De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren (Dutch) Chapter 33

Wat was er gebeurd? Vanwaar die zonderlinge opgewondenheid, waarvan de gevolgen zoo treurig hadden kunnen zijn? Een eenvoudige onbezonnenheid van Michel Ardan, die gelukkig door Nicholl nog tijdig kon verholpen worden.

Na een flauwte van eenige minuten kwam de kapitein het eerst tot zichzelf.

Hoewel hij pas twee uren geleden ontbeten had, gevoelde hij een verschrikkelijken honger, als ware hij eenige dagen lang zonder voedsel geweest. Alles was bij hem in de hoogste spanning geraakt, maag en hersenen.

Hij rees op en vroeg Michel Ardan om nog wat eten. Michel antwoordde niet. Nicholl wilde daarop thee zetten, en om vuur te hebben stak hij een lucifer aan.

Met verbazing zag hij de zwavel met een buitengewonen, verblindenden [147]glans schitteren. De gasbek dien hij aanstak, gaf een vlam als electrisch licht.

Daar kwam iets op in het brein van Nicholl. Dat sterke licht, die zonderlinge uitwerkselen op hem en de beide anderen—hij begreep alles.

»De zuurstof!” riep hij uit.

Hij bekeek den luchttoestel; terstond bemerkte hij, dat de kraan een fellen stroom zuurstof liet ontsnappen. De luchtsoort, onbemerkbaar voor gezicht, smaak en reuk, onontbeerlijk voor het leven, maar gevaarlijk in onvermengden toestand, was door een achteloosheid van Michel Ardan losgelaten—hij had verzuimd de kraan toe te draaien.

Nicholl sloot haar oogenblikkelijk af en voorkwam nog tijdig den anders onvermijdelijken dood van hem en zijn vrienden.

Een uur later was de ademhaling van lieverlede tot haar gewonen toestand teruggekeerd; de bezwijmden kwamen bij, maar zij konden den roes niet, als dien van een stevig glas, uitslapen.

Toen Michel Ardan bekend werd met de schuld die hij aan het voorgevallene had, geraakte hij in ’t geheel niet van zijn stuk. Deze onverwachte roes brak de eentonigheid der reis. Terwijl hij werkte, waren vrij wat dwaasheden onder zijn invloed uitgekraamd, maar even spoedig vergeten als gesproken.

»Bovendien,” voegde de vroolijke Franschman er bij, »ik heb geen spijt, dat ik eens van die koppige lucht geproefd heb. Weet gij, vrienden, als er eens een zwaar werk te verrichten was, en men had dan zuurstofkamertjes, waar de vermoeide werklieden eenige uren konden gaan opleven! Denkt u eens vereenigingen, waar de lucht verzadigd is van deze bezielende vloeistof; tooneelen, waar de bestuurders haar op groote schaal nahouden,—welk een vuur! welk een geestdrift! En als men er dan eens een geheel volk volop van geven kon, wat zou alles vlotten! Van een uitgeputte natie zou men misschien een krachtig volk maken. Ik ken ten minste in ons verouderd Europa meer dan één staat, die van het openstaan der zuurstofkraan bekomen zou!”

Michel Ardan sprak met zooveel vuur, dat de kraan nog wel te veel scheen open te staan. Maar Barbicane deed met één woord zijn geestdrift bekoelen. »Alles goed en wel, mijn vriend,” sprak de voorzitter der Gun-club, »maar waar komen die haan en die kippen vandaan, die medegedaan hebben?”

»Die haan—die kippen?”

»Ja.”

Dat zij er waren, leed geen twijfel, want zij liepen nog te kakelen en te scharrelen.

»De stommelingen!” riep Michel Ardan; »de zuurstof heeft hun den kop op hol gebracht.” [148]

»Maar wat moet gij met die beesten uitvoeren?” vroeg Barbicane.

»Wat anders dan op de Maan acclimateeren!”

»En waarom ze weggestopt?”

»Een eenvoudige grap, maar die verongelukt is. Ik wilde ze op de Maan loslaten, zonder er u een woord van te zeggen. Ik dacht: wat zal hij opzien als hij Aardsche kippen op de Maan vindt!”

»Uil die ge zijt! Gij hebt waarlijk geen zuurstof noodig om u op te winden! Gij zijt altijd wat wij geweest zijn onder den invloed van ’t openstaan der kraan!”

Michel Ardan slikte de pil en met hun drieën togen zij aan het opredderen van hun kamertje. De haan en zijn kippen werden weder in hun hok opgesloten. Maar dat leverde een nieuw, opmerkelijk verschijnsel.

Sedert hun vertrek van de Aarde was hun eigen gewicht, dat van het projectiel en der medegenomen voorwerpen voortdurend verminderd. Al konden zij deze afneming niet voor het projectiel bepalen, toch moest eenmaal het oogenblik komen dat het merkbaar werd voor henzelven en voor het medegenomene.

Het spreekt van zelf, dat een weegschaal die afneming niet zou hebben aangewezen, want het gewicht in de andere schaal zou evenzeer aan zwaarte hebben verloren als het gewogen voorwerp zelf; maar een weegwerktuig met een veer b. v., welker spanning onafhankelijk is van de aantrekking, zou het juiste bedrag der zwaartevermindering hebben doen kennen.

Men weet, dat de aantrekking, met andere woorden de zwaarte, evenredig is aan de stofhoeveelheid en in omgekeerde rede staat tot het vierkant van den afstand. Hieruit volgt, dat, indien de Aarde het eenige hemellichaam ware, het projectiel volgens de wet van Newton in zwaarte zou verminderd zijn, naarmate het zich verder van de Aarde verwijderde, maar zonder ooit die zwaarte geheel te verliezen, daar de aantrekking der Aarde op geen afstand immer geheel zou zijn vernietigd.

Maar in de bestaande omstandigheden moest er een oogenblik komen, waarop het projectiel volstrekt niet meer onderworpen zou zijn aan de wet der zwaarte, ongerekend de andere hemellichamen, welker aantrekkingskracht men kon aanmerken als niet bestaande.

»Zijn zij dronken.” Blz. 146.

»Zijn zij dronken.” Blz. 146.

De baan van het projectiel liep tusschen de Aarde en de Maan. Naarmate het zich van de aarde verwijderde, verminderde de aantrekking in evenredigheid van het vierkant van den afstand (d.i. op 6 maal grooteren afstand werd het 36maal minder door de aarde aangetrokken, op 10maal grooteren afstand 100maal minder enz.,): maar de aantrekking der Maan nam in dezelfde evenredigheid toe. Het projectiel moest dus eenmaal een punt bereiken, waar beide aantrekkingen [149]tegen elkander opwogen, het punt waar dus het projectiel geen gewicht hoegenaamd had. Indien de stofhoeveelheid der Aarde even groot ware als die der Maan, zou dat punt juist even ver van [150]beiden gelegen hebben. Maar daar de stofhoeveelheid van de Maan een bekend gedeelte van die der Aarde bedraagt, was gemakkelijk te berekenen, dat dit punt op 17/52 van den afstand tusschen de Aarde en haren wachter ligt, of: gemiddeld 465 geographische mijlen van de Maan, 31,338 van de Aarde.

Op dat punt moest een lichaam dat geen beginsel van snelheid of verplaatsing in zich zelve had, noodwendig eeuwig en onbeweeglijk blijven hangen, daar het door de Aarde en door de Maan met gelijke kracht werd aangetrokken en niets het naar een van die beiden deed neigen.

Indien de snelheid van het projectiel buiten rekening bleef, moest het dat punt bereiken met een snelheid = 0, daar het allen maatstaf van zwaarte miste, en zoo ook alles wat het bevatte.

Wat moest dan gebeuren? Drie gevallen deden zich voor.

1. Het projectiel kon nog eenige snelheid hebben behouden, genoeg om voorbij het nulpunt te schieten, in welk geval het op de Maan zou vallen tengevolge van het overwicht harer aantrekking boven die der Aarde.

2. Indien het projectiel geen genoegzame snelheid had om het nulpunt (aldus noemen wij het punt 47/52 van de Aarde en 5/52 van de Maan) te bereiken, zou het naar de Aarde terugvallen ten gevolge van de meerdere aantrekkingskracht der Aarde boven die der Maan.

3. Het projectiel kon een snelheid hebben juist groot genoeg om het nulpunt te bereiken, maar ontoereikend om het voorbij te streven; in dat geval zou het er altijd blijven hangen, even sterk door de Aarde als door de Maan aangetrokken, zooals de legende van Mohammeds doodkist verhaalt.

Barbicane legde dit alles aan zijne tochtgenooten uit. Het wekte ten hoogste hun aandacht. Maar hoe zouden zij te weten komen of het projectiel dat gewichtig punt bereikt had?

Alleen daardoor, dat noch zij, nog eenig voorwerp in het projectiel eenigermate zouden onderworpen blijken te zijn aan de wet der zwaarte.

Tot dusver hadden zij wel bemerkt, dat de werking dier wet van lieverlede afnam, maar zij hadden toch nog niet bespeurd dat zij geheel had opgehouden. Maar dien dag, tegen 11 uur in den voormiddag, had Nicholl een glas losgelaten, en zie, het viel niet, maar bleef in de lucht hangen.

»’t Is grappig,” was al wat Michel Ardan er over te zeggen had.

En terstond lieten verschillende voorwerpen, wapenen, flesschen enz. los van de plaats waar zij stonden. De hond bleef ook in de lucht hangen zonder het te bemerken. [151]

Zij zelven bespeurden dat zij geen het minste gewicht meer hadden. Hunne voeten hielden geen grond meer. Zij waren als dronken lieden die zich niet op de been kunnen houden.

Stom van verbazing wisten zij er niets van te zeggen.

Barbicane was de eerste die het woord nam.

»Wij zijn er nog niet,” merkte hij aan; »als wij het nulpunt bereikt hebben, zal de aantrekking der Maan ons naar haar toe trekken.”

»Dan zullen wij met de voeten op de zoldering van het projectiel staan,” meende Michel Ardan.

»Neen,” antwoordde Barbicane, »daar het zwaartepunt van het projectiel naar den bodem ligt, zal het zich langzaam zoo omwenden, dat het achteruit naar de Maan schiet.”

»Dan wordt al ons boeltje onderstboven gegooid?”

»Toch niet,” sprak Nicholl; »het zal geheel en al onmerkbaar gaan.”

Michel Ardan vatte een flesch met drie glazen, die behoorlijk in de lucht bleven hangen. Zij dronken om het gewichtige nulpunt te salueeren.

Zoo duurde het omtrent een uur. De reizigers voelden, dat zij weder langzamerhand naar beneden werden getrokken, en Barbicane meende optemerken, dat de punt van het projectiel niet meer juist naar de Maan gericht was. De aantrekking der Maan had dus overwicht boven die der Aarde. Het vallen naar de Maan nam een aanvang, schoon nog onmerkbaar; het kon trouwens slechts ⅓ millimeter in de eerste seconde zijn. Maar naarmate hun afstand van de Maan verminderde, moest de snelheid van den val toenemen. Zooveel wisten zij nu: het doel was bereikt, stond ten minste bereikt te worden. Nicholl en Michel Ardan deelden hierover in Barbicane’s vreugde.

Michel Ardan vierde terstond weder den vrijen teugel aan zijn verbeelding en schetste met hooge ingenomenheid het aangename, gemakkelijke en onkostbare van den toestand der aardbewoners, indien zij niet of ten minste slechts uiterst weinig onderworpen waren aan de wet der algemeene zwaarte.

Barbicane oordeelde deze spelingen van het vernuft ernstiger wederlegging waardig, dan zij verdienden. Hij deed zijn vriend opmerken dat dan ook niets vast zou staan, dat de wateren van den oceaan door niets zouden gebreideld wezen en de lucht zelve in de hemelruimte zou vervliegen.

»Maar gij zult in zoover uw zin hebben,” voegde hij er bij, »dat als wij de Maan bereiken, gij op een wereldbol zult zijn, waar de zwaarte veel geringer is dan op de aarde—slechts 1/6.”

»En zullen wij dat bemerken?”

»Zeer zeker, daar 200 kilo slechts 30 kilo op de Maan wegen. [152]

»En zal onze spierkracht ook zooveel geringer zijn?”

»In geenen deele. In plaats van een meter hoog te springen, zult gij het 18 voet doen.”

»En als alles dan naar evenredigheid is,” sprak Nicholl, »moeten de maanbewoners toch maar een voet lang zijn.”

»Dus wij Gullivers en zij Lilliputters!”

»Als gij zoo redeneert,” merkte Barbicane aan, »zouden wij op de groote planeten, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus, daarentegen Lilliputtertjes wezen.”

»En op de Zon?”

»Indien men als waarheid mag aannemen hetgeen uit alle waarnemingen en berekeningen volgt, dat de dichtheid der zon viermalen geringer is dan die der aarde, is haar stofhoeveelheid 259,551 maal meer dan die der laatste en de aantrekking 27 maal grooter. Als dus alle evenredigheden zouden gelden, moeten de zonbewoners een paar honderd voet lang zijn.”

»Dan zou men een goed artillerie-park moeten hebben om zich tegen die kerels te verdedigen,” meende Nicholl.

Barbicane deed hem opmerken, dat onze kogels niet veel op de zon zouden uitrichten, daar zij eenige meters ver reeds op den grond zouden vallen. »De aantrekking,” merkte hij op, »is er zoo aanzienlijk, dat een voorwerp, op de aarde 70 kilo wegende, 1890 kilo op de zon zou halen. Uw hoed 10 kilo; kortom, als gij er kwaamt te vallen, zoudt gij niet kunnen opstaan, dewijl gij er ruim 2000 kilo wegen zoudt.”

»Voor ’t oogenblik,” voegde Michel Ardan er bij, »zullen we ons maar bij de Maan bepalen; daar zijn wij heele heeren, terwijl wij later de zon eens kunnen bezoeken, waar wij een kaapstander noodig zullen hebben om ons glas naar den mond te brengen.”

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.