Er had derhalve een verschijnsel plaats, dat, hoe zonderling ook schijnende, echter een zeer natuurlijke oorzaak had: dat ieder voorwerp, buiten het projectiel geworpen, denzelfden weg bleef houden alsof het er in gebleven ware. Dat was een onderwerp van [139]levendig gesprek voor den geheelen avond. De reizigers geraakten bovendien reeds in grooter spanning naarmate zij meer naderden aan het doel hunner reis. Zij verwachtten onvoorziene verschijnselen, onbekende voorwerpen, maar verwonderen zou hen in hunne tegenwoordige stemming niets. Hun opgewekte verbeelding streefde het projectiel voorbij, welks snelheid aanmerkelijk verminderde zonder dat zij het bemerkten. Maar de maan werd telkens grooter in hun oog; ’t was als behoefden zij de hand maar uit te steken om haar te grijpen.
Den volgenden dag, 5 December, waren alle drie reeds ’s morgens te 5 uur bij de hand. Het moest, indien de berekeningen niet faalden, de laatste dag van hun tocht zijn. Dien avond, juist te middernacht, dus binnen 18 uren, juist op het oogenblik van Volle Maan, zouden zij die schitterende schijf bereiken. Middernacht—en het doel zou bereikt wezen van de buitengewoonste reis, in oude en nieuwe tijden gedaan. Zij begroetten de maanschijf met levendig gejuich.
Statig zette de Maan haar loop aan het uitspansel voort. Nog eenige graden, en zij zou het punt bereiken, waar het projectiel haar ontmoeten zou. Barbicane had berekend, dat zij zouden nederkomen op het noordelijk halfrond, juist waar de bergen schaarsch, maar de vlakten uitgestrekt zijn. Die omstandigheid was zeer gunstig, indien, gelijk zij dachten, de maanlucht alleen in de laagten opeengehoopt was.
»Overigens,” merkte Michel Ardan aan, »is een vlakte geschikter om neder te dalen dan een berg. Een maanbewoner zou het niet treffen, indien hij de Aarde bereikte op den Montblanc of het Himalaya-gebergte.”
»Bovendien,” meende kapitein Nicholl, »zal het projectiel in de vlakte beter stil blijven liggen. Aan een helling nederkomende, zou het gevaarte misschien naar beneden rollen als een sneeuwklomp, en daar wij geen eekhoorntjes zijn, kwamen wij er niet heelhuids af.”
Inderdaad, de uitslag der stoute onderneming scheen niet twijfelachtig. Er was echter één zaak, omtrent welke Barbicane niet recht op zijn gemak was; maar hij zweeg, om zijn vrienden niet te verontrusten.
De richting die het projectiel nam, naar het noorder halfrond der maan, bewees dat het een weinig van zijn baan was afgeweken. Wiskundig berekend moest men juist op het middelpunt der maanschijf aanlanden. Gebeurde dit niet, dan had er afwijking plaats. Waaruit was die ontstaan? Barbicane kon dat niet bepalen: hij hoopte alleen, dat de afwijking niet grooter zou zijn dan om hen op haar noordelijke helft te brengen. Hij verzweeg dus zijn bekommering en nam gedurig den stand der maan waar, ten einde [140]de hoegrootheid der afwijking te bepalen. Immers, het zou verschrikkelijk zijn, indien het projectiel voorbij de maan vloog, om in de eindelooze hemelruimte te zweven.
De maan vertoonde reeds niet meer een platte schijf, maar duidelijk kon men haar bolle oppervlakte bespeuren. Indien de zon schuins op haar geschenen had, zouden de schaduwen der bergen duidelijk zichtbaar zijn geweest en de kraters der ringgebergten zich gemakkelijk hebben laten onderscheiden. Maar hoogten en laagten waren alleen aan de weerkaatsing van het licht kenbaar. Ter nauwernood zagen zij zelfs die donkere plekken, in welke de aardbewoners van oudsher overeenkomst hebben gezien met een menschelijk gelaat. En wat zij zagen, zij aanschouwden het met den begeerigen blik van verlangen, en toch tevens met een heimelijke vrees; waarvoor? dat wisten zij zelven niet.
Het projectiel had bijna geen gewicht meer. Het nam onophoudelijk af in zwaarte, en het moest eindelijk, als zij op het punt gekomen waren, waar de aantrekking der aarde op die der maan elkander juist opwegen, alle gewicht verliezen.
Hoe vervuld echter hun hoofden ook waren van de dingen die komen zouden, toch begreep Michel Ardan, dat ook de maag haar rechten had, en voor deze wenschte hij te zorgen door ’t gereed maken van een goed ontbijt. Het werd met smaak genuttigd en de reizigers versmaadden er een goed glas niet bij. Michel Ardan maakte de opmerking, dat op de maan, dank zij de hitte der zon, voorzeker de edelste wijnen moeten gewonnen worden—altoos indien er wijnbergen waren. Ten einde te kunnen vergelijken, had hij genoegzamen voorraad van de beste merken medegenomen.
De toestel van Reiset en Regnaut voorzag uitmuntend in de behoefte aan versche lucht. Maar hij moest ook in orde gehouden worden. Daarom onderzocht Michel Ardan elken morgen buizen en kranen, de hitte van het gas volgens den pyrometer regelende. Alles ging goed en de reizigers volgden het voorbeeld van Maston, die in het projectiel een eerbiedwaardigen buik had gekregen. ’t Was als zaten zij, gelijk jonge hanen, in het mesthok.
Nog altijd bleef het overblijfsel van Wachter onbeweeglijk in de ruimte naast het projectiel hangen, evenals de afgekloven beentjes en alle afval dien Michel Ardan buitengeworpen had.
»Verbeeld u eens,” zeide hij, »dat een onzer bezweken ware, dan zou zijn lijk daar ook zweven als beschuldiger van onze wel wat roekelooze onderneming!”
»Dat zou jammer geweest zijn,” meende Nicholl.
»Wat ik jammer vind,” antwoordde Michel Ardan, »is dat ik geen wandeling buiten ons kamertje doen kan. Wat zou het prettig zijn, zoo los en vrij in de hemelruimte rond te zweven en zich te baden in de zuivere zonnestralen! Als Barbicane er maar aan had [141]gedacht, een drijftoestel en een luchtpomp mede te nemen, zou ik mij wel buiten gewaagd hebben.”

werd Wachter begraven. Bladz. 131.
Barbicane gaf hem te kennen, dat hij er weinig aan zou gehad [142]hebben, want dat hij wegens de lucht in zijn lichaam onfeilbaar als een bom uiteengesprongen zou zijn. »Zoolang wij ons in de ledige hemelruimte bevinden, is er aan tochtjes buiten ons projectiel niet te denken,” voegde hij er bij.
Michel Ardan geloofde ook wel, dat het moeielijk was, maar het woord »onmogelijk” wilde er bij hem nooit uit.
Zij kwamen van het eene op het andere. De denkbeelden groeiden hun in het hoofd, gelijk in de lente de knoppen aan de takken. Zoo had Nicholl den inval te vragen: »Op de maan te komen, dat schijnt nu goed en wel te zullen gaan; maar hoe komen wij er van af?”
Daar wisten de anderen geen weg meê. ’t Was alsof niemand hunner daaraan tot dusver een oogenblik had gedacht.
»Om de waarheid te zeggen,” sprak Michel Ardan, »ik vind het wel wat voorbarig, te vragen hoe men uit een land weg komt, eer men er in is.”
»Ik zeg het niet om achteruit te krabbelen,” antwoordde Nicholl, »maar ik herhaal mijn vraag: hoe komen wij er van af?”
»Ik weet het niet,” sprak Barbicane doodbedaard.
»En ik,” voegde Michel Ardan er bij, »als ik geweten had hoe terug te gaan, zou ik niet vertrokken zijn.”
»Een fraai antwoord!” riep Nicholl uit.
»Ik ben het met Michel Ardan eens,” merkte Barbicane aan, »en voeg er bij, dat de vraag voor het oogenblik van geen belang is. Later, als wij meenen te moeten terugkeeren, zullen wij de vraag aan de orde stellen. Al is er geen Columbiad op de maan, ons projectiel hebben wij toch bij ons.”
»’t Is wat moois! Een kogel zonder geschut.”
»Het laatste kunnen wij altijd maken,” meende Barbicane. »Kruit—men kan het maken. De maan zal toch wel niet ontbloot zijn van metalen, van salpeter, van houtskool en zwavel. Bovendien hebben wij slechts de aantrekkingskracht der maan te overwinnen—slechts 8000 mijlen snelheid, om op de aarde terug te vallen door de eenvoudige wet van zwaarte.”
»’t Is wel geweest,” sprak Michel Ardan zeer opgewonden. »Geen gepraat meer over terugreis! Er is reeds te lang over gebabbeld. Maar nu eens over gemeenschap met onze oude broeders, de aardbewoners; dat zal zooveel bezwaar niet in hebben.”
»Hoe wilt ge dat dan doen?”
»Door middel van kogels, uit de vulkanen der maan geschoten.”
»Goed bedacht, Michel,” antwoordde Barbicane op een toon van vaste overtuiging. »Laplace heeft berekend, dat een kracht, vijfmaal grooter dan die onzer kanonnen, groot genoeg is om een kogel uit de maan te schieten. En elke vulkaan heeft die kracht ruim en breed.” [143]
»Leven de vulkanen!” riep Michel Ardan uit. »Niets gemakkelijker dan zulke kogels, en zij kosten niets! En wat zullen wij de posterijen uitlachen! Maar—daar valt mij iets in.”
»Wat?”
»Een heerlijk denkbeeld! Waarom hebben wij geen metaaldraad aan ons projectiel gebonden? Dan zouden wij telegrammen met de Aarde hebben kunnen wisselen.”
»Een mooi ding!” zei Nicholl. »Rekent gij het gewicht van een draad van meer dan 50,000 geographische mijlen als niets?”
»Als niets? Dan moest de lading van de Columbiad verdriedubbeld zijn, desnoods verviervoudigd, vervijfvoudigd!” schreeuwde Michel Ardan, want zijn stem verhief zich meer en meer.
»Er is maar een kleinigheid tegen uw plan,” merkte Barbicane aan: »ten gevolge van de aswenteling der Aarde zou uw draad zich om haar hebben gewonden als een touw om een kaapstander, en de draad zou ons ten laatste naar den grond teruggetrokken hebben.”
»Bij de negenendertig sterren der Unie!” riep Michel Ardan uit, »wat heb ik toch vandaag domme denkbeelden! ’t Is alsof ik Maston ben! Maar wat ik denk is dit: als wij niet op de Aarde terugkomen, zal Maston ons wel komen opzoeken.”
»Zeker zal hij komen,” zei Barbicane met zijn gewonen ernst, »want hij is een waardig en moedig vriend. En wat is er niet voor? Zit de Columbiad nog niet altijd in de Floridaschen grond? Hebben zij geen katoen en zwavelzuur om schietkatoen te maken? Zal de maan niet op haar tijd weder door het toppunt van Stone’s Hill gaan? Over 18 jaar en 11 dagen staat zij immers weder op dezelfde plaats?”
»Komen zullen zij!” juichte Michel Ardan; »Maston en Elphiston en Blomsberry en al de leden van de Gun-club, en wij zullen hen goed onthalen ook! En mettertijd komen er geregelde projectieltreinen tusschen de Maan en de Aarde! Leve Maston!”
Zeer waarschijnlijk is het, dat, indien Maston dien uitroep al niet hoorde, toch zijn ooren moesten tuiten. Wat zou hij dan doen? Ongetwijfeld in het Rotsgebergte op Longs-piek staan uitkijken naar het voor hem onzichtbaar projectiel, dat in de hemelruimte zweefde? Dacht hij aan zijn waarde vrienden, die waarde vrienden dachten ook aan hem, en onder den invloed eener buitengewone opgewondenheid wijdden zij hem hunne beste wenschen.
Maar vanwaar die met ieder oogenblik toenemende opgewondenheid bij de reizigers? Hun matigheid was boven alle bedenking. Moest die buitengewone prikkeling van het hersengestel worden toegeschreven aan de buitengewone omstandigheden in welke zij zich bevonden, aan hun naderen tot de nachtvorstin, het doel hunner reis en hunner wenschen of aan een geheimen invloed der [144]Maan, die op hun zenuwgestel werkte? Hun gelaat werd zoo rood alsof zij een gloeienden oven hadden aangeblazen; hun ademhaling was versneld en hun longen bliezen als een smidsblaasbalg: hun oogen schitterden met een zonderling vuur; hun stem gaf vreemde geluiden: hun woorden schoten als uit de kurk van een champagneflesch, door het koolzuur uitgedreven; hun gebaren werden woest; voor zoover zij namelijk ruimte hadden om te gesticuleeren. En wat het zonderlingste was, zij zelven bemerkten niets van de hevige spanning waarin zij zich bevonden.
»En nu,” zei Nicholl barsch, »nu ik niet weet, of wij van de Maan zullen terugkeeren, wil ik weten wat wij er gaan doen.”
»Wat wij er gaan doen?” antwoordde Barbicane op den grond stampende, »dat weet ik niet.”
»Gij weet dat niet?” riep Michel Ardan met een soort van gehuil dat door het geheele projectiel drong.
»Neen, ik heb er zelfs geen vermoeden van,” antwoordde Barbicane den vrager nahuilende.
»Dan weet ik het wel!” stamelde Michel Ardan.
»Spreek op!” stotterde Nicholl.
»Ik zal spreken wanneer ik wil,” snauwde Michel Ardan hem toe.
»Gij moet het willen!” schreeuwde Barbicane met fonkelend oog en dreigende vuist. »Gij hebt ons in deze gevaarlijke reis gesleept, en wij willen weten waarom.”
»Ja!” voegde er de kapitein bij, »nu ik niet weet waarheen ik ga, wil ik weten waarom ik ga.”
»Waarom?” schreeuwde Michel Ardan, hoog opspringende, »waarom? Om bezit van de Maan te nemen in naam der Vereenigde Staten! Om een veertigsten Staat aan de negenendertig toe te voegen! Om de Maan te ontvangen, te bevolken, en er de voortbrengselen van kunst, nijverheid en wetenschap over te brengen! Om de maanbewoners te beschaven, als zij ten minste niet beschaafder zijn dan wij, en om een republiek van hen te maken, als zij er ten minste nog geen hebben.”
»En als er nu eens geen maanbewoners zijn,” merkte Nicholl aan, op wien de zonderlinge overspanning uitwerkte, dat zij een Jantje Contrarie van hem maakte.
»Wie zegt dat er geen maanbewoners zijn!” vroeg Michel Ardan op dreigenden toon.
»Ik!” krijschte Nicholl.
»Kapitein,” bracht Michel Ardan met dubbelslaande tong uit, »herhaal die beleediging niet, of ik verworg u.”
De twee kampioenen stonden op het punt elkander te lijf te gaan. Barbicane kwam tusschenbeiden. Hij zeide, hen scheidende:
»Stil ongelukkigen, als er geen maanbewoners zijn, behoeft ook over hen niet getwist te worden.” [145]

was het lijk van Wachter. (Bladz. 138).
»De maan is ons!” riep Nicholl uit.
»Wij met ons drieën stichten er de republiek.”
»Ik ben het Congres!” snoefde Michel Ardan. [146]
»En ik de Senaat!” schreeuwde Nicholl.
»En Barbicane president!” gilde Michel Ardan.
»Geen president door de natie benoemd,” merkte Barbicane aan.
»Welnu, dan een president benoemd door het Congres!” brulde Michel Ardan, »en ik, het Congres, benoem u met eenparige stem.”
»Leve president Barbicane!” was de kreet van Nicholl.
»Hip, hip, hip, hoera!” herhaalde de echo van Michel Ardan.
Daarop krijschten de president en de Senaat op afschuwelijke wijze het volkslied Yankee Doodle, terwijl het Congres even afschuwelijk de Marseillaise deed hooren.
Vervolgens begon een springen en stampen, dat misschien een dans moest verbeelden, maar sterke familietrekken vertoonde met volslagen dronkenschap. Diana jankte er bij op akelige wijs, terwijl een haan en een kip uit de hanebalken van het projectiel kwamen fladderen en hun gekakel voegden bij de rauwe kreten, die de reizigers uitstieten.
Eindelijk vielen zij, als verteerd door een inwendig vuur, wezenloos op den grond.
[Inhoud]