakte hij de Regeering dat zij een man, die zooveel knapper was dan de meesten harer “bevoorrechten,” niet reeds een hoogen post had gegeven, en verwekte gelach door satiriek te zeggen dat, als het hem ooit ten deel viel op de voorste bank van de Thesaurie te zitten, hij voorzeker den geachten spreker een bod zou doen. Na deze niet kwaad gemeende scherts, ging hij over tot de beschouwing van het punt in behandeling, en Beatrice lette niet verder op hem, maar zag Geoffrey weder [285]in denzelfden schijnbaren staat van koele onverschilligheid zitten, waaruit de noodzakelijkheid van te spreken hem gewekt had.

Nu kwam de heer, die haar een plaats had bezorgd, bij haar en sprak haar toe. Al spoedig begon hij over Geoffrey’s redevoering te spreken, zeggende dat het een van de schitterendste, zoo niet de schitterendste, van de zittingen was.

“Mijnheer Bingham zal het dus zeker wel tot hoog aanzien brengen?” zeide Beatrice.

“Tot hoog aanzien? Dat zou ik meenen!” antwoordde hij. “Bij de eerste gelegenheid zal hij wel een Regeeringspost krijgen; hij is te knap om hem voorbij te zien. Weinig mannen zijn zoo spoedig op den voorgrond gekomen als mijnheer Bingham. Wij noemen hem de komeet, en als hij zijn kansen niet vergooit, door iets dwaas te doen, is er geen reden waarom hij niet binnen weinig jaren Procureur-Generaal zou zijn.”

“Waarom zou hij iets dwaas doen?” vroeg zij.

“Och, om geen bepaalde reden, zoover ik weet; alleen, zooals gij zeker wel opgemerkt zult hebben, doen mannen van zijn soort soms belachelijke dingen, en brengen zich in opspraak door met de een of andere vrouw weg te loopen of zoo iets, waardoor zij hun loopbaan bederven. Niet dat dit van mijnheer Bingham te vreezen is, want hij heeft een allerliefste vrouw, en men zegt dat hij veel hulp van haar heeft. Maar daar gaat de bel van de afdeeling. Adieu, mevrouw Everston, aanstonds kom ik weer bij u, om u hieruit te brengen.”

“Adieu, mijnheer,” antwoordde Beatrice, “en in geval ge mij niet meer mocht vinden, wensch ik u iets te zeggen—u te danken voor uw vriendschappelijkheid dat ge mij hier gebracht hebt. Ge hebt mij een grooten dienst gedaan, een zeer grooten dienst, waarvoor ik u ten hoogste dankbaar ben.”

“Dat is geen dank waard,” antwoordde hij. “Dat is een genoegen voor mij geweest. Als ge mij wildet vergunnen,” voegde hij er met eenige verlegenheid bij, “u eens te komen bezoeken, zou het genoegen des te grooter zijn. Ik zal mijnheer Bingham meebrengen, als [286]gij gaarne kennis met hem wilt maken—ten minste, als ik kan.”

Beatrice schudde het hoofd. “Dat kan niet,” antwoordde zij, droevig glimlachend. “Ik ga morgen op een lange reis, en ik kom hier niet terug. Vaarwel.”

Het volgend oogenblik was hij weg. In geen jaren had een vrouw zulk een levendige belangstelling in hem gewekt als deze schoone onbekende. Wie kon zij zijn? en waarom was zij er zoo bizonder op gesteld de debatten te hooren? Daar school een geheim achter, en dat wilde hij, zoo mogelijk, oplossen.

Inmiddels nam de afdeeling plaats, en onder gejuich van de Ministerieele partij en geschreeuw van de Oppositie werd de zegepraal der Regeering aangekondigd. Toen kwamen de gewone formaliteiten, en de vergadering begon uiteen te gaan. Beatrice zag de voorzitter van het Lagerhuis en verscheidene Regeeringsleden naar Geoffrey toe komen, hem de hand geven en hem gelukwenschen. Nu keerde zij zich om, na een langen blik op hem geworpen te hebben, en ging heen, in het oogenblik zijner zegepraal, die hem zoo onverschillig scheen te laten, maar die Beatrice in haar hart trotscher maakte dan alsof zij tot keizerin over de geheele wereld verklaard was.

O, het was iets zulk een man te beminnen, een man, die geboren was om zich boven zijn medemenschen te verheffen—en het was goed voor hem te sterven! Mocht zij haar jammerlijk bestaan een hinderpaal laten zijn op zulk een loopbaan als de zijne zou zijn? Nooit, nooit! Om haar zou er geen publiek “schandaal” zijn.

Zij sloeg haar voile neder en vroeg den weg naar den uitgang van de vergaderzaal. Weldra was zij er buiten. In een der portalen en in de schaduw van de pilaren, zag zij de leden van het Lagerhuis haar voorbijgaan. Velen hunner spraken te zamen, en een paar malen ving zij Geoffrey’s naam op, gepaard met zulke woorden als “een uitstekende redevoering,” en dergelijke uitdrukkingen van bewondering.

“Voortloopen, voortloopen,” zeide een politiedienaar. Beatrice lichtte haar voile op, wendde zich om en zag hem aan, waarna hij, [287]iets mompelende, zelf voortliep en haar met rust liet. Nu zag zij Geoffrey en den heer, die zoo vriendelijk jegens haar geweest was, te zamen loopen. Zij kwamen door een zijdeur, en hij ging haar strijkelings voorbij, maar zag haar niet. Zij drong dichter tegen den pilaar aan, en verschool zich in de schaduw. Binnen zes voet van haar af, stond Geoffrey stil, en stak een sigaar op. Het licht van den lucifer scheen op zijn gelaat. Wat zag hij er afgemat uit! Een vurig verlangen om vooruit te treden en hem aan te spreken bestormde haar, maar zij bedwong zich met geweld.

Haar vriend sprak met hem, en over haar.

“Een allerliefste vrouw,” zeide hij, “met een paar grijze oogen, zoo schoon, zoo vol glans, als ik ooit gezien heb! Maar zij is verdwenen als een droom. Ik kan haar nergens vinden. ’t Is een zeer geheimzinnig geval.”

“Ge wordt verliefd, Tom,” antwoordde Geoffrey afgetrokken, terwijl hij den lucifer wegwierp en voortliep. “Doe dat niet; ’t is ongelukkig genoeg het te zijn,” en hij zuchtte.

Hij ging heen. O, Hemel! nimmer zou zij hem wederzien! Een koude huivering overviel Beatrice; haar bloed scheen te stollen. Zij beefde zóó hevig, dat zij zich nauwelijks staande kon houden. Voorovergebogen zag zij hem na, met zulk een bedroefde uitdrukking, dat zelfs de politiedienaar, die berouw had over zijn inschikkelijkheid, en terugkwam om haar weg te jagen, verbaasd stond. De beide mannen waren ongeveer vijf-en-twintig passen ver, toen iets Beatrice’s vriend bewoog even om te zien. Zijn blik viel op het bleek, treurig gelaat, dat nu in het volle licht van de gaslamp stond.

Beatrice zag hem omzien, en begreep haar gevaar. “O, vaarwel, Geoffrey!” ontboezemde zij, voor een oogenblik door de geheimzinnige werking der tusschen hen bestaande zielsverwantschap zijn hart tot zich trekkende. Maar terstond beseffende wat zij gedaan had, sloeg zij haar voile weer neder en ging snel heen. De heer, die “Tom” heette—zijn naam was zij niet te weten gekomen—tuurde in de richting waar hij haar ontdekt had, en op datzelfde [288]oogenblik wankelde Geoffrey alsof hij door een schot getroffen was, verbleekte en bleef stilstaan.

“Daar is die dame weer,” zeide zijn metgezel; “wij moeten haar vlak voorbijgegaan zijn. Zij zag naar ons; ik heb haar gelaat in het gaslicht gezien—en ik kan er mij niet in vergissen.”

Geoffrey greep hem bij den arm. “Waar is zij?” vroeg hij; “en hoe zag zij er uit?”

“Zooeven stond zij daar,” antwoordde hij, naar den pilaar wijzende, “maar nu heb ik haar uit het oog verloren—ik geloof dat zij den kant van het station op is gegaan, maar dat kan ik niet zien. Wacht, is zij dat?” en hij wees den kant van de Abdij op, naar een rijzige gestalte.

Zij liepen snel, om haar in te halen, maar de uitkomst was niet voldoende, en haastig keerden zij van het voorwerp hunner opmerkzaamheid terug.

Intusschen was Beatrice aan de Westminster Bridge gekomen. Daar stond een cab: zij stapte er in, en beval den voerman haar naar Paddington te rijden.

Voordat de twee heeren teruggekeerd waren, was zij weg. “Zij is weer verdwenen,” zeide Tom, en nu gaf hij Geoffrey een beschrijving van haar. Op haar kleeding had hij ongelukkig weinig gelet. Het kon, naar zijn beschrijving, Beatrice’s kleeding zijn, of niet. Het kwam Geoffrey bijna onbegrijpelijk voor dat zij vermomd door Londen zou loopen, onder den naam van mevrouw Everston. En toch—en toch—hij had er op kunnen zweren—maar het was dwaasheid.

Eensklaps wenschte hij zijn vriend goeden nacht en nam een cab. “Het wordt hoe langer hoe geheimzinniger,” zeide de verbaasde Tom, terwijl hij hem zag wegrijden. “Het zou mij wel honderd pond waard zijn, om te weten te komen wat dat alles beteekent.”

Maar hij kwam er nooit iets van te weten, hoewel hij de wanhopige uitdrukking van Beatrice’s oogen bij dien laatsten afscheidsblik, nog menigmaal in zijn slaap zag. [289]

Geoffrey dacht over de zaak na. Het geval, hoe ongerijmd ook, was toch mogelijk. Behalve dat enkele regeltje, tot antwoord op zijn brief, had hij niets van Beatrice vernomen; en eigenlijk verwachtte hij iets van haar te zullen hooren, alvorens verder een stap te doen. Maar gesteld zelfs dat zij in Londen was, waar moest hij haar dan zoeken? Het viel hem in dat er een trein van Euston naar Wales, ’s ochtends te vier uur vertrok. Het was zeer goed mogelijk dat zij in stad was en met dien trein terugkeerde. Hij beval den voerman hem naar het Euston-station te rijden, en daar aangekomen, ondervroeg hij een slaperigen kruier, maar zonder voldoenden uitslag.

Toen zocht hij op het station; daar was geen spoor van Beatrice te zien. Hij deed nog meer; zoo vermoeid als hij was, wachtte hij anderhalf uur totdat het tijd was voor den trein om te vertrekken. Er waren maar drie passagiers, en geen van drieën geleek in ’t allerminst op Beatrice.

“’t Is al zeer vreemd,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij terugliep. “Ik had er op kunnen zweren dat ik een oogenblik haar aanwezigheid gevoelde. Het moet verbeelding geweest zijn. Dat komt er van, als men aan geheime invloeden gelooft. Men heeft er maar last van!”

Was hij maar naar Paddington gegaan!

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.