Dien dag kreeg mijn meester bij zijn ontwaken een briefje van don Alexo Segiar waarin deze hem vroeg bij hem te komen. Wij begaven ons naar hem toe en troffen hem in gezelschap van den markies de Zenette en nog een anderen jongen edelman, die er netjes uitzag en dien ik nog nooit had gezien. Hij werd aan mijn meester voorgesteld door don Segiar als don Pompeio de Castro, een bloedverwant van don Segar. “Hij is bijna van zijn prilste jeugd af aan het hof van Polen. Gisterenavond kwam hij te Madrid en hij gaat morgen weer naar Warschau terug. Hij blijft slechts één dag bij mij en ik wil van dien kostbaren tijd van zijn verblijf profiteeren. Om hem dat verblijf ten mijnent zoo aangenaam mogelijk te maken, heb ik gemeend u en de markies de Zenette hier te moeten laten komen.” Vervolgens omhelsden mijn meester en de bloedverwant van don Alexo elkaar en maakten elkaar een menigte complimenten. Ik was zeer tevreden over hetgeen don Pompeio zeide; hij scheen mij zeer verstandig en schrander.
Wij bleven eten bij don Segiar en de heeren bleven na den maaltijd spelen totdat het theater zou beginnen. Daarna gingen zij gezamenlijk naar het Prinsentheater om de opvoering bij te wonen van een nieuw treurspel, getiteld: “De koningin van Carthiago”. Toen het stuk afgeloopen was, kwamen zij soupeeren ter zelfder plaatse waar zij gedineerd hadden en natuurlijk liep het gesprek in het eerst over het stuk dat zij gezien hadden en daarna over de [210]spelers. “Wat het stuk betreft,” zei don Mathias, “vind ik dat het niet veel bijzonders is: ik vind er de figuur van Alexo nog treuriger dan in de Alcade. Maar wat de uitvoering betreft, deze was meesterlijk. Wat denkt gij er van don Pompeio? Gij schijnt het niet met mij eens te zijn.” “Mijne heeren,” antwoordde de edelman, “ik heb u daareven zoo geestdriftig gezien over de acteurs en vooral over de actrices, dat ik u bijna niet durf bekennen dat ik eene geheele andere meening ben toegedaan dan gij.” “Dat is dan maar goed ook,” zei don Alexo schertsenderwijs, “want uw beoordeeling zou hier al zeer slecht worden ontvangen. Gij moet onze actrices wel respecteeren in aanmerking genomen haar grooten roep van bekwaamheid. Dagelijks drinken wij met hen en wij staan er voor in, dat zij volmaakt zijn; als men het van ons zou verlangen zouden wij volgaarne certificaten van haar geven.” “Ik twijfel hieraan geen oogenblik”, antwoordde zijn bloedverwant, “gij zoudt zelfs certificaten geven van haren levenswandel en hare zeden, zoozeer schijnt gij goede vrienden van haar te zijn.”
—Uwe Poolsche actrices zijn zeker veel beter,” zeide lachende de markies de Zenette.
“Ja zeker,” antwoordde don Pompeio, “zij zijn veel beter. Er zijn er ten minst bij die geen enkel gebrek hebben.” “En kunnen die dan op uwe getuigschriften rekenen?” “Ik heb in ’t geheel geen verbintenissen met haar,” antwoordde don Pompeio. “Ik neem geen deel aan haar zwelgpartijen en ik kan dus een onpartijdig oordeel vellen. Maar gelooft gij werkelijk een uitmuntenden tooneelspelerstroep te bezitten?” ging hij voort.
“Neen,” zei de markies, “dat geloof ik niet en ik wil dan ook slechts een klein getal van hen in bescherming nemen, de overigen zijn mij onverschillig. Zijt ge het er bijvoorbeeld niet mede eens, dat de actrice die voor Dido speelde bewonderenswaardig is? Heeft zij deze koningin niet voorgesteld met allen adeldom en bevalligheid die wij in haar veronderstellen? En hebt gij het niet bewonderd hoe zij [211]den toeschouwer door haar kunst weet te boeien en hem alle hartstochten doet medegevoelen die zij vertolkt? Men kan gerust zeggen dat zij volmaakt is in alle moeilijkheden van de voordracht.”—“Ik ben het met u eens, dat zij iemand weet te treffen en te ontroeren: nooit had eenig tooneelspeelster meer gevoel en het is tevens een mooie verschijning maar toch heeft zij hare gebreken. Twee of drie dingen hebben mij in haar spel gehinderd. Als zij verbazing wil doen blijken dan rolt zij met hare oogen op een overdreven wijze wat zeker niet past voor een prinses. Voeg hierbij nog dat als zij hare van nature zachte stem uitzet, deze hare zachtheid verliest en snijdend wordt. Bovendien leek het mij dat zij in verschillende passages niet goed begreep wat zij zeide. Ik wil liever aannemen dat zij verstrooid was, dan te willen beweren dat zij niet genoeg talent heeft.”
“Zooals ik wel zie,” zei toen don Mathias, “zoudt gij geen al te grooten lof van onze tooneelspeelsters verspreiden.” “Ik bied u wel mijn verontschuldiging,” antwoordde don Pompeio. “Ik ontdek zeer veel talent bij hun vele fouten. Ik voeg hierbij zelfs dat ik genoten heb van de actrice, die voor volgelinge speelde in de tusschenbedrijven. Welk een natuurlijk spel! Met welk een gratie beweegt zij zich. Als zij een aardig gezegde debiteert, doet zij het met een schalkschen glimlach en zoo aanvallig dat men haar daarom ook zou prijzen. Men zou in haar kunnen afkeuren, dat zij soms te veel in vuur geraakt en dat zij de perken der vrijmoedigheid soms te buiten gaat, maar men mag niet alles verlangen. Wat ik echter graag zou zien is dat zij een slechte gewoonte aflegde. Dikwijls midden in een tragische of ernstige scène breekt zij de handeling af door een uitbundig gelach. Gij zult mij zeggen, dat de parterre haar ook in zulke oogenblikken applaudiseert en dat is gelukkig voor haar.”
“En wat denkt gij wel van de acteurs,” viel de markies hem in de rede, “die zullen het zeker wel heel hard te ontgelden hebben, daar gij de vrouwen niet eens spaart”. [212]
“Neen,” antwoordde Pompeio, “ik heb eenige jonge acteurs gezien, die wel wat belooven en ik ben vooral zeer tevreden over dien dikken tooneelspeler, die de rol van Dido’s eersten minister heeft gespeeld. Hij draagt heel natuurlijk voor en zoo doet men het nu juist in Polen.” “Als ge tevreden zijt over hem,” zei Segiar, “dan moet ge toch zeker enthousiast geweest zijn over de personen van Aneas. Schijnt hij u geen groot tooneelspeler, is het geen origineel acteur?” “Zeer origineel,” antwoordde de ander, “hij geeft geluiden die zeer origineel zijn en zeer scherp tevens. Bijna altijd tegen de regels der kunst in brabbelt hij de zinnen waar het op aankomt en legt den klemtoon op de andere. Hij heeft mij werkelijk vermaakt en vooral in de passage waar hij aan zijn vertrouweling de woede mededeelt waarmede hij de prinses verliet; men zou smart niet komischer kunnen voorstellen.” “Neen maar nu nog mooier, mijn waarde heer,” antwoordde don Alexo, “gij zoudt ons haast doen gelooven dat men in Polen niet veel smaak heeft. Weet gij wel dat die acteur waarvan gij spreekt een zeldzaam genie is? Hebt gij dan het applaus niet gehoord? Dat bewijst toch, dunkt mij zoo, dat hij nog zoo heel slecht niet is.”
“Dat bewijst niets,” antwoordde don Pompeio. “Mijne heeren, laten wij nu eens geen rekening houden met het applaus van de parterre; daar worden dikwijls zeer ten onrechte acteurs geapplaudiseerd. De parterre applaudiseert veel zeldzamer een waar kunstenaar dan een schijnkunstenaar, zooals Phedra het ons in een geestige fabel leert. Veroorloof mij dat ik u dit even vertel.
Alle inwoners van een stad waren vergaderd op een groot plein om pantomimes te zien spelen; onder de spelers was er een, dien men telkens applaudiseerde. Deze komiek wilde aan het eind van het stuk met een geheel nieuw tooneel sluiten. Hij verscheen geheel alleen op het tooneel boog, bedekte zijn hoofd met zijn mantel en begon zoo het geschreeuw van een speenvarken na te bootsen. Hij deed dit zoo meesterlijk dat men meende, dat hij er in [213]werkelijkheid een onder zijn kleeren verborgen hield. Men zei hem zijn mantel uit te schudden, wat hij dan ook deed en toen er niets te voorschijn kwam, verdubbelden de toejuichingen van de menigte. Een boer, die onder de toeschouwers stond, ergerde zich aan deze uitingen van bewondering. “Mijne heeren,” riep hij uit, “gij hebt ongelijk met zoo in je schik te zijn over dezen grappenmaker; hij is in ’t geheel niet zoo’n goed acteur als gij wel gelooft. Ik kan veel beter een speenvarken nabootsen dan hij en als ge het niet gelooven wilt, kom dan morgen op hetzelfde uur hier terug.” Het volk kwam den volgenden dag in nog grooter getale en maakte zich natuurlijk gereed den boer uit te fluiten. De beide tegenstanders verschenen op het tooneel. De clown van den vorigen dag begon het eerst en werd nog uitbundiger toegejuicht dan de eerste maal. Toen was het de beurt van den boer, die zich daarop in zijn mantel wikkelde en een werkelijk speenvarken dat hij onder den arm hield aan de ooren begon te trekken, waarom het dier natuurlijk vreeselijk schreeuwde. Toch kenden de toeschouwers den prijs toe aan den acteur en overlaadden den boer met hun gefluit. Plotseling echter vertoonde deze aan de toeschouwers het levende speenvarken en zei: “Mijne heeren, gij fluit niet mij uit, maar het speenvarken zelf. Wat zijt gij kranige rechters!”
—“Mijn waarde vriend,” zei don Alexo, “je fabel is wel een beetje al te kras. Niettegenstaande uw speenvarken geven wij ons echter nog niet gewonnen. Laten wij maar over wat anders praten, want dit begint mij te vervelen. Gij vertrekt dus morgen, hoe graag ik u ook nog langer bij mij zou houden?”—“Ik zou graag nog langer blijven, maar dat kan niet; ik ben naar het Spaansche hof gekomen voor een staatszaak. Ik heb gisteren bij mijn aankomst den eersten minister gesproken; morgenochtend moet ik hem nogmaals bezoeken en even daarna moet ik naar Warschau terugkeeren.”
“Gij zijt dus Pool geworden,” hernam Segiar, “en volgens alle waarschijnlijkheid zult gij niet meer in Madrid [214]komen wonen?” “Dat geloof ik ook niet,” hernam don Pompeio; “ik heb het geluk, dat de koning van Polen aan mij gehecht is en ik heb veel genoegen aan zijn hof; kunt gij echter gelooven dat hoe goed hij ook voor mij is, ik op het punt heb gestaan voor altijd zijn land te verlaten?” “Zoo en hoe kwam dat?” vroeg de markies. “Vertel ons dat eens.” “Zeer gaarne,” antwoordde don Pompeio, “het is tevens mijn eigen geschiedenis, die ik u ga vertellen.” [215]
[Inhoud]