De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren (Dutch) Chapter 35

Barbicane had blijkbaar de eenige aanneemlijke reden van de afwijking gevonden. Hoe klein ook, had zij toch de baan van het [159]projectiel gewijzigd. Het was erg. Het stoute waagstuk mislukte door een toevallige omstandigheid, en als er niets bijzonders gebeurde, behoefde men op geen bereiken der Maan te hopen. Zou men haar dicht genoeg naderen om eenige tot nog toe duistere vragen aangaande hare natuur te beantwoorden? Dat was de eenige vraag, die voor ’t oogenblik de reizigers bezig hield. Aan hun verder lot wilden zij niet eens denken. En toch—wat moest er van hen worden, indien hun lucht zou gaan ontbreken, zooals spoedig te verwachten was? Nog eenige dagen en zij zouden wezenloos in dat projectiel door de hemelruimte zweven. Maar eenige dagen waren zoovele eeuwen voor de onversaagden, die al hun tijd wijdden aan het waarnemen dier Maan, die zij wanhoopten te bereiken.

Naar hunne schatting scheidde hen nog een kleine 1000 meter van de Maan, maar de omstandigheden brachten mede, dat zij zich verder van haar verwijderd konden rekenen dan waarnemers op de Aarde, gewapend met hunne sterke kijkers.

Men weet, dat de groote kijker van lord Rosse te Parson-Town 6500 maal vergroot en de Maan tot een schijnbaren afstand van nog geen 8 kilometer aanhaalt. Het voortreffelijk instrument op Long’s Piek, dat 48,000 maal vergrootte, trok de Maan tot een afstand van slechts ruim een kilometer, zoodat men er voorwerpen van 10 meter doorsnede met voldoende duidelijkheid op zien kon.

Op dien afstand waren geene bijzonderheden met het ongewapend oog duidelijk te onderkennen. Het oog overzag de omtrekken der laagten, die men ten onrechte »zeeën” noemt, maar zonder er de natuur van te kunnen onderscheiden. De glooiïngen der bergen verdwenen in de schitterende weerkaatsing der zonnestralen. ’t Was een blik als op den blinkenden spiegel van een ketel gesmolten zilver, dien het oog niet kon verdragen.

Intusschen stond de Maan nog niet volkomen vlak tegenover de zon; zij had den vorm van een reusachtig ei, met de punt naar de aarde gekeerd. De Maan, zeker vloeibaar of kneedbaar in den eersten tijd van haar ontstaan, moest destijds een volkomen kogel geweest zijn; maar daar zij weldra onder den invloed van de aantrekking der Aarde geraakte, werd zij daardoor langwerpig uitgerekt. Toen zij een baan om de Aarde erlangde, verloor zij haar oorspronkelijke gedaante; haar zwaartepunt verplaatste zich, en hieruit nu leiden sommige geleerden af dat lucht en water hebben moeten afvloeien naar de zijde der Maan, welke van de Aarde is afgekeerd.

Doch onze reizigers konden slechts eenige oogenblikken deze afwijking der Maan van haren kogelvorm zien. De afstand tusschen haar en het projectiel verminderde met groote snelheid; die van het projectiel was wel veel geringer dan in de eerste oogenblikken, maar toch 8 of 9 maal grooter dan die der spoortreinen. De [160]schuinsche richting gaf aan Michel Ardan eenige hoop om tegen het een of ander punt der Maan te stooten. Het wilde er bij hem maar niet in, dat hij er geen voet zetten zou, en dit zei hij gedurig. Maar Barbicane, die den waren staat van zaken beter doorzag, hield niet op hem met onverbiddelijke juistheid te betoogen, dat hij daarop niet behoefde te rekenen, daar de middelpuntzoekende kracht hen wel naar de Maan trok, maar de middelpuntvliedende kracht hen beletten zou op de Maan neder te komen.

Het gedeelte der maansoppervlakte waarheen zich het projectiel bewoog, was het noordelijk halfrond, op de maankaarten de benedenhelft; want de kaarten zijn doorgaans vervaardigd naar de gedaante der Maan in astronomische kijkers, die gelijk men weet de voorwerpen omkeeren. Dit is ook het geval met de groote maankaart van Beer en Mädler, die door Barbicane was medegenomen. Dat noordelijk halfrond bestaat uit uitgestrekte vlakten, hier en daar met afzonderlijk staande bergen.

Te middernacht was het volle Maan. Juist op dat oogenblik hadden de reizigers moeten aanlanden, indien de vermaledijde vuurkogel hen niet van de goede richting had afgetrokken. De Maan beantwoordde dus volkomen aan de berekeningen der sterrenwacht te Cambridge. Zij bevond zich juist in haar perigeüm en in het toppunt van 28° noorderbreedte. Indien een waarnemer op den bodem der Columbiad op dat oogenblik opwaarts keek, zou hij juist boven den mond van het stuk de volle maanschijf hebben zien staan.

Het is overbodig te zeggen, dat in dien nacht van 5 op 6 December geen van de drie een oog sloot. Al hun gedachten vereenigden zich in die ééne: zien! Zij waren immers de vertegenwoordigers der Aarde, de verleden en tegenwoordige menschheid! ’t Was immers door hun oogen dat die menschheid den blik liet weiden over gindsche maanstreken. Was dat geen ontroerend denkbeeld?

Hunne waarnemingen, met het gewapend oog gedaan, werden met de kaarten vergeleken.

De eerste waarnemer der Maan was Galileï. Zijn gebrekkige kijker vergrootte slechts 30-maal. Toch was hij de eerste, die bergen zag in die vlekken, welke op de Maan gezaaid zijn »gelijk de oogen in den staart eener pauw.” Zelfs mat hij van sommigen de hoogte, hij bepaalde die op ruim 1/20 van den straal der Maan, 8,800 meter. Galileï vervaardigde echter geen maankaarten.

bergen, ringgebergten en rillen. Bladz. 164.

bergen, ringgebergten en rillen. Bladz. 164.

Eenige jaren later leefde te Dantzig een sterrenkundige, met name Aevelius, die door waarnemingen, welke alleen bij het eerste en laatste kwartier nauwkeurig konden zijn, die door Galileï bepaalde hoogte tot 1/26 van den straal der Maan terug bracht. Deze geleerde gaf de eerste maankaarten. De heldere, ronde, vlekken zijn [161]ringbergen, de donkere daarentegen uitgestrekte zeeën, in werkelijkheid eenvoudige vlakten. Aan die bergen en vermeende zeeën gaf hij namen, aan de Aarde ontleend. Hij noemde een der vlakke [162]uitgestrektheden Arabië en een berg aldaar Sinaï; zoo ook een Etna in Sicilië, de Alpen, de Apennijnen, de Karpathen, de Middellandsche zee, het meer Moeris, de Zwarte Zee, de Kaspische zee—namen, die zeer misplaatst zijn, daar er geen de minste gelijkheid bestaat met de gelijknamige zeeën enz. op de Aarde. Het is niet iedereen gegeven, in de breede lichte vlek, welke zuidelijk aan uitgestrekte vlakten paalt en in een punt uitloopt, het Indische schiereiland, de Golf van Bengalen en Cochinchina te zien. Deze namen zijn dan ook niet in gebruik gebleven. Een ander sterrenkundige, die dieper blik geslagen had in de ijdelheid van ’s menschen hart stelde een nieuw stelsel van benamingen voor, dat gretig werd aangenomen—het beloofde aan velen een plaats op de maankaart.

Die sterrenkundige was pater Riccioli, een tijdgenoot van Hevelius. Hij vervaardigde een maankaart, grof en vol fouten. Maar hij gaf aan de maanbergen de namen van groote mannen uit de oudheid en van geleerden uit zijn tijd. Dit is sedert in gebruik gebleven.

Een derde maankaart werd in de zeventiende eeuw vervaardigd door Dominico Cassini; zij is beter uitgevoerd dan die van Riccioli, maar onnauwkeurig in de verhoudingen.

Lahire, vermaard als wiskundige en als teekenaar, teekende een maankaart, die echter nooit in plaat is gebracht.

Na hem begon in de vorige eeuw Tobias Mayer, een Duitsch sterrenkundige, een zeer fraaie maankaart uit te geven: maar deze met veel zorg en na strenge metingen uitgevoerde arbeid is wegens zijn dood onvoltooid gebleven.

Na hem kwamen Schröter en Liliënthal, met talrijke afbeeldingen van gedeelten der Maan, en Lohrmonn, te Dresden, die een maankaart in 25 gedeelten is begonnen te geven, doch van welke slechts 4 in plaat zijn gebracht.

In 1830 verscheen de beroemde maankaart van Beer en Mädler, vervaardigd in orthographische projectie. Zij geeft een zeer nauwkeurige voorstelling van de naar ons toegekeerde zijde der Maan; bergen en vlakten zijn echter slechts nabij het middelpunt juist daar meer naar de randen de voorwerpen zijn afgebeeld gelijk men ze ziet, derhalve in schuinsche richting. Deze maankaart, 85 centimeter hoog en in 4 gedeelten uitgegeven, is een meesterstuk van afbeeldingen der Maan.

Voorts heeft men ook nog de opgewekte maanafbeeldingen van Julius Schmidt, de platen van Secchi, de prachtige Engelsche van Warren de la Rue, en eindelijk een in orthographische projectie van Lecouturier en Chapuis, 1860, keurig net van teekening en uitvoering.

Deze zijn de voornaamste maankaarten. Barbicane bezat er twee; die van Beer en Mädler, en die van Lecouturier en Chapuis. Zij [163]moesten dienen om hem bij zijn waarnemingen behulpzaam te zijn.

Zijn kijkers waren uitmuntend en bepaald voor deze reis vervaardigd. Zij vergrootten de voorwerpen 100 maal.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.