De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren (Dutch) Chapter 31

Den 4den December bleek aan den chronometer, dat het op Stone’s Hill 5 uur in den morgen was toen de vrienden ontwaakten, na 54 uren reis. Naar den tijd gerekend, waren zij slechts 5 uren 20 minuten over de helft van hun verblijf in het projectiel; maar naar den afstand was bijna 7/10 der reis afgelegd—een gevolg van het regelmatig afnemen hunner snelheid.

Toen zij door het benedenste glas naar de Aarde keken, scheen hun deze niet meer dan een duistere vlek, te midden der zonnestralen. Van sikkel of aschgrauw licht was niets meer te bespeuren. Den volgenden middernacht was de aarde Nieuw, de maan Vol. Boven hen scheen deze meer en meer te naderen, als om hen te bestemder ure te ontvangen. Overigens niets dan de zwarte [132]achtergrond der ruimte, bezaaid met sterren, die zich langzaam schenen te bewegen. Van betrekkelijke grootte waren zij niet merkbaar veranderd. Zon en sterren hadden hetzelfde voorkomen als van de aarde gezien. De Maan was aanmerkelijk grooter; maar de kijkers van onze reizigers waren niet krachtig genoeg om gelegenheid te geven tot bruikbare waarnemingen of iets aangaande haar oppervlakte te doen kennen.

Aan gesprek ontbrak het hun niet. De maan was het voorname onderwerp van hun gekout. Ieder zei er het zijne van; Barbicane en Nicholl altijd in ernst. Michel Ardan altijd luchtig en kluchtig. Het projectiel, de richting, de snelheid, de ongevallen die zouden kunnen plaats hebben, de voorzorgen te nemen bij het nederdalen op de Maan—dat alles leverde onuitputtelijke stof.

Een voorbeeld. Michel Ardan wilde weten wat er op loopen zou, indien het projectiel eens plotseling in zijn vaart was gestuit, terwijl het zijn eerste snelheid nog had.

»Maar ik begrijp niet waardoor het projectiel zou hebben kunnen gestuit worden,” zei Barbicane.

»’t Is maar een onderstelling,” antwoordde Michel Ardan.

»Een onmogelijke,” meende Barbicane, »namelijk indien de snelheid zelf niet weggevallen ware. Maar die snelheid moest langzamerhand afnemen en zou niet plotseling gestuit zijn.”

»Aangenomen dat het projectiel tegen een of ander lichaam in de hemelruimte stuitte.”

»Welk?”

»Den grooten vuurbol dien wij ontmoet hebben.”

Nicholl meende, dat in dit geval het projectiel in duizend stukken zou gesprongen zijn.

»Wij zouden levend verbrand zijn,” voegde Barbicane er ernstig bij.

»Verbrand,” sprak Michel Ardan, »’t is jammer; dat zou mooi zijn geweest om te zien.”

»En gij zoudt het gezien hebben,” antwoordde Barbicane. »Men weet nu, dat warmte niets anders is dan een wijziging van beweging. Wanneer men water verhit, dat wil zeggen: wanneer men warmtestof bij water voegt, beteekent dit, dat men beweging geeft aan de stofdeeltjes waaruit het water bestaat.”

»Zeer fraai!” merkte Michel Ardan aan.

»Niet alleen fraai, maar ook juist, mijn vriend, want dit verklaart alle warmteverschijnselen. De warmte is niets dan een beweging der stofdeeltjes, een eenvoudige slingering dier deeltjes. Wanneer men in een plank een gat boort, wordt de boor verhit: waardoor? Door beweging. Waarom smeert men de assen van rij- en voertuigen? Om te beletten dat zij te zeer verhit worden.”

»Als ik het dan wel begrijp,” sprak Michel Ardan met gemaakten ernst, »hoe komt het dan dat ik moet stilhouden, wanneer ik lang [133]geloopen heb en dat het zweet mij van het voorhoofd druipt? Eenvoudig omdat mijn beweging in warmte is veranderd.”

Mijn kop staat er van in brand. Bladz. 128.

Mijn kop staat er van in brand. Bladz. 128.

Barbicane liet zich door dezen kwinkslag niet van zijn stuk [134]brengen. Hij ging voort: »In geval van een botsing zou ons projectiel, bij de verandering van beweging in warmte, door dien hevigen schok dermate zijn verhit geworden, dat het geheel gesmolten, ja verdampt ware.”

»Maar,” voegde Nicholl er bij, »wat zou dan wel gebeuren indien de aarde eens plotseling in haren omloop om de zon werd gestuit?”

»Zoo verhit,” antwoordde Barbicane, »dat alles in damp zou opgaan.”

Michel Ardan was van oordeel, dat deze wijze van een einde aan de wereld te maken al zeer eenvoudig was.

»En als de aarde op de zon viel?” vroeg Nicholl.

»Volgens de berekeningen,” antwoordde Barbicane, »zou die val een hitte ontwikkelen als van 1600 kolenbollen zoo groot als de aarde.”

»Een aardig buitenkansje aan warmte voor de zon,” verklaarde Michel Ardan, en ook voor Uranus en Neptunus, want daar moeten de lui wel sterven van koude.”

»Derhalve,” merkte Barbicane op, »geeft elke hevige beweging een verhooging van hitte. En dit leidt tot de onderstelling dat de hitte der zon wordt onderhouden door zwermen vuurbollen, die onophoudelijk op de zon vallen. Men heeft zelfs berekend....”

»Pas op,” liet Michel Ardan zich hooren, »daar komen de cijfers.”

Barbicane liet zich door dezen uitval niet uit den zadel lichten, maar ging voort: »Men heeft zelfs berekend, dat de schok door elken vuurbol op de zon veroorzaakt, een hitte moet voortbrengen, zooals een 4000 maal grootere hoeveelheid steenkolen geven zou.”

»En hoe groot is de hitte der zon?” vroeg Michel Ardan.

»Ze is gelijk aan die, welke zou worden ontwikkeld door een laag gloeiende kolen om de zon ter dikte van 27 kilometer.”

»En die hitte?”

»Die hitte zou ieder uur 2900 millioen kubiek myriameter water doen koken.”

»En toch verbrandt die hitte ons niet?”

»Neen, dewijl de dampkring der aarde 2/5 van de hitte der zon opslorpt. Overigens bedraagt de hoeveelheid zonnehitte die door de aarde wordt opgevangen, slechts een twee milliardste gedeelte der geheele uitstraling.”

»Ik zie wel,” antwoordde Michel Ardan, »dat alles in den haak is; de dampkring is een nuttige uitvinding, want zij geeft ons niet alleen gelegenheid om te ademen, maar belet ook dat wij aan de kook raken.”

»Jammer maar,” voegde Nicholl er bij, »dat het op de Maan zoo niet zijn zal.” [135]

»Kom, kom,” zei Michel Ardan, »als er bewoners zijn, halen zij adem. Als zij er zijn, zullen zij wel voor drie man meer zuurstof te missen hebben, al was het in de diepten waar deze door de zwaarte zal zijn opeengehoopt. Welnu, wij zullen dan niet over de bergen klauteren; dat is alles!”

Michel Ardan stond op en bekeek de schitterende maanschijf.

»Verduiveld!” riep hij uit. »Wat moet het daar heet zijn!”

»En reken dan nog eens er bij,” liet Nicholl volgen, »dat de dag daar 360 uren duurt.”

»Daartegenover staat,” sprak Barbicane, »een nacht van gelijken duur, en daar de warmte door terugkaatsing wordt teruggegeven, moet de temperatuur gelijkstaan met die der hemelruimte.

»Een aardig landje!” sprak Michel Ardan. »Maar dat maakt niets uit! Ik wenschte maar dat ik er was. ’t Zal grappig zijn de Aarde tot wachter te hebben en als zij opgestaan is te kunnen zeggen: daar heb je Amerika, en daar Europa! En haar dan na te oogen als zij verdwijnt in de stralen der zon! Maar zeg eens, Barbicane, zien de maanbewoners ook eclipsen?”

»Ja,” was het antwoord, »zon-eclipsen wanneer de middelpunten van zon, aarde en maan zoo in een rechte lijn staan, dat de Aarde zich in het midden bevindt. Maar het zijn slechts ringvormige eclipsen, in welke de Aarde bij wijze van een vuurscherm vóór de zon geplaatst is, en slechts een klein gedeelte van de zonneschijf bedekt.”

»En waarom geen totale eclips?” vroeg Nicholl. »Strekt de schaduwkegel der Aarde zich dan niet uit voorbij de Maan?”

»Gewis, indien men de straalbuiging, veroorzaakt door den dampkring der aarde, buiten rekening laat. Neen, indien men die straalbuiging in aanmerking neemt. Stellen wij de horizontale parallaxis = p, de schijnbare halve middellijn = m....”

»Al genoeg van dat »stellen” en »gelijk!””

»In gewone menschentaal dan! schoon de middelbare afstand tusschen de maan en de aarde 60 stralen der aarde bedraagt, is de lengte van den schaduwkegel tengevolge der straalbreking beneden de 42 stralen. Daaruit volgt dus, dat tijdens een eclips de maan zich bevindt buiten den zuiveren schaduwkegel, en dat de zon haar tot zelfs de stralen van haar middelpunt toezend.”

»En waarom,” vroeg Michel Ardan niet zonder ruwheid in zijn toon, »is er dan eclips, als er geen zijn moet!”

»Alleen dewijl deze zonnestralen verzwakt zijn door de straalbreking, terwijl de dampkring der Aarde, door welken zij heen gaan er het grootste getal van uitdooft.”

»Dat gaat goed op,” vond Michel Ardan; »overigens zullen wij het wel zien als wij er zijn.”

»Zeg eens, Barbicane, gelooft gij dat de maan een oude komeet [136]is!” Bij deze vraag voegde Nicholl nog de opmerking dat volgens getuigenis der Ouden de Arkadiërs beweerden, dat hunne voorouders de aarde hadden bewoond eer de maan haar wachter was geworden. Daarvan uitgaande, hebben sommige geleerden de Maan gehouden voor een voormalige komeet, welker loopbaan eenmaal zoo nabij de Aarde zal komen, dat de aantrekking van deze haar doet nedervallen.”

»Niets daarvan,” antwoordde Barbicane: »dit blijkt hieruit, dat de maan geen spoor heeft overgehouden van dat nevelomkleedsel waarin de kometen altijd gehuld zijn.”

»Maar zou,” vroeg Nicholl weder, »de maan, eer zij wachter der aarde geworden is, in het punt harer zonsnabijheid niet dicht genoeg voorbij de zon hebben kunnen vliegen om daar door uitdamping haar geheel nevelkleed achter te laten?”

»Dat zou kunnen, vriend Nicholl, maar waarschijnlijk is het niet.”

»Waarom niet?”

»Omdat .... ik weet het niet.”

»Met dat: ik weet het niet! zou men honderden boekdeelen kunnen vullen,” merkte Michel Ardan aan.

»Hoe laat is het?” vroeg Barbicane.

»Drie uur,” antwoordde Nicholl.

»Wat vliegt de tijd toch om,” merkte Michel Ardan op, »in het gesprek met zulke geleerden als gij zijt! Waarachtig, ik leer veel!”

Bij deze woorden sprong Michel Ardan bijna tegen de zoldering van het projectiel, zooals hij zeide om beter de maan te kunnen zien. De anderen zwegen een oogenblik.

Michel Ardan keek door een der zijraampjes en uitte een kreet van verbazing.

»Wat is er?” vroeg Barbicane.

De voorzitter der Gun-club naderde het glas ook en zag een soort van platten zak, die op eenige meters afstand nabij het projectiel zweefde. Dit voorwerp scheen even onbeweeglijk als het projectiel, zoodat het zich op gelijke wijze als dit bewoog.

»Wat is dat voor een ding?” herhaalde Michel Ardan. »Is het een lichaampje dat in de hemelruimte zweeft, maar nu door de aantrekking van ons projectiel genoodzaakt wordt bij ons te blijven en mede naar de maan te trekken?”

»Mij verbaast het,” antwoordde Nicholl, »dat de specifieke zwaarte van dat voorwerp het met ons gelijk doet blijven, hoewel die zeer zeker geringer is dan die van ons projectiel.”

»Nicholl,” zei Barbicane na een oogenblik peinzens, »wat het voor een ding is, weet ik niet; maar wel weet ik waarom het naast ons projectiel blijft.”

»En dat is?” [137]

»op de sterrenwacht te Cambridge neder te komen.” (Bladz. 129.)

»op de sterrenwacht te Cambridge neder te komen.” (Bladz. 129.)

»Dewijl wij in de ledige hemelruimte zweven, mijn waarde kapitein, en in dat ledige de lichamen vallen of zich bewegen—wat hetzelfde is—met een gelijke snelheid, onafhankelijk van [138]gewicht of gedaante. Het is de lucht, die, door haren tegenstand, het verschil in gewicht veroorzaakt. Wanneer gij in het luchtledige—door een luchtpomp—voorwerpen laat vallen, zult gij ze met dezelfde snelheid zien vallen, veertjes en stukjes lood. Dezelfde oorzaak heeft hier hetzelfde gevolg.”

»Dan zal”, voegde Nicholl er bij, »al wat wij buiten het projectiel werpen, ons op onze reis naar de maan blijven vergezellen.”

»Ezels die wij zijn!” riep Michel Ardan uit.

»Waartoe die vleiende benaming?” vroeg Barbicane.

»Omdat wij ons projectiel hadden moeten vullen met nuttige voorwerpen, boeken, instrumenten, gereedschappen en wat dies meer zij. Wij hadden dan alles overboord kunnen zetten, want alles zou ons toch hebben blijven vergezellen. Maar daar valt mij iets in. Waarom zouden wij geen uitstapje naar buiten kunnen doen? Wat zou het prettig wezen zoo in den wereldether te hangen, gelukkiger dan de vogel, die altijd met zijn vleugels moet slaan om niet op den grond te vallen!”

»Fraai bedacht!” zei Barbicane, »maar hoe maakt gij het met de ademhaling?”

»Ach! die beroerde lucht bederft alles!”

»Maar als er lucht was, Michel, zou uw dichtheid kleiner zijn dan die van het projectiel, en gij zoudt diensvolgens achterblijven.”

»Wij moeten dus binnen blijven?”

»Niet anders.”

»Ik geloof te zien wat dat ding is,” riep Michel Ardan uit. »Het is geen hemellichaam, geen stukje van een planeet, maar....”

»Nu maar....”

»’t Is niets anders dan onze ongelukkige hond!”

Inderdaad: dat misvormde, onherkenbare, ineengedrukte voorwerp was het stoffelijk overschot van Wachter!

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.