De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 31

Nadat don Bernard de Castil Blazo den corregidor tot op straat uitgeleide had gedaan, kwam hij vlug terug om zijn brandkast te sluiten en alle deuren, die er toegang toe gaven; vervolgens gingen wij beiden zeer tevredengesteld uit, hij omdat hij zulk een machtigen vriend had verworven en ik in de zekerheid van mijn zes realen daags. De lust om dit avontuur aan Melendez te vertellen, deed mij den weg naar zijn huis inslaan, maar toen ik er bijna was, bemerkte ik kapitein Rolando. Ik was buitengewoon verbaasd hem daar te zien en ik kon niet nalaten te sidderen. Hij herkende mij ook, wendde zich ernstig tot mij en geheel zijn air van meerderheid bewarende, beval hij mij hem te volgen. Bevend gehoorzaamde ik en dacht bij mij zelven: “Helaas, hij zal mij doen betalen voor wat ik hem geleverd heb. Misschien heeft hij hier in de stad wel een hol. Maar als ik zooiets ontdek, zal ik toonen, dat mijn beenen niet lam zijn.” Ik liep dus achter hem aan, nauwkeurig oplettend, waar hij heenging en besloten zoo hard als ik kon weg te loopen, als het mij verdacht ging lijken.

Rolando deed spoedig mijn vrees verdwijnen. Hij trad een bekende herberg binnen en ik volgde hem. Hij vroeg den besten wijn en zeide voor ons beiden een diner klaar te maken. Wij gingen intusschen een kamer binnen, waar wij alleen waren en waar hij mij aldus aansprak: “Gil Blas, gij zult wel verwonderd zijn hier uw ouden [180]commandant te zien en nog meer wanneer ik je alles verteld zal hebben. Op den dag dat ik met de anderen naar Mansilla ging om de paarden en ezels te verkoopen, ontmoetten wij den zoon van den corregidor van Leon met vier welgewapende en bereden mannen achter zijn karos. Wij deden twee van zijn lieden in het zand bijten, de twee anderen vluchtten. De koetsier, die voor zijn meester vreesde, riep ons toen smeekend toe: “Och lieve heeren, dood toch in hemelsnaam niet den eenigen zoon van den corregidor van Leon.” Deze woorden verzachtten mijne kameraden niet, zij wakkerden integendeel hunne woede aan. “Mijne heeren,” zei een van hen, “laten wij den zoon van onzen grootsten vijand niet doen ontsnappen. Hoeveel mannen van ons beroep heeft zijn vader niet doen sterven. Laten wij hen wreken.” Ik hield hen echter tegen. “Houd op!” zeide ik, “waarom zullen wij noodeloos bloed vergieten? Laten wij ons tevreden stellen met zijn beurs. Daar hij geen weerstand biedt, zou het barbaarsch zijn hem te vermoorden. Bovendien is hij niet verantwoordelijk voor zijn vader, en zijn vader doet alleen zijn plicht als hij ons ter dood veroordeelt, evenals wij den onze doen door den reizigers hun goed af te nemen.”

Mijn tusschenkomst was niet zonder nut. Wij namen alleen zijn beurs en verkochten de paarden van de twee gedoode heeren met de andere. Den volgenden morgen waren wij niet weinig verrast den val leeg te vinden en nog meer toen wij Leonarda gebonden in de keuken vonden. Wij bewonderden je, zoo goed als je ons met je koliek bedot had en we vergaven het je om den goeden streek, dien je ons geleverd had.

Toen wij vijf dagen later het bosch ingingen, werden wij overvallen door drie afdeelingen boogschutters, die ons schenen op te wachten. Onze luitenant en twee anderen werden gedood en ik en twee van onze mannen zoo nauw omsingeld, dat we gevangen werden genomen. Terwijl wij naar Leon gebracht werden, ging men tevens [181]onze schuilplaats vernielen, die op de volgende wijze ontdekt was. Op den morgen van je vlucht bemerkte een boer uit Luceno bij toeval het luik, dat je niet neergeslagen hadt. Hij vermoedde, dat dat onze schuilplaats was en ging naar Leon om zijne ontdekking aan den corregidor mee te deelen, wien dit des te meer genoegen deed nu zijn zoon door ons was bestolen. Deze rechter zond drie brigades uit om ons te vatten en de boer was hun gids.

Mijn aankomst in Léon was een groot schouwspel voor de inwoners. Als ik een gevangen generaal was geweest, dan had men niet harder kunnen loopen om mij te zien. “Daar is die beruchte kapitein,” riep men, “de schrik van onze buurt! Hij verdient gevierendeeld te worden evenals zijne kameraden.” Men bracht ons voor den corregidor, die begon met ons te beleedigen. “Wel, schurk,” zeide hij, “de hemel, die uwe misdaden moede is, levert u aan mijne rechtvaardigheid over.” “Mijnheer,” antwoordde ik, “al heb ik tal van misdaden begaan, dan heb ik toch niet den dood van uw eenigen zoon op mijn geweten; daarvoor behoort ge mij erkentelijk te zijn.” “Ellendeling,” riep hij uit, “met lieden van uw slag moet men oppassen edelmoedig te zijn! En al wilde ik u redden, dan zou mijn plicht het nog verbieden.” Daarop liet hij ons opsluiten in een hok, waar hij mijne kameraden niet lang liet smachten. Drie dagen later werden zij er uitgehaald om een tragische rol te spelen op het marktplein. Ik bleef drie volle weken in de gevangenis. Ik dacht, dat men mijn terechtstelling slechts uitstelde om ze des te verschrikkelijker te doen zijn en ik bereidde mij voor op een geheel nieuwe wijze te worden gedood, toen de corregidor mij bij zich liet brengen. “Hoor uw vonnis,” zeide hij, “gij zijt vrij. Zonder u zou mijn eenige zoon vermoord zijn. Als vader heb ik dien dienst willen erkennen en daar ik als rechter u niet kon vrijspreken, heb ik te uwen gunste naar het hof geschreven; ik heb genade voor u gevraagd en verkregen. Ga dus. Maar,” [182]voegde hij erbij, “maak gebruik van deze gelukkige gebeurtenis. Keer in tot u zelven en verlaat voor altijd het rooversberoep.”

Deze woorden troffen mij en ik ging naar Madrid in het besluit daar kalm te gaan leven. Ik vond mijn ouders gestorven en mijn erfenis in handen van een ouden bloedverwant, die mij er rekenschap van heeft gegeven, gelijk alle voogden doen. Ik heb niet meer dan drie duizend dukaten uit zijn handen kunnen krijgen, wat niet het vierde deel is van mijn goed. Maar wat kon ik er aan doen? Ik zou er niets mede winnen herrie te maken. Om de ledigheid te vermijden, heb ik een plaats van alguazil gekocht, welk beroep ik uitoefen alsof ik mijn geheele leven niets anders had gedaan. Maar het bevalt mij niet bijster; men moet al te voorzichtig en geheimzinnig te werk gaan; men kan er alleen stilletjes en schrander in bedriegen. Ik betreur mijn oude beroep. Ik beken dat hier meer zekerheid is, maar er is meer genoegen in het oude en ik houd van de vrijheid. Ik heb wel lust om me van mijn betrekking te ontdoen en op een mooien dag naar de bergen aan den oever van den Taag te gaan. Ik weet dat daar een schuilplaats is door een troep Cataloniërs bewoond. Als gij mee wilt gaan, zullen wij hun aantal vermeerderen. Wel, hebt gij lust mij te volgen?”

“Iedereen heeft zijn neigingen,” zeide ik tegen Rolando; “gij zijt geboren voor gewaagde ondernemingen en ik voor een kalm en rustig leven.” “Ik begrijp je,” viel hij mij in de rede, “de dame die gij hebt ontvoerd, heeft uw hart nog in bezit en ongetwijfeld leidt ge met haar dat kalme en rustige leven, waarvan gij zoo houdt. Beken maar, mijnheer Gil Blas, dat gij haar in haar meubelen hebt gezet en dat ge samen leeft van de pistolen, die gij van ons hebt meegenomen.”

Ik zeide hem dat hij het mis had en dat ik hem onder het eten de geschiedenis van de dame zou vertellen, wat ik dan ook deed. Na het maal kwam hij nog eens op de Cataloniërs terug. Maar toen hij zag, dat hij mij niet [183]kon overhalen, veranderde hij eensklaps en op trotschen toon voegde hij mij toe: “Daar gij zoo laag zijt om de voorkeur te geven aan uw dienstbaren staat boven de eer deel uit te maken van een troep dappere mannen, zoo laat ik u over aan uwe neigingen. Maar onthoud wat ik u zeggen zal: Vergeet dat ge mij vandaag ontmoet hebt en spreek nooit over mij, want als ik hoor, dat gij mij in uw gesprek mengt.... gij kent mij en ik zeg niets meer.” Hierop riep hij den waard, betaalde en wij gingen heen. [184]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.