De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 33

De heertjes gingen zoo voort met praten, terwijl ik don Mathias hielp bij het kleeden. Toen hij gekleed was, gebood hij mij hem te volgen en al de saletjonkers gingen gezamenlijk naar de herberg, waarheen Ferdinand de Gamboa hen zou brengen. Ik liep achter hen aan met nog drie bedienden, want ieder van die heertjes hield er een lijfbediende op na. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat deze drie bedienden hun meesters nadeden en zich hetzelfde air gaven. Ik groette hen als hun nieuwe makker en zij groetten mij terug. Een van hen keek mij een poosje aan en zei toen: “Mijn vriend, ik zie aan uwen gang, dat gij nog nooit bij een jongen saletjonker hebt gediend.”—“Helaas neen,” antwoordde ik, “en ik ben pas heel kort hier in Madrid.”—“Dat merk ik,” antwoordde hij, “want gij ziet er nog echt als een boertje uit, schuchter en verlegen; er is iets houterigs in je bewegingen, maar dat is niet zoo heel erg, we zullen je gauw genoeg wat ontbolsterd hebben, daar ben ik niet bang voor.”—“Gij vleit mij zeker,” antwoordde ik.—“Neen,” hernam hij, “er is geen stommeling zoo groot, of wij kunnen er nog wat van maken, reken daar maar gerust op.”

Hij behoefde mij verder niets te zeggen om mij te doen begrijpen, dat ik een stel aardige snuiters tot makkers had en dat ik aan geen betere handen kon zijn toevertrouwd om een nette jongen te worden. Toen wij in de [194]herberg aankwamen, vonden wij een gereedstaanden maaltijd, dank zij de voorzorg van don Ferdinand, die hem reeds ’s morgens besteld had. Onze meesters zetten zich aan tafel en wij maakten ons gereed hen te gaan bedienen. Wat onderhielden zij zich vroolijk met elkaar! Ik had er een waar genoegen in ze zoo te hooren. Hun karakter, hun gedachtenwisseling en hun uitdrukkingen vermaakten mij zeer. Wat een geestdrift! Wat een spitsvondigheden! Die heeren maakten op mij den indruk van een heel nieuw soort menschen. Toen zij aan het dessert gekomen waren, brachten wij hun een groote menigte flesschen van den besten Spaanschen wijn en lieten hen vervolgens alleen om ons naar een kleine eetzaal te begeven, waar men voor ons een maaltijd gereed had gezet.

Al heel spoedig ontdekte ik, dat mijn metgezellen nog veel verdienstelijker waren dan ik eerst had gedacht. Zij waren niet alleen niet tevreden hun meesters in manieren na te doen, maar bootsten zelfs hun spraak na en die oolijke snaken deden het zoo meesterlijk, dat het bijna hetzelfde was. Ik bewonderde hun vrije en ongedwongen manieren en ik werd nog meer getroffen door hun geestigheid, zoodat ik begon te wanhopen of ik ooit zoo’n beminnelijk persoon zou kunnen worden. De bediende van Don Fernando nam de honneurs aan den maaltijd waar, aangezien het ook zijn heer was, die de onze trakteerde en daar hij wilde, dat er niets aan ontbrak, riep hij den waard en zei: “Mijnheer de waard breng ons tien flesschen van je besten wijn en tel ze maar op bij die van onze heeren, zooals ge dat altijd doet.” “Met zeer veel genoegen,” antwoordde de waard, “maar denk er aan, mijnheer Gaspard, dat don Fernando mij al heel wat maaltjes schuldig is. Als ge eens een goed woordje voor mij kon doen om wat geld van hem los te krijgen....” “O!” viel hem de bediende in de rede, “maak je maar niet ongerust over wat hij u nog schuldig is, ik sta er je borg voor; de schulden van mijn meester zijn even goed [195]als staven gouds. Het is maar jammer, dat eenige onbeschofte schuldeischers beslag hebben gelegd op onze inkomsten, maar morgen wordt dat beslag opgeheven en wij zullen je dan betalen zonder zelfs de rekening te zien, die gij ons overlegt.” De waard bracht ons, niettegenstaande het beslag, toch den wijn en wij dronken dien op in afwachting van de opheffing van het beslag. Gij hadt moeten zien hoe wij telkens weer op, elkaars gezondheid dronken, terwijl wij elkaar bij den naam van onze meesters noemden. De bediende van don Antonio noemde dien van Ferdinand Gamboa en de bediende van don Fernando noemde dien van don Antonio Centellès. Zij noemden mij Silva en wij werden zoo zoetjes aan bij het geven van die bijnamen dronken, juist als de heeren, die deze namen in werkelijkheid droegen.

Hoewel ik mij natuurlijk niet zoo verdienstelijk maakte als mijn medegasten, zeiden zij mij herhaaldelijk, dat zij zeer tevreden over mij waren.

“Silva,” zei een van de geslepenste onder hen, “wij zullen wat van je maken, mijn waarde, want ik zie, dat ge een genie in je verbergt, maar ge weet er geen partij van te trekken. De vrees je slecht uit te drukken is oorzaak dat ge niets op goed geluk durft zeggen en toch is het durven spreken de reden, dat op ’t oogenblik zeer velen zich tot groote geesten weten te verheffen. Wilt gij uitblinken, dan hebt ge je slechts te laten gaan en slechts alles te zeggen wat je maar in den mond komt; je onbesuisdheid zal doorgaan voor edele stoutmoedigheid. Al zou je ook honderd domheden debiteeren, als je maar een enkele geestigheid zegt, zal men je domheden vergeten. Men zal je gevatheid onthouden en men zal hoog opgeven van je verdienstelijkheid. Dat is het nu juist wat onze meesters ook doen en zoo moet ieder handelen, die de reputatie wil hebben van een buitengewoon schrandere kop te zijn.”

Natuurlijk verlangde ik ten zeerste voor een genie door te gaan en het geheim, dat men mij openbaarde, leek mij [196]zoo gemakkelijk, dat ik meende het in toepassing te moeten brengen. Ik nam er terstond de proef van en de wijn, dien ik gedronken had, deed die proef gelukkig slagen, d. w. z. dat ik er maar op los begon te praten en dat ik onder zeer veel dwaze dingen een paar geestigheden debiteerde, die zij zeer toejuichten. Dit eerste welslagen van mijn pogingen gaf mij vertrouwen, ik werd nog luidruchtiger om nog maar meer geestigheden te zeggen en het toeval hielp mij ook ditmaal.

“Welnu,” zei mij daarop een van mijn makkers, die mij op straat had toegesproken, “begint ge nu al niet te ontbolsteren? Je bent nog geen twee uur in ons gezelschap en je bent al een heel ander mensch en ge zult zoo elken dag zienderoogen veranderen. Zoo ziet ge nu [197]wat het zeggen wil bij deftige meesters in dienst te zijn, dat ontwikkelt den geest; als men bij burgerlui in dienst is, bereikt men dit niet.”—“Neen, dat is vast en zeker,” antwoordde ik, “en ik zal mij in het vervolg dan ook alleen in dienst stellen van den adel.” “Dat is flink gesproken,” riep de bediende van don Fernando tusschen twee slokken wijn uit: “het komt de bourgeois niet toe genieën in dienst te hebben zooals wij zijn. Welaan mijne heeren, laten wij hier zweren dat wij nooit die schooiers zullen dienen; laten wij dit zweren bij den Styx!” Wij juichten hem luidkeels toe en met het glas in de hand, zwoeren wij dezen koddigen eed. Wij bleven zoolang aan tafel totdat het onze meesters behaagde heen te gaan. Het was middernacht, wat mijn kameraden als een buitengewone matigheid voorkwam. De heeren verlieten echter slechts de herberg om zich te begeven naar eene bekende cocotte, die in de wijk van het hofpersoneel woonde en wier woning dag en nacht open was voor de lieden die van vroolijkheid hielden. Het was een vrouw van vijf en dertig tot veertig jaar, nog schoon en onderhoudend en zoo geheel thuis in de kunst om te behagen, dat men zeide dat zij de laatste overblijfselen van haar schoonheid duurder verkocht dan hare eerste schoonheid. Er waren bij haar in huis altijd twee of drie andere eerste klas cocottes, die niet weinig bijdroegen tot den grooten toeloop van heeren, die men er zag. Na het eten speelden zij, daarna soupeerden zij en brachten den nacht door met drinken en zich vermaken. Onze meesters bleven er tot den volgenden morgen en wij eveneens zonder ons te vervelen; want terwijl zij met de maitressen waren, vermaakten wij ons met de dienstmeisjes. Eindelijk namen wij afscheid van elkaar bij het aanbreken van den dag en wij gingen rust nemen.

Toen mijn meester als gewoonlijk om twaalf uur opstond, kleedde hij zich aan en ging uit. Ik volgde hem natuurlijk en wij begaven ons naar don Antonio Centellès, bij wien wij een zekeren don Alvaro d’Ancuna aantroffen. [198]Nadat de drie jonkers elkaar hadden begroet, zei Centellès tot mijn meester: “Verduiveld, don Mathias, je komt of je geroepen bent! Don Alvaro komt mij halen om naar een bourgeois te gaan, die een diner geeft aan markies de Zenette en aan don Juan de Moncado; gij moet van de partij zijn.”—“En hoe heet die bourgeois?” vroeg don Mathias.—“Hij heet Gregorio de Noriega,” antwoordde don Alvaro. “’t Is een eerste dwaas, die er pleizier in heeft al zijn bezittingen op te eten, die doet als een saletjonker en die voor een man van geest wil doorgaan tegen zijn stomme natuur in. Hij heeft mij gevraagd hem te leiden. Ik regeer hem, mijne heeren, en ik kan u verzekeren, dat ik hem een goed eindje op weg help. Zijn goederen zijn al danig aan het slinken.”—“Dat geloof ik best,” riep Centellès uit, “ik zie onzen bourgeois nog in het armenhuis belanden. Kom, don Mathias,” ging hij voort, “laten wij eens nader kennis met dien man maken en er het onze toe bijdragen om hem van zijn geld af te helpen.”

Centellès en mijn meester begaven zich met don Alvaro naar Gregorio de Noriega, Wij gingen er ook heen, zijn bediende Magicon en ik, blij, dat wij een vrijen maaltijd hadden en dat wij het onze konden bijdragen om den bourgeois te doen verarmen. De heer des huizes leek mij een groote ezel. Hij trachtte tevergeefs de manieren van de saletjonkers na te doen, maar ’t was een zeer slechte copie van een bijzonder goed origineel of, om mij beter uit te drukken: een domkop, die zich als een verstandig mensch wilde voordoen. Stel je zoo iemand voor te midden van vijf spotvogels, die zich ten doel hadden gesteld een loopje met hem te nemen en hem aan te zetten tot groote uitgaven.

“Mijne heeren,” zei don Alvaro na de eerste begroetingen, “ik stel u hier don Gregorio de Noriega als een der volmaaktste ridders voor. Hij bezit duizenden voortreffelijke eigenschappen. Gij moet weten dat hij een zeer schrander hoofd heeft. Gij kunt over alles met hem praten [199]van de fijnste scherpzinnigste logica af tot op de spelling toe; hij is letterlijk van alles op de hoogte.”—“O, dat is al te vleiend gesproken,” viel de bourgeois hem in de rede, terwijl hij zeer ongracieus lachte. “Ik zou u deze beweringen kunnen retourneeren, Signor Alvaro. Gij zijt in waarheid wat men noemt een bron van alle mogelijke ontwikkeling en kennis.”—“Ik had niet de bedoeling mij zulk een geestigen lof te laten toezwaaien,” antwoordde don Alvaro; “maar geloof mij, heeren, Signor Gregorio zal vast en zeker naam maken in deze wereld.”

Deze ironische gesprekken volgden elkaar voortdurend op en de arme Gregorio werd van alle kanten aangevallen, want de saletjonkers maakten telkens grappen op hem, waarin de domkop de aanval op zich niet eens merkte; integendeel nam hij in vollen ernst op alles wat men van hem zeide en hij scheen zeer tevreden over zijn gasten; het leek zelfs, dat zij hem nog genoegen deden hem voor den gek te houden. Ook gedurende den maaltijd vermaakten zij zich met hem en vervolgens bleven zij er den geheelen nacht. Wij matigden ons in het drinken juist zooals onze meesters en wij waren zoo frisch als een hoentje toen wij den bourgeois verlieten. [200]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.