Na deze doodeenvoudige verklaring te hebben vernomen, waren de drie vrienden in een diepen slaap gevallen. En waar zouden zij ook rustiger hebben kunnen sluimeren? Op aarde is het overal minder kalm, in de huizen der steden, in de hutten op het land; hier de koude, ginds de warmte; hier de menschen, daar het gedierte—van alles dat uit den slaap houdt. Zelfs in een ballon, ver van de onrust der Aarde, wordt men gekweld door het geplaag der verschillende luchtlagen. Maar zij, goed verzorgd in hun projectiel, [119]zweefden te midden eener diepe stilte in de onbegrensde hemelruimte—waar kon men beter zijn?
De vrienden zouden dan ook misschien wel—wie weet hoe lang—geslapen hebben, indien zij niet door een ongewoon gedruisch waren gewekt geworden, toen het, in den morgen van 2 December 7 uur was, acht uren na hun vertrek.
»Wat is dat?” vroeg Barbicane.
»De honden,” zei Michel Ardan, zich de oogen uitwrijvende.
»Zij zullen honger hebben,” meende Nicholl.
»Drommels,” merkte Michel Ardan aan, »wij hebben de arme dieren vergeten.”
Zij zochten en vonden eindelijk den eenen hond onder een divan gekropen. Verschrikt en versuft door den schok, had hij zich in dien hoek verscholen, totdat de honger en de stem van zijn meester hem te voorschijn deed komen.
Het was de beminnelijke Diana, die bevende uit haar schuilhoek kwam kruipen. Michel Ardan lokte het dier tot zich met de zoetste woordjes.
»Kom Diaantje, kom mijn beestje! Kom Evaatje! Wie weet of je niet bestemd zijt de stammoeder te worden van een maanhondengeslacht. Kom hier bij den baas!”
De hond kroop naar Michel Ardan toe en jankte.
»Goed en wel!” sprak Barbicane, »ik zie Eva wel, maar waar is Adam?”
»Adam,” antwoordde Michel Ardan, »zal zoo heel ver niet zijn. We zullen hem roepen.”
»Kom Wachter... Wachter, Wachter! Pst!”
Maar Wachter liet zich niet zien. Diana bleef voortjanken. Bij onderzoek bleek, dat de hond niet gekwetst was; Michel Ardan gaf het dier een lekker kluifje.
Wachter was nergens te vinden. Zij zochten en zochten in hoeken en gaten; eindelijk vonden zij hem in een verscholen hoek, ergens boven in het projectiel. Het beest bevond zich kennelijk in een treurigen toestand.
»’t Ziet er niet naar uit, er maanhonden van te maken!” schertste Michel Ardan.
Voorzichtig namen zij den hond op. Zijn kop was tegen de zoldering geslagen en die slag scheen zoo goed als doodelijk te zijn geweest. Doch de vrienden beproefden hem op een kussen te leggen, waar het arme dier een diepen zucht slaakte.
»Wij zullen je goed verzorgen,” zei Michel Ardan. »Wij zijn verantwoordelijk voor je leven. Ik was liever een arm kwijt dan dat mijn arme Wachter een poot moest missen.”
Dit zeggende gaf hij den hond een kom water; het dier dronk gretig. [120]
Daarop vestigden onze reizigers hun oogen op de aarde en de Maan. De aarde was een schijf met aschgrauw licht, aan de eene zijde een lichtende sikkel; de maan daarentegen was bijna geheel verlicht.
»Sakkerloot!” riep Michel Ardan, »het spijt me geweldig, dat wij niet vertrokken zijn bij Volle aarde, dat wil zeggen, toen onze aardbol tegenover de zon stond.”
»Waarom?” vroeg Nicholl.
»Omdat wij dan het licht anders zouden hebben zien vallen op onze vaste landen en onze zeeën. En dan zouden we ook de beide polen gezien hebben, tot welke het menschelijk oog nooit is doorgedrongen.”
»Ongetwijfeld,” antwoordde Barbicane, »maar als de Aarde Vol was geweest, zou de maan Nieuw geweest zijn en dus onzichtbaar. En dan is het toch beter dat het punt waarheen wij gaan verlicht is, dan dat van waar wij zijn vertrokken.”
»Gij hebt gelijk, Barbicane,” antwoordde kapitein Nicholl, »en bovendien—wanneer wij de maan bereikt hebben, zullen wij in de lange maannachten tijd in overvloed hebben om uit te zien naar dien wereldbol, waarop onze gelijken dooreen krioelen.”
»Onze gelijken!” riep Michel Ardan uit. »Onze gelijken—dat zijn zij nu niet meer dan de maanbewoners. Wij bewonen een wereld op ons eigen handje, het projectiel, en wij zijn met ons drieën! Ik ben zoo goed als Barbicane en Barbicane is zoo goed als Nicholl. Wij hebben met het geheele heelal niets meer te maken en zijn de eenige bewoners van dit poppenwereldje, totdat wij maanbewoners zullen worden.”
»In omtrent 24 uren,” merkte de kapitein aan.
»Dat wil zeggen?” vroeg Michel Ardan.
»Dat wil zeggen, dat het half negen is,” antwoordde Nicholl.
»Welnu,” zei Michel Ardan, »ik kan onmogelijk zelfs een schijn van reden vinden om niet oogenblikkelijk te ontbijten.”
En inderdaad, de bewoners van het nieuwe hemellichaampje konden er niet leven zonder eten, en hun maag ondervond op dat oogenblik de onweerstaanbare macht van den honger. Michel Ardan verklaarde zich als Franschman voor opperhofmeester, naar welke bediening niemand zich als mededinger opwierp. Het gas gaf hitte genoeg om de spijzen gereed te maken en de koffer met mondbehoeften leverde het benoodigde voor den eersten maaltijd.
Zij begonnen met uitmuntende soep, vervaardigd van Liebigkoekjes met beste Julienne. De Liebigjes waren gemaakt van het beste rundvee uit den Pampas. Zij waren, benevens de Julienne-groenten, begoten met kokend water, waartoe de gasbek zijn diensten had geleend. Op die soep volgde onberispelijke biefstuk, zoo malsch als ooit in de beste restauratie is opgedischt. Schoon die biefstuk onder [121]de waterpers was geweest om gecondenseerd te worden, beweerde Michel Ardan met zijn levendige verbeelding, dat het bloed er nog uitliep.

Met hun beiden legden zij den voorzitter op den divan. Bladz. 112.
[122]
De groenten uit de bussen waren volgens zijn bewering nog verscher dan zoo van de groenvrouw, terwijl een kop thee met een dun boterhammetje op Amerikaansche wijs den maaltijd besloot. En dat de thee bijzonder geurig was, is niet te verwonderen; de keizer van Rusland had eenige kistjes van zijn eigen karavanenthee ter beschikking van de reizigers gesteld.
Eindelijk ontkurkte Michel Ardan een fijne flesch Bourgogne, »toevallig” in een hoekje gevonden. De drie vrienden dronken haar ledig op het welzijn van de Aarde en haren wachter.
En als rekende de zon het niet genoeg het hare te hebben gedaan door de druiven voor die flesch langs de heuvelen van Bourgondië te hebben gestoofd met haar stralen, bracht zij nog iets bij tot opluistering van dezen maaltijd. Het projectiel trad op dat oogenblik uit den schaduwkegel achter den aardbol, zoodat de stralen der zon onmiddellijk op den bodem van de aluminium woning vielen met den hoek, dien de baan der Maan maakt met die der Aarde.
»De zon!” riep Michel Ardan.
»Zeker,” antwoordde Barbicane doodbedaard, »ik verwachtte haar.”
»Maar,” merkte Michel Ardan op, »de schaduwkegel, dien de Aarde aan haar van de zon afgekeerde zijde achter zich werpt, strekt zich toch uit voorbij de Maan.”
»Ver zelfs, indien men de straalbreking van den dampkring der Aarde niet in rekening brengt,” onderrichtte Barbicane. »Maar wanneer de maan in die schaduw gedompeld is, heeft het verschijnsel plaats, dat de drie hemellichamen: zon, aarde en maan, in een rechte lijn staan. De punten waar de baan der Maan die der Aarde snijdt, heeten knoopen. Wanneer nu de maan in of zeer nabij een van haar knoopen staat, tijdens zij nieuw of Vol is, heeft er voor de aarde een eclips plaats, en wel een zon-eclips, indien de maan Nieuw is of tusschen de zon en de aarde staat; een maan-eclips indien de aarde tusschen de zon en de maan staat en de maan alzoo, gelijk men het noemt, Vol is. Indien wij tijdens een maaneclips vertrokken waren, zou onze geheele reis in de schaduw gebeurd zijn, en dat ware treurig.”
»Waarom?”
»Omdat, hoewel wij in de ledige hemelruimte zweven, ons projectiel, zich badende in de stralen der Zon, van haar licht en warmte ontvangt. Wij sparen daarmede gas uit, en dat is ons veel waard.”
Inderdaad—onder den invloed dezer stralen, niet verborgen of getemperd door eenigen dampkring, werd het projectiel zoo verwarmd en verlicht alsof het ineens van den winter in den zomer kwam. De maan van boven, de zon van onder—licht en warmte genoeg. [123]
»Het gaat hier goed,” merkte Nicholl aan.
»’k Geloof het wel!” riep Michel Ardan uit. »Als wij maar een weinigje Aardsche aarde op ons aluminium planeetje konden uitstrooien, wed ik dat wij in 24 uren doperwten kweekten. Ik ben maar voor één ding bang: dat de wanden zullen gaan smelten.”
»Wees niet bezorgd, mijn waarde vriend,” stelde Barbicane hem gerust, »het projectiel heeft wel een andere hitte doorgestaan toen het door de lagen van den dampkring der Aarde schoot. Het zou mij zelfs niet verwonderen indien het zich aan de oogen der bewoners van Florida voordeed als een gloeiende bol.”
»Maar dan zal Maston denken, dat wij gebraden worden?”
»’t Verwondert mij genoeg, dat dit al niet lang gebeurd is,” meende Barbicane. »Het is een gevaar, dat wij verzuimd hebben te voorzien.”
»Ik was er wel bang voor,” antwoordde Nicholl droogjes.
»En gij hebt ons daar niets van gezegd, mijnheer de kapitein!” riep Michel Ardan uit.
Onder dit gesprek bracht Barbicane alles in het vertrekje zoo in orde alsof hij het nimmer dacht te verlaten. Men herinnert zich dat het op den bodem een oppervlakte had van 54 vierkante voeten. Daar het 12 voet binnenwerks hoog was, had men geen last van de instrumenten en andere voorwerpen. Alles had zijn plaats en was uit den weg. Ook het glas in den bodem was sterk genoeg om een zwaar voorwerp te dragen. Barbicane en zijn vrienden stonden er dan ook gerust op; maar de zon scheen er onmiddellijk op en dat gaf zonderlinge luchtverschijnselen.
Zij begonnen met het nazien van den waterhouder en de kist met levensmiddelen. Deze hadden niets geleden, zoo goed was alles verzorgd tegen den schok. Levensmiddelen waren er in overvloed: voor een jaar met hun drieën. Barbicane had zich willen voorbereiden op het geval, dat het projectiel eens op een volkomen onvruchtbaar gedeelte der maan zou terechtkomen. Groot behoefde evenwel, naar ’t scheen, de vrees daarvoor niet te zijn, want volgens de laatste waarnemingen heeft de maan een wel lagen, maar dikken dampkring, ten minste in de dalen, zoodat daar beken en bronnen niet konden ontbreken. En daar nu ook voor twee maanden water en brandewijn »aan boord” was, behoefden de reizigers vooreerst niet beducht te zijn dat zij aan het noodige gebrek zouden krijgen.
Maar nu nog de luchtverversching. Doch ook daaromtrent alle zekerheid. De toestel van Reiset en Regnaut tot het voortbrengen van zuurstof was voorzien van potasch-chloraat voor twee maanden. Noodwendig werd een zekere hoeveelheid gas verbruikt, want het moest de voortbrengende zelfstandigheid boven de 40° houden. Maar ook daarvan was voorraad genoeg. De toestel eischte slechts eenig [124]toezicht, maar werkte overigens van zelf. Op die temperatuur gaf het potasch-chloraat, overgaande in chlorium van potasch, al zijn zuurstof af. En wat gaven 9 kilo potasch-chloraat? De 3½ kilo zuurstof, die dagelijks voor de bewoners van het projectiel noodig waren.
Maar ’t was niet genoeg de verbruikte zuurstof te vernieuwen, het koolzuur, door de uitademing ontstaan, moest ook onschadelijk gemaakt worden. Sedert een twaalftal uren nu was de lucht in het vertrekje tot dien trap met dit doodelijk gas bezwangerd, dat het zich reeds aan Diana’s ademhaling deed bemerken. Trouwens het koolzuur zakte—een verschijnsel dat ook in de befaamde Hondsgrot wordt waargenomen—naar den bodem: een gevolg van zijn zwaarte. De arme Diana, die zooveel lager bij den grond ademde, moest er dus eer last van hebben dan de mannen met hun opgerichte hoofden. Maar kapitein Nicholl haastte zich in deze ongelegenheid te voorzien. Hij plaatste op den bodem van het projectiel onderscheidene brand-potasch-houders, die hij eenigen tijd in werking bracht; deze zelfstandigheid, zeer gretig het koolzuur opnemende, zuiverde alzoo de lucht volkomen.
Thans was de beurt aan de instrumenten. De thermometers en barometers waren ongedeerd gebleven, behalve één thermometertje waarvan de buis gebroken was. Een uitmuntende ronde barometer werd aan den wand opgehangen. Natuurlijk kon hij niets teekenen dan de luchtdrukking in het projectiel. Maar hij teekende ook de hoeveelheid aanwezigen waterdamp. Op dat oogenblik wankelde de naald tusschen 765 en 760 millim.—»Schoon weder.”
Barbicane had ook eenige kompassen medegenomen; zij waren insgelijks volkomen in orde. Men begrijpt, dat onder de bestaande omstandigheden de naald werkeloos was. Trouwens, op den afstand dien het projectiel van de Aarde had, kon de magnetische pool geen merkbare werking uitoefenen op het kompas. Maar als deze kompassen eenmaal op de Maan waren overgebracht, zouden zij misschien merkwaardige verschijnselen vertoonen. In allen gevalle was het belangrijk na te gaan of de wachter der Aarde insgelijks aan den invloed van het magnetisme onderworpen was.
Een hoogtemeter tot het bepalen van de hoogte der maanbergen; een sextant om de zon schieten; een theodoliet voor hoekmetingen; kijkers, die vooral bij het naderen der maan veel dienst zouden bewijzen—al die instrumenten werden met zorg nagezien en goed gevonden, in weerwil van den stoot bij het afschieten van de Columbiad.

De Aarde scheen een groote sikkel. (Bladz. 116.)
Wat gereedschappen, houweelen en dergelijken betreft, Nicholl had er bijzonder veel werk van gemaakt; de zakjes met verschillende zaden, benevens de heesters die Michel Ardan in de maangronden dacht te planten, dat alles was op zijn plaats boven in het projectiel, waar de weelderige Franschman een soort van zolder had [125]ingericht, dien hij met allerlei voorwerpen had opgevuld. Wat het zoo al was kon men niet nagaan, en hij zelf liet er zich niet over uit. Van tijd tot tijd klom hij langs krammen in den wand geslagen [126]naar dat wijkplaatsje, om er te schikken en in eenige geheimzinnige doosjes te snuffelen, waarbij hij zoo valsch mogelijk een Fransch liedje zong.
Barbicane zag met welgevallen dat zijn vuurpijlen en andere vuurwerken niet beschadigd waren. Zij waren zwaar geladen en moesten den val breken van het projectiel, wanneer het, nadat de aantrekking der Aarde door die van de Maan zou vervangen zijn, op de laatste zou gaan vallen. Ondertusschen zou die val zes maal minder snelheid hebben dan die naar de oppervlakte der Aarde, daar de Maan zooveel minder stofhoeveelheid bezit.
Alles samengenomen, was er dus alle reden tot tevredenheid. Zij konden dan ook op hun gemak naar buiten gluren.
Geen verandering. Naar alle zijden sterren, en weder sterren, en niets dan sterren; alleen aan één kant de zon, aan den mond van een vurigen oven gelijk, zich zonder lichtkrans scherp afteekenend op den zwarten achtergrond des hemels. Aan den anderen kant de Maan, onbeweeglijk stil staande te spiegelen te midden van talrijke sterren. Voorts een vrij groote ronde vlek met een zilverachtige franje omzet; het was de Aarde. Hier en daar waren nevelachtige vlokken door de ruimte verspreid, en van het toppunt naar het voetpunt liep een onmetelijke ring, uit sterren als stofgoud bestaande, de melkweg, waarin de zon slechts een sterretje van de vierde grootte is.
Onze vrienden konden zich aan dit onbeschrijfelijk schoon schouwspel niet verzadigen. Welk een rijke stof tot opmerkingen! Welke onbekende gewaarwordingen wekte het in hun geest? Barbicane wilde zijn reisverhaal onder deze indrukken aanvangen; hij teekende van uur tot uur alles op wat hem ’t meest waardig scheen. Het ging alles met groote letters en in een stijl, die min of meer den koopman verried.
Inmiddels maakte Nicholl zijn berekeningen en cijferde met onbegrijpelijke vlugheid. Michel Ardan koutte, nu met Barbicane, die hem bijna niet antwoordde; dan met Nicholl, die hem niet verstond; op een anderen tijd met Diana, die hem niet begreep; eindelijk met zichzelven, die er zich bij verveelde. Maar hij was en bleef de levendige, praatzieke Franschman.
De dag, of liever—want de uitdrukking is niet nauwkeurig—een twaalftal uren, naar de Aarde gerekend, eindigde met een fijnen avondmaaltijd. De reizigers lieten zich dien wel smaken en eindigden met in slaap te vallen en zich in de hemelruimte met steeds afnemende snelheid te laten voortdrijven. [127]
[Inhoud]