De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 32

Toen wij de kroeg uitgingen en afscheid van elkander namen, ging mijn meester voorbij. Hij zag mij en ik bemerkte, dat hij meer dan eens den kapitein aankeek. Ik meende dat het hem verbaasde mij met zoo iemand te ontmoeten. Zeker is het dat het voorkomen van Rolando niet in zijn gunst was. Hij was een zeer grooten man met een lang gezicht en een neus als een papegaai en hoewel hij er niet kwaad uitzag, maakte hij toch den indruk een schelm te zijn.

Ik had mij in mijne vermoedens niet vergist. Des avonds sprak don Bernard telkens over den man dien hij bij mij gezien had en hij zou graag alles beloofd hebben wat ik van hem had kunnen zeggen als ik had durven praten, “Gil Blas,” vroeg hij, “wie is die groote grijpvogel, met wien ik je gezien heb?” Ik antwoordde dat het een alguazil was en ik verbeeldde mij, dat hij daarmee tevreden was en het er bij zou laten, maar hij deed nog vele andere vragen en daar ik er door in de war geraakte daar ik mij de bedreigingen van Rolando herinnerde, brak hij eensklaps het gesprek af en ging naar bed. Toen ik den volgenden morgen mijn gewonen dienst had gedaan, gaf hij mij zes dukaten inplaats van zes realen en zeide: “Dit mijn vriend, geef ik je voor diensten, die je me tot heden bewezen hebt. Ga een andere betrekking zoeken, ik kan geen knecht gebruiken, die zulke mooie kennissen heeft.” Het viel mij in hem te zeggen dat ik dien alguazil kende uit den tijd dat ik dokter in Valladolid was en dat ik hem wel [185]eens geneesmiddelen had voorgeschreven. “Zeer goed,” zei mijn meester, “dat is prachtig bedacht, maar dat had je mij gisteren moeten zeggen inplaats van in de war te raken.” “Mijnheer,” antwoordde ik, “ik dorst u dat niet te zeggen uit zuivere discretie!” “Mijn jongen, ik dacht niet dat je zoo geslepen was, ga nu heen, ik geef je je congé, een jongmensch dat met alguazils omgaat, is niet in mijn smaak.”

Ik ging dadelijk aan Melendez deze slechte tijding meedeelen, die om mij te troosten, beloofde mij in een beter huis te doen treden. Een paar dagen later zeide hij mij werkelijk:

“Gil Blas, mijn waarde vriend, ge hebt zeker niet gedroomd van het geluk dat ik je ga aankondigen. Gij zult het aangenaamste baantje van de wereld krijgen. Ik zal je brengen bij don Mathias de Silva. Deze Mathias de Silva is wat men noemt een saletjonker. De intendant van don Mathias, ging hij voort, is een intieme vriend van mij. Wij zullen hem een bezoek gaan brengen. Hij zal je zelf aan zijn heer voorstellen en gij kunt er op rekenen, dat hij je om mij pleizier te doen met veel égards zal behandelen.” Onderweg vertelde hij mij dat de intendant een man van niets was, die rijk was geworden van het geld van twee geruïneerde families, waarbij hij intendant was geweest. “Ik waarschuw je, dat hij verschrikkelijk ijdel is: hij ziet graag de andere bedienden voor hem buigen als knipmessen. Regel je dus daarnaar, Gil Blas, maak eerst het hof aan mijnheer Rodriguez, den intendant, en doe alles om hem te behagen. Zijn vriendschap zal je van veel nut zijn en als ge slim genoeg zijt om zijn vertrouwen te winnen, dan zou hij je nog wel eens een aardig beentje te kluiven kunnen geven. Hij heeft er zooveel! Don Mathias is een jongmensch, die alleen aan plezier denkt en die niet het minste weten wil van zijn eigen zaken. Welk een prachtig huis voor een intendant!”

Toen wij ten huize van den intendant gekomen waren, vroegen wij signor Gregoris Rodriguez te spreken en men [186]verwees ons naar zijn vertrekken, waar wij hem zouden kunnen vinden. Hij was er ook werkelijk in gezelschap van een soort boer, die een blauw linnen zak vol geld in de hand hield. De intendant, die er uitzag bleeker en geler dan een meisje dat het oude vrijstersleven moe is, kwam met uitgespreide armen op Melendez toe; de koopman spreidde ook zijn armen uit en zij omhelsden elkaar met meer aanstellerij dan natuurlijke vriendschap. Daarna kwam het gesprek op mij. Rodriguez nam mij van het hoofd tot de voeten nauwkeurig op en zei daarna, dat ik juist de persoon was dien don Mathias noodig had en dat hij zich gaarne ermede belastte mij aan dezen heer voor te stellen. Daarna deed Melendez uitkomen hoeveel belang hij in mij stelde en hij vroeg den intendant mij zijne protectie te geven. Vervolgens liet hij mij bij hem achter en nam na zeer veel complimenten afscheid. Toen hij vertrokken was zei Rodriguez tot mij: “Ik zal je naar mijn meester brengen als ik eerst dezen braven boer geholpen heb.” Hij wendde zich vervolgens tot den boer, nam hem zijn zak af en zei “Welnu Talego, we zullen eens zien of de vijfhonderd [187]pistolen er zijn”. Hij telde zelve de geldstukken, vond ze accoord, gaf een kwitantie van het geld aan den boer en liet hem gaan. Daarna deed hij het geld weer in de zak en wendde zich tot mij met de woorden: “Nu kunnen wij naar mijn meester gaan; hij staat gewoonlijk tegen twaalf uur op en het is nu ongeveer één uur, zoodat hij wel bij de hand zal zijn.”

En werkelijk was don Mathias juist op. Hij was nog in zijn kamerjas en lag achterover in een langen stoel met een van zijn beenen over de leuning terwijl hij zich heen en weer wiegde bezig tabak fijn te maken. Hij sprak met een lakei die de rol van kamerbediende vervulde, gereed hem op zijn wenken te bedienen.

“Mijnheer,” zei de intendant, “hier stel ik u een jongmensch voor die de betrekking zou kunnen vervullen van hem, die u gisteren hebt weggejaagd. Melendez, een zaakwaarnemer, staat voor hem in; hij verzekert mij, dat het een verdienstelijke jongen is en ik geloof ook dat u wel tevreden over hem zult zijn.”—“Het is goed,” antwoordde de jonge edelman, “en daar gij hem bij mij brengt, neem ik hem zonder bedenken in mijn dienst. Ik benoem hem tot mijn kamerdienaar en daarmee heeft deze zaak afgedaan. En laat ons nu eens over andere dingen spreken, Rodriguez. Gij komt juist op tijd, want ik wilde je al laten roepen. Ik heb je een slechte tijding mede te deelen, mijn waarde Rodriguez. Ik heb vannacht zeer ongelukkig gespeeld; behalve de honderd pistolen, die ik bij mij had heb ik er nog tweehonderd bovendien verspeeld. Gij weet dat menschen zooals wij zulke schulden zonder uitstel moeten voldoen; wij zijn dat aan onze eer verplicht, terwijl wij het met de andere schulden niet zoo nauw nemen. Gij moet dus ergens tweehonderd pistolen zien te krijgen en ze aan de gravin de Pedrosa zenden”. “Mijnheer,” antwoordde de intendant, “dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Met uw welnemen, waar moet ik die som zoo ineens vandaan halen? Ik kan geen cent loskrijgen van uw pachters, hoe ik ze ook dreig. Toch moet ik uw knechts goed onderhouden [188]en moet ik alles uitzuinigen om uwe uitgaven te bestrijden. Gelukkig ben ik er tot nog toe in geslaagd mij er door te slaan, maar ik weet niet meer tot welken heilige ik mij nog kan wenden, daar ik tot het uiterste gekomen ben”.—“Al dat gepraat helpt niet,” viel don Mathias hem in de rede, “en die verhalen vervelen mij maar. Zoudt gij misschien willen Rodriguez, dat ik mijn gedrag ging veranderen en dat ik zou gaan zorgen voor mijn bezittingen? Een mooie bezigheid voor een man als ik, die slechts voor zijn pleizier leeft!” “Geduld,” antwoordde de intendant, “en gij zult zien, dat zooals de zaken nu gaan gij spoedig hiervoor niet meer zult behoeven te zorgen.”—“Gij vermoeit mij,” hernam de jonge edelman knorrig, “gij martelt mij. Laat mij mijzelf ruineeren zonder dat ik het bemerk. Ik moet twee honderd pistolen hebben, hoor je, ik moet ze hebben”.—“Dan zal ik mijn toevlucht moeten nemen tot dien kleinen grijsaard die u al meer geld geleend heeft tegen hooge woekerrente”.—“Neem voor mijn part je toevlucht tot den duivel,” antwoordde Don Mathias; “als ik maar tweehonderd pistolen krijg kan mij de rest niet schelen.”

Toen hij dit op norschen, ontevreden toon gezegd had, ging de intendant heen en een voornaam jongeling, Antonio de Centellès, trad binnen. “Wat scheelt eraan mijn waarde,” zei hij tot mijn meester. “Gij ziet er zoo bedrukt uit, er ligt een waas van toorn over uw gelaat, Wie heeft je in zoo’n slechten luim gebracht? Ik zou haast durven wedden dat het die vlegel is, die daar juist weggaat.” “Ja,” antwoordde don Mathias, “het is mijn intendant. Elken keer als hij bij mij komt zegt hij mij dat ik van mijn kapitaal inteer ...” “Mijn waarde,” antwoordde don Antonio, “ik verkeer in hetzelfde geval. Ik heb een zaakwaarnemer die al even slecht te spreken is als jou intendant. Als de schurk mij eindelijk na herhaaldelijk bevel geld brengt, zou men haast zeggen dat hij het van zichzelf geeft.” Zij bleven zoo een tijdje in levendig gesprek toen zij gestoord werden door Gregorio Rodriguez, vergezeld van een kleinen grijsaard die bijna geen haar op zijn hoofd had. Don Antonio wilde [189]vertrekken en zei: “Bonjour don Mathias, wij zien elkaar spoedig terug. Ik zal je maar alleen laten met deze heeren daar ge zeker een ernstige zaak met hen te behandelen hebt.”—“Welneen,” zei mijn meester, “blijf maar, jij bent niet te veel. Deze bescheiden grijsaard dien ge hier ziet, is een eerlijk man die mij geld leent tegen twintig procent.”—“Wat?” riep Centellès uit, “tegen twintig procent. Nu maar dan wensch ik je geluk dat ge in zoo goede handen zijt geraakt. Ik word niet zoo liefelijk behandeld. Ik koop geld tegen goud, want ik moet in den regel vijf en dertig procent betalen.”—“Wat een woekerrente,” riep toen de oude woekeraar vertoornd uit; “bedenken de schurken dan niet dat er nog een leven hiernamaals is? Nu verbaast het mij niet meer dat men zoo waarschuwt tegen geldschieters. Die woekerrente, die enkelen onder hen van hun geld nemen, kost ons onzen goeden naam. Als mijn collega’s zoo deden als ik, dan zou men ons niet uitjouwen want ik leen slechts om mijn evenmensch te helpen. O, als de tijden maar zoo waren als ik ze vroeger heb gekend, dan zou ik je mijn beurs leenen zonder rente te vragen en nu nog, hoe ellendig het er ook uitziet, ik heb haast nog gewetensbezwaar twintig procent te vragen. Maar men zou haast zeggen, dat het geld in de aarde verzwolgen is; men vindt haast geen geld meer en deze schaarschte noodzaakt mij wel mijn moraal wat te wijzigen.”

“Hoeveel hebt ge noodig?” ging hij voort zich tot mijn meester wendende.—“Ik moet tweehonderd pistolen hebben,” antwoordde don Mathias.—“Ik heb er hier vierhonderd in een zak,” hernam de woekeraar; “ik zal er u dus de helft van geven.” Dit zeggende haalde hij een blauw linnen zak van onder zijn mantel die mij dezelfde scheen als welke de boer Talego met vijfhonderd pistolen bij Rodriguez had gelaten. De grijsaard ledigde den zak, legde de geldstukken bij hoopjes op tafel en begon ze te tellen. Dit gezicht prikkelde het verlangen van mijn meester. “Mijn waarde Descomulgado,” zei hij tot den woekeraar, “ik bedenk daar iets, namelijk dat ik een groote dwaas [190]ben. Ik leen slechts zooveel als noodig is om mijn schuld af te doen, zonder eraan te denken dat ik dan geen cent overhoud en ik zal je dus morgen weer een bezoek moeten brengen. Ik ben nu van plan alle vierhonderd pistolen van je te nemen om je de moeite te besparen morgen terug te komen.”—“Mijnheer”, antwoordde de grijsaard, “ik had een gedeelte van dit geld bestemd voor een goedhartigen bon-vivant die groote erfenissen heeft te wachten, welke hij zeer menschlievend gebruikt om kleine meisjes uit de wereld af te zonderen en hun woningen te meubileeren, maar daar u de geheele som noodig hebt, is zij ter uwer beschikking, als u mij slechts waarborgen kunt geven.”—“O, wat dat betreft,” viel Rodriguez in de rede, terwijl hij een papier uit zijn zak haalde, “gij zult de beste hebben. Dit papier heeft don Mathias slechts te teekenen en gij hebt het recht vijfhonderd pistolen te nemen van een van zijn pachters, zekeren Talego, een rijken landbouwer te Mondejar.” “Dat is voldoende,” antwoordde de woekeraar, “ge ziet wel dat ik niet lastig ben; als men mij slechts billijke voorstellen doet, neem ik ze zonder verdere tegenwerpingen aan.” Toen gaf de intendant een pen aan mijn meester, die zonder het biljet eerst te lezen onder het fluiten van een deuntje zijn naam er onder zette.

Toen dit afgeloopen was, zeide de grijsaard mijn meester vaarwel die hem hartelijk de hand drukte zeggende: “Tot weerziens mijn waarde, ik ben geheel tot uw dienst. Ik begrijp toch maar niet waarom men u voor een schurk aanziet, integendeel, lieden van uw soort zijn noodzakelijk voor den staat, gij zijt de troosters van duizenden kinderen van nette familie en de toevlucht van alle groote heeren wier uitgaven grooter zijn dan hun inkomsten.”—“Gij hebt gelijk,” riep Centellès uit; “de woekeraars zijn brave lieden die men niet voldoende kan achten en ik wil daarom ook dezen hartelijk vaarwel zeggen, vooral omdat hij tegen slechts twintig procent leent.” Dit zeggende ging hij naar den grijsaard toe om hem te omarmen en deze twee deftige heertjes duwden den woekeraar naar elkaar toe en vermaakte [191]zich met hem, evenals twee kaatsers, die een bal slaan. En toen ze hem zoo een paar malen heen en weer hadden laten gaan, lieten zij hem uit met den intendant, die eerder die hartelijke omhelzingen had verdiend en nog wel wat bovendien.

Toen Rodriguez en zijn booze geest vertrokken waren, zond don Mathias door den lakei, die met mij in de kamer was, de helft van de pistolen aan gravin de Pedrosa en deed de overige in een lange beurs geborduurd met zijde en gouddraad en stak deze toen in zijn zak. Ten zeerste voldaan, dat hij nu weer geld had, zei hij op vroolijken toon tot don Antonio: “Wat zullen wij vandaag doen, laten we daar nu eens over spreken.”—“Ziezoo, nu spreek je nog eens als een verstandig mensch,” antwoordde Centellès, “welja laten we het daar eens over hebben.” Terwijl zij hierover aan het praten en overleggen waren kwamen twee andere heeren binnen. Het waren don Alexo Segior en don Ferdinand de Gamboa, beiden ongeveer van denzelfden [192]leeftijd als mijn meester, namelijk zoowat acht en twintig jaar. Zij begonnen nu met hun vieren zeer levendig te spreken met veel gebaren alsof zij elkaar in geen tien jaar hadden gezien. Daarna zei Ferdinand die een echte lolmaker was tot don Mathias en don Antonio: “Mijne heeren, waar eet gij vandaag? Als ge nog geen plannen hebt zal ik jelui naar een herberg brengen waar men echten godenwijn drinkt. Ik heb er gedineerd en ik ben er dezen morgen tegen zes uur van thuis gekomen”.—“Had ik den nacht maar zoo verstandig doorgebracht, dan had ik mijn geld niet verloren”, zei don Mathias.

“Wat mij betreft,” zei Centellès, “ik heb mijzelf gisterenavond een nieuw genoegen verschaft, want ik houd veel van afwisseling. En men moet zijn genoegens wel eens varieeren wil men het leven aangenaam maken. Een van mijn vrienden nam mij mede naar een inner der belastingen, die voor den staat de zaken behartigt. Ik zag er veel weelde, goeden smaak en het maal leek mij bijzonder goed toebereid. Maar ik vond den heer des huizes van een belachelijkheid, die mij waarlijk vermaakte. De ontvanger, hoewel een echt burgermannetje, deed erg groot en zijn vrouw, hoewel vreeselijk leelijk, deed erg koket en vertelde allerlei gekruide moppen, terwijl er vier of vijf kinderen aan tafel zaten met hun gouverneur en ge kunt je een voorstelling maken hoe ik mij aan dat maal heb vermaakt!”

—“En ik, mijne heeren,” zei don Alexo Segiar, “ik heb gesoupeerd bij een komediespeelster en wel bij Arsenia. Wij waren met ons zessen: Arsenia, Florimonde, met een van haar kokette vriendinnen, de markies de Zenette, don Juan van Moncade en mijn persoontje. Wij hebben den nacht doorgebracht met drinken en lol maken. Wat een heerlijke nacht was dat! Weliswaar zijn Arsenia en Florimonde geen groote genieën, maar zij hebben slag van brassen en fuiven wat veel goed maakt. Het zijn vroolijke, levenslustige schepseltjes en dat is per saldo meer waard dan zulke deftige eerbare vrouwen!” [193]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.