Wat was er gebeurd? Welke uitwerking had die geweldige knal gehad? Was de schranderheid der vervaardigers van het projectiel beloond? Waren die vier proppen, de waterkussens, de afgedeelde hokjes voldoende geweest om den schok te breken? Dat was de vraag, ook voor de duizenden toeschouwers. Zij vergaten het doel der reis, om alleen aan het lot der reizigers te denken. Hadden zij eens een kijkje in het projectiel kunnen nemen!...
Zij zouden niets gezien hebben, want het was er stikdonker. Maar de aluminium wanden hadden zich uitmuntend gehouden. Geen scheurtje, geen bultje!
Van binnen lag de boel alleen wat overhoop, doch dit beteekende niets. Dat zou zich wel schikken. De personen intusschen lagen voor dood op den grond.
Voor dood? of waarlijk dood? Gelukkig het eerste: eenige minuten later bewoog zich een arm, een hoofd: Michel Ardan lag op zijn knieën.
»Michel Ardan is compleet. Maar de anderen?”
Hij wilde zich oprichten; maar kon niet staan. Zijn hoofd suizebolde, [112]zijn aangezet bloed maakte hem blind, hij was volkomen als iemand die dronken is.
»Precies alsof ik een paar flesschen champagne naar binnen heb geslagen!” mompelde hij. »Nicholl! Barbicane!”
Geen antwoord. Nog eens geroepen. Vruchteloos.
»Verduiveld! ’t Is alsof zij uit een vijfde verdieping op hun hoofd zijn gevallen.”
Langzamerhand kwam hij bij. Toen hij zoo ver was dat hij staan kon, nam hij een lucifer en stak den gasbek aan. De gastoestel had gelukkig niets geleden. Ware dit het geval geweest en gas ontsnapt, dan zou Michel Ardan, zoo hij het althans niet geroken had, met het aansteken van een lucifer een ontploffing hebben veroorzaakt, die het projectiel anders aanpakte dan de 200,000 kilogram schietkatoen.
Toen het licht brandde, zag Michel Ardan zijn reisgenooten voor dood liggen, Nicholl bovenop Barbicane.
Hij schudde Nicholl eens goed heen en weer, die, zoodra hij de oogen opsloeg, hem met zijn gewone koelbloedigheid de hand drukte.
»En Barbicane?” vroeg hij.
»Elk zijn beurt,” antwoordde Michel Ardan bedaard. »Ik ben met u begonnen omdat gij bovenop laagt. Nu is het Barbicane’s beurt.”
Met hun beiden legden zij den voorzitter der Gun-club op den divan. Barbicane had het meest van hun drieën geleden—men zag bloed. Maar ’t bleek, dat dit slechts uit een lichte wond aan den schouder kwam. Toch had hij eenigen tijd noodig om bij te komen.
»Nicholl, zijn wij onderweg?” was het eerste dat hij vroeg.
»Ja—zijn wij op reis?” herhaalde Michel Ardan.
»Of liggen wij nog stillekens op den Floridaschen grond?” vroeg Nicholl.
»Of op den bodem der golf van Mexico?” vroeg Michel Ardan.
»Och kom!” riep Barbicane uit.
Zij konden er niets van zeggen; of het projectiel stil lag of in beweging was, konden zij alleen weten door gemeenschap met de buitenwereld. Het was gissen, meer niet.
Zij luisterden—diepe stilte. Maar daar viel Barbicane’s oog op den thermometer. Nu voelde hij ook een groote hitte; 45° C. teekende het instrument.
»Nu zie ik het, wij snellen voort; deze hitte kan door niets veroorzaakt zijn dan door wrijving tegen de luchtlagen, ’t Zal spoedig beteren, als wij buiten den dampkring der aarde zijn; zoo heet als nu, zoo koud zal het dan wezen.”
»Wat?” vroeg Michel Ardan. »zouden wij zoo spoedig buiten de grenzen van den dampkring der Aarde zijn?”
»Zonder twijfel. Luister. Het is 10 uur 55 min. Wij zijn omtrent [113]10 minuten in de vaart. Als onze aanvankelijke snelheid niet was gebroken door de wrijving, zouden wij in 6 seconden buiten den dampkring geweest zijn.”

De directeur was op zijn post in het Rotsgebergte. Bladz. 103.
[114]
»En hoeveel rekent gij dan wel voor die wrijving?”
»Een derde. Indien wij een aanvankelijke snelheid van 11,000 meter in de seconde hebben gehad, zal zij bij ons verlaten van den dampkring tot 7332 meter zijn ingekrompen. In allen gevalle zijn wij reeds buiten den dampkring en....”
»En—dan is vriend Nicholl zijn beide laatste weddenschappen ook kwijt: 4000 dollar, omdat de Columbiad niet is gesprongen, en 5000 omdat het projectiel hooger is gestegen dan 6 mijlen. Ook op, Nicholl!”
»Eerst zeker zijn en dan betalen, ’t Is zeer goed mogelijk, dat Barbicane gelijk heeft en ik mijn 9000 dollar heb verloren. Maar er is nog één geval mogelijk, en als dat zoo was, is de weddenschap te niet.”
»Welk geval?” vroeg Barbicane levendig.
»Dat door de een of andere oorzaak het stuk niet afgeschoten is en wij nog goed en wel op den bodem van de Columbiad zitten.”
»Dat zou wat moois zijn!” riep Michel Ardan uit. »Hebben wij dan het schot niet gehad? Niet voor dood gelegen? En Barbicane’s schouder dan?”
»Draaf niet zoo door,” merkte Nicholl aan; »hebt gij het schot gehoord?”
»Neen.”
»En gij, Barbicane?”
»Ik ook niet. Hoe mag dat komen? Daar begrijp ik niets van. Het projectiel is in de vaart, dus zou men het schot hebben moeten hooren afgaan. Maar kom, wij willen eens onderzoeken hoe het er meê zit.”
De sluitklep van een der lichtglazen werd losgeschroefd; van een tweede, van een derde. Nu konden zij naar alle richtingen zien, voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts.
Barbicane en zijn tochtgenooten legden een oog aan de glazen—stikdonker!
»Wij zijn in de hemelruimte!” riep de voorzitter der Gun-club uit. »Ziet maar eens de sterren.”
»Bravo!” riepen de beide anderen.
’t Was zoo: de dikke duisternis onder hen bewees, dat zij de aarde hadden verlaten, anders hadden zij het maanlicht op den grond moeten zien schijnen.
»Verloren,” zei Nicholl.
»Ik wensch u geluk,” antwoordde Ardan.
»Ziehier 9000 dollar,” zei de kapitein, de bankbiljetten uit zijn zak halend.
»Wilt gij een reçu?”
»Asjeblieft,” sprak Nicholl, »dat is ordelijker.”
Barbicane nam bedaard een blad uit zijn zakboekje; met potlood [115]schreef en onderteekende hij de kwitantie en gaf haar aan den kapitein. Deze legde haar zorgvuldig in zijne brieventasch.
Het kijken door de lensglazen werd hervat. Aan alle zijden schitterden de sterren als fijne punten op een pikzwarten grond.
»Waar zit toch de Maan?” vroeg Ardan.
Barbicane merkte aan, dat men haar aan de drie zijden niet zien kon en dus de vierde lens moest opengeschroefd worden. Het geschiedde.
Maar wat zagen ze nu? Een zeer groote schijf, welker omvang zich niet liet bepalen. Naar de zijde der Aarde was zij hel verlicht. Men zou gezegd hebben, dat een kleine maan het licht der groote terugkaatste. Het voorwerp had een groote snelheid en scheen een kring om de Aarde te beschrijven, die de baan van het projectiel sneed, terwijl het tevens een omwenteling om zijn as beschreef.
»Wat is dat voor een ding?” vroeg Michel Ardan; »een ander projectiel?”
Barbicane gaf geen antwoord. De verschijning van dat hemellichaam verraste en beangstigde hem. Een botsing was mogelijk, en deze kon de treurigste gevolgen hebben, ’t zij het projectiel zijwaarts van zijn baan werd getrokken, ’t zij het onder de macht der aantrekking van dat hemellichaam geraakte.
De voorzitter was nog bezig over het een en ander na te denken, toen ten gevolge van een gezichtsbedrog het projectiel op de lichtende schijf scheen te vallen.
»Alle duivels!” schreeuwde Michel Ardan, »de beide treinen zullen op elkander botsen.
Instinctmatig waren de reizigers achteruit geweken. Zij waren hevig beangst; maar dat duurde niet lang, nauwelijks eenige seconden. Het hemellichaam schoot op eenige honderden meters voorbij het projectiel en verdween, niet zoozeer door de snelheid van zijn loop, als omdat het zich van de Maan af bewoog en dus door haar niet meer werd beschenen.
»Goede reis!” riep Michel Ardan uit. »Het heelal is waarachtig toch groot genoeg, dat er een arm schilderhuisje als het onze wel vrij doorheen kan zwieren! Moest zoo’n verwaand ding ons hier met een stoot komen bedreigen!”
»Ik weet wat het is,” zei Barbicane.
»Drommels, gij weet alles.”
»’t Is,” legde de voorzitter uit, »een eenvoudige vuurbol, maar een groote, door de aantrekkingskracht der Aarde tot haar wachter gemaakt.”
»Is ’t mogelijk!” riep Michel Ardan uit. »Heeft dan de Aarde twee manen, zooals de planeet Neptunus?”
»Zeker, mijn vriend, hoewel zij den naam heeft van er slechts éen [116]te bezitten. Maar deze tweede maan is zoo klein en haar loop is zoo snel, dat de aardbewoners haar niet kunnen zien. Haar bestaan is door een Fransch sterrenkundige, Petit, uit de berekening harer elementen afgeleid. Volgens zijn waarnemingen moet die bol zijn omloop om de aarde volbrengen in 3 uur 20 minuten, wat een verbazende snelheid onderstelt.”
»Zijn alle sterrenkundigen het eens aangaande het bestaan van dien tweeden wachter der Aarde?” vroeg Nicholl.
»Neen,” antwoordde Barbicane, »maar indien zij als wij, hem hadden waargenomen, zouden zij er niet aan twijfelen. Als ik mij niet vergis, zal het ontmoeten van dat maantje ons een middel aan de hand geven om te bepalen wáár wij in de wijde wereld zijn.”
»Hoe dat?” vroeg Michel Ardan.
»Omdat men weet hoever die wachter van de Aarde verwijderd is: 8140 kilometers.”
»Dat kan wel,” meende Nicholl, op zijn chronometer ziende, »het is 11 uur, en wij hebben Florida 13 minuten geleden verlaten.”
»Pas 13 minuten?” vroeg Barbicane.
»Zeker,” antwoordde Nicholl, »en indien wij onze eerste snelheid van 11 kilometer hadden behouden, zouden wij reeds 143 kilometer ver zijn.”
»Dat is nu alles goed en wel, mijne vrienden,” sprak de voorzitter, »maar éen ding is nog niet opgehelderd: waarom wij den knal van het afgaan van het schot niet gehoord hebben.”
Daar niemand het kon zeggen, kwijnde het gesprek, zoodat de reizigers al den tijd hadden zich door een hunner glazen te verdiepen in het beschouwen van den onvergelijkelijk helderen glans der Maan, die als een platina spiegel boven hun hoofden schitterde, met al haar bergen, vlakten en dalen. De Aarde, die onder hun voeten wegweek, hadden zij reeds geheel vergeten. Kapitein Nicholl was de eerste die er hen aan deed denken.
»Zeker,” vond Michel Ardan, »wij moeten haar niet ondankbaar vergeten. Ik moet nog een kijkje van haar nemen eer zij verdwijnt.”
Barbicane verwijderde de boven beschreven schijf en ontschroefde het deksel van het glas in den bodem van het projectiel, zoodat zij door een lens van 15 centimeter dikte het gezicht naar buiten hadden.
»Daar staat de Aarde,” zei Barbicane.
»Dat ding? Die zilverkleurige afgeknipte nagel?”
»Wacht maar. Over een dag of vier is het Volle maan en bijgevolg Nieuwe aarde. Zij zal dan eenige dagen in dikke duisternis gehuld zijn.”

en stak den gasbek aan. Bladz. 112.
En zoo was het ook. De Aarde scheen een groote sikkel, blauwachtig van kleur door de weerkaatsing van den dampkring. Een lichte stip hier en daar in het donker gedeelte der schijf toonde [117]hooge bergen; somwijlen werden die bergtoppen bedekt door dichte nevels, hetgeen met de maanbergen nimmer het geval is. Het donker gedeelte der aardschijf had een aschgrauw licht, maar minder [118]duidelijk dan zooals wij de Maan zien. De reden daarvan is gemakkelijk te begrijpen. Het aschgrauwe licht op de Maan is een weerkaatsing van het op haar vallende en naar de Aarde terugkaatsende licht der nachtvorstin. En daar nu de Aarde ten gevolge van haar meerdere groote omtrent 13 maal meer licht afgeeft dan de Maan, volgt daaruit dat het licht, hetwelk de Maan aan de Aarde toezendt, ook zooveel zwakker zijn moet.
Opeens schoot een hoop vallende sterren hen voorbij. Honderden vuurbollen lieten vurige staarten achter. Van de Aarde gezien, is in dien tijd des jaars het aantal vallende sterren ook soms zeer aanzienlijk en men heeft er naar berekening tot 24,000 in een uur waargenomen. Michel Ardan echter verklaarde het verschijnsel anders. Naar zijn gevoelen staken de aardbewoners ter eere van drie hunner broeders een allerprachtigst vuurwerk af.
De drie gebroeders kregen vaak en besloten zich ter ruste te leggen. Nauwelijks echter hadden zij den slaap gevat, of Barbicane maakte de anderen wakker met een luiden schreeuw; »Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!”
»Wat?” riep Michel Ardan, het hoofd opheffende.
»Hoe het komt dat wij het stuk niet hebben hooren afgaan.”
»En dat is?” vroeg Nicholl.
»Omdat ons projectiel grooter snelheid had dan het geluid.”
[Inhoud]