De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 36

“Don Alexio,” vervolgde hij, “weet dat ik bij het eind mijner jeugd de wapens wilde opnemen, en daar ons land rustig was, ging ik naar Polen, waaraan de Turken toen juist den oorlog hadden verklaard. Ik deed mij voorstellen aan den koning, die mij een plaats in zijn leger gaf. Ik was een jongste zoon van een der minst rijke edellieden van Spanje, wat mij noodzaakte uit te blinken door daden, die de aandacht van den generaal op mij zouden vestigen. Ik deed zoo goed mijn plicht, dat toen na een vrij langen oorlog de vrede gesloten werd, de koning mij op aanbeveling van den commandeerenden generaal een aanzienlijke rente uitkeerde. Gevoelig voor de edelmoedigheid van den monarch, verloor ik geene gelegenheid hem mijn erkentelijkheid te betuigen door mijne toewijding. Ik was altijd in zijne nabijheid en daardoor ging hij ongemerkt van mij houden en ontving ik nieuwe weldaden.

Toen ik mij eens onderscheidde in een stierengevecht, prees het geheele hof mij; en toen ik overladen met toejuichingen naar huis keerde, vond ik daar een briefje, waarin mij werd medegedeeld dat eene dame, wier verovering mij meer zou vleien, dan alle eer die mij dien dag bewezen was, mij wenschte te spreken, en dat ik slechts bij het aanbreken van den nacht naar een aangewezen plek hoefde te gaan. Deze brief deed mij veel genoegen en ik verbeeldde mij dat het een dame uit den eersten stand moest zijn, die mij dien brief schreef. Gij kunt dus begrijpen dat ik naar het rendez-vous ging. Een oude vrouw, die mij wachtte, bracht mij door een tuindeurtje in een [216]groot huis, sloot mij op in een rijk gemeubeld kabinet en zeide: “Wacht hier dan ga ik mijn meesteres waarschuwen.” Ik bemerkte tal van kostbare zaken en dit versterkte mij ook in de meening, die ik van de dame had. En toen zij verscheen bevestigde zij dit ook door haar edele majestueuze houding. Nochtans was het niet, wat ik dacht.

“Mijnheer de ridder,” zeide zij, “na hetgeen ik gedaan heb zou het nutteloos zijn u te willen verbergen, dat ik teedere gevoelens voor u koester. Meer dan eens heb ik u gezien, ik heb naar u geinformeerd en het goeds, dat men mij van u gezegd heeft, heeft mij doen besluiten mijn neiging te volgen. Geloof echter niet de verovering te hebben gemaakt van een hoogheid; ik ben slechts de weduwe van een eenvoudig officier der koninklijke lijfwacht, maar wat uwe overwinning te roemrijker maakt, is dat ik u de voorkeur geef boven een der grootste edelen van het rijk. Prins Radziwil bemint mij en spaart niets om mij te behagen.”

Hoewel ik uit dit gesprek duidelijk zag, dat ik met een coquette vrouw te doen had, was mij dit avontuur toch zeer welkom. Dona Hortensia was nog in haar eerste jeugd en haar schoonheid verblindde mij. Bovendien bood men mij een hart aan, dat een prins geweigerd was: welk een triomf voor een Spaanschen ridder! Ik zeide haar alles wat een galant man zeggen kan en zij had reden voldaan te zijn over mijne vervoering. Zoo scheidden wij dus als de beste vrienden en kwamen overeen elkander dikwijls te zien. Ik liet dit dan ook niet na en ik werd ten slotte de Adonis van deze nieuwe Venus.

Maar de genoegens des levens zijn niet van eeuwigen duur. Welke maatregelen de dame ook nam om mijn mededinger onkundig te laten van onze samenkomsten, hij vernam het toch. Deze heer, die van nature zeer edelmoedig was doch trots, jaloersch en driftig, was erg verontwaardigd over mijne vermetelheid. De toorn en jaloezie verwarden zijn verstand en slechts zijn woede gehoorzamend, besloot hij zich op eene infame manier te wreken. [217]Op een nacht, dat ik bij Hortensia was, wachtte hij mij op aan de tuindeur met al zijne lakeien, met stokken gewapend. Zoodra ik buiten kwam, liet hij mij grijpen en zeide: “Sla toe, laat die vermetele bezwijken onder uw slagen, zoo zal ik zijn onbeschoftheid straffen”. Hij had deze woorden niet uitgesproken of zij vielen mij allen tegelijk aan en sloegen mij zoo dat ik bewusteloos bleef liggen.

Bij het aanbreken van den dag gingen eenige menschen voorbij, die ziende dat ik nog ademhaalde, zoo menschlievend waren mij naar een chirurgijn te dragen. Bij geluk waren mijn wonden niet doodelijk en viel ik in handen van een bekwaam man, die mij in twee maanden volkomen genas. Daarna keerde ik aan het hof terug en nam mijn vorige bezigheden weder op, met dit verschil, dat ik niet meer naar Hortensia ging en zij van haar kant deed ook geen poging mij weer te zien, daar de prins haar tegen dezen prijs haar ontrouw had vergeven.

Daar iedereen mijn avontuur kende en ik niet voor een lafaard doorging, verwonderde men zich mij zoo kalm te zien als ware ik niet beleedigd geworden, want ik zeide niet wat ik dacht en scheen geen wrok te gevoelen. Men wist niet wat te denken van deze ongevoeligheid. De koning wantrouwde mijn kalmte en dacht dat het slechts de stilte was die aan den storm voorafging en dat ik niet zou nalaten mij te wreken zoodra ik een gunstige gelegenheid zou vinden. Om te zien of dit zoo was, liet hij mij eens bij zich komen en zeide: “Don Pompeyo, ik weet welk ongeluk u is overkomen en ik moet bekennen dat uw kalmte mij verrast, gij verbergt zeker wat.” “Sire,” antwoordde ik, “ik weet niet wie me beleedigd heeft; ik ben des nachts aangevallen door onbekende personen; dat is een ongeluk waarover ik mij wel dien te troosten.” “Neen, neen,” hernam de koning, “ik wil geen dupe zijn van uwe voorwendsels, men heeft mij alles gezegd, Prins Radziwil heeft u doodelijk beleedigd. Gij zijt edelman en Spanjaard, ik weet waartoe die twee eigenschappen u verplichten; gij hebt besloten u te wreken. Deel mij in vertrouwen mede [218]waartoe gij besloten hebt, ik wil het. Vrees niet uw vertrouwen te moeten berouwen.”

“Daar uwe majesteit het beveelt,” antwoordde ik, “moet ik hem mijne gevoelens bloot leggen. Ja heer, ik denk er aan mij te wreken. Gij weet welk een onwaardige behandeling hij mij heeft doen ondergaan. Ik zal den prins een dolk in de borst steken of hem neerschieten en vervolgens de wijk naar Spanje nemen. Ziedaar mijn plan.”

“Het is kras,” zei de koning, “doch ik kan het niet veroordeelen na de wreede behandeling die Radziwil u heeft aangedaan. Hij is de straf waard, die gij voor hem gereed houdt. Maar voer uw plan voorloopig nog niet uit; laat mij iets zoeken, dat u tevreden stelt en hem straft.”—“Heer,” riep ik treurig uit, “waarom hebt gij mij genoodzaakt mijn geheim te openbaren. Wat kan....—“Als ik niets vind dat u tevreden stelt,” viel hij mij in de rede, “dan kunt gij doen wat gij besloten hebt. Ik ben niet voornemens misbruik van uw vertrouwen te maken en zal uw eer niet verraden; wees daaromtrent gerust.”

Ik was tamelijk nieuwsgierig te weten hoe de koning deze zaak in der minne dacht te schikken; ziehier hoe hij dat ten uitvoer bracht. Hij onderhield mijn mededinger in het geheim. “Prins,” zeide hij, “gij hebt don Pompeyo de Castro beleedigd. Gij weet dat hij een man van aanzienlijke geboorte is, een ridder van wien ik houd en die mij goed gediend heeft. Gij zijt hem een voldoening schuldig.”—“Ik ben niet voornemens hem die te weigeren,” antwoordde de prins. “Als hij zich over mijn drift beklaagt, dan ben ik bereid hem met de wapens voldoening te geven.”—“Er is een ander eerherstel noodig,” hernam de koning, “een Spaansch edelman verstaat de eer te goed, om te willen vechten met een laffen sluipmoordenaar. Ik kan u niet anders noemen en gij zoudt de onwaardigheid van uw handelwijze niet anders kunnen uitwisschen dan door zelf uw vijand een stok aan te bieden en u bloot te stellen aan zijn slagen.”—“Mijn hemel!” riep mijn mededinger uit, “gij wilt, sire, dat een man van mijn rang zich verlage en [219]vernedere, voor een eenvoudig ridder en dat hij zelfs stokslagen van dien man moet ontvangen!”—“Neen,” hernam de monarch, “ik zal don Pompeyo mij doen beloven dat hij u niet slaan zal. Vraag hem alleen vergiffenis voor uw heftigheid en bied hem den stok aan; dat is alles wat ik van u verlang.”—“Dan verwacht gij te veel van mij, sire,” viel Radziwil bruusk in de rede, “liever stel ik mij bloot aan de verborgen lagen die zijn wraakzucht voorbereidt.”—“Uwe dagen zijn mij kostbaar,” zeide de koning, “en ik wilde, dat deze zaak geen slechte gevolgen had. Om haar minder onaannemelijk voor u te maken, zal ik de eenige getuige zijn van die voldoening die ik u beveel den Spanjaard te geven.”

De koning moest al zijn overwicht aanwenden om van den prins te verkrijgen dat hij zulk een vernederenden stap deed. Hij slaagde er echter in en zond vervolgens om mij. Hij vertelde mij het onderhoud dat hij met mijn vijand had gehad en vroeg mij of ik tevreden zou zijn met de voldoening die zij beiden waren overeengekomen. Ik antwoordde van ja, en ik gaf mijn woord dat ik verre van mijn beleediger te zullen slaan, niet eens den stok zou aannemen. Toen dit aldus geregeld was, bevonden de prins en ik ons op zekeren dag bij den koning in zijn kabinet, dat hij achter ons sloot. “Radziwil,” zeide hij, “erken uw misslag en maak dat men u vergeven kan!” Mijn vijand bood toen zijn verontschuldigingen aan en bood mij een stok aan. “Don Pompeyo,” zeide nu de monarch tot mij, “neem den stok en laat mijn tegenwoordigheid u niet verhinderen uw vijand te slaan.”—“Neen heer,” antwoordde ik, “het is voldoende dat hij wil toelaten stokslagen te ontvangen: een beleedigde Spanjaard vraagt niet meer.”—“Welnu!” hernam de koning, “daar deze satisfactie u voldoende is, kunt gij thans beiden tot den regel overgaan. Meet uwe degens om dezen twist edel te beëindigen.” “Dat wensch ik uit alle macht,” riep de prins bruusk uit, “en dat alleen is in staat mij te troosten over den schandelijken stap, dien ik zooeven gedaan heb!” [220]

Bij deze woorden vertrok hij vol woede en twee uren later liet hij mij weten dat hij mij op een afgelegen plek wachtte. Ik ging er heen en vond hem bereid goed van zich af te slaan. “Laten wij hier ons verschil uitmaken,” zei don Pompeyo. Hij viel eerst zeer levendig naar mij uit, maar ik had het geluk al zijn slagen te weren. Ik viel op mijn beurt uit; ik voelde dat ik te doen had met iemand die zich even goed wist te verdedigen als uit te vallen en ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als hij niet een verkeerden stap had gedaan bij het terugwijken en op zijn rug was gevallen. Ik hield dadelijk op en zeide hem op te staan. “Waarom spaart gij mij?” antwoordde hij, “uw medelijden beleedigt mij.”—“Ik wil geen gebruik maken van uw ongeluk, dat zou mijn roem benadeelen. Nogmaals: sta op en laat ons onzen strijd voortzetten.”

“Don Pompeyo,” zeide hij opstaand, “na deze edelmoedigheid staat de eer mij niet toe nog tegen u te vechten. Wat zou men van mij zeggen als ik u het hart doorboorde? Ik zou doorgaan voor een lafaard, als ik het leven ontnam van een man, die het mijne had kunnen nemen. Ik voel dat ik u erkentelijk moet wezen. Don Pompeyo,” vervolgde hij, “laat ons ophouden elkander te haten. Laat ons verder gaan en vrienden wezen.” “Goed,” riep ik uit, “ik neem met vreugde zulk een aangenaam voorstel aan. Ik bied u mijn oprechte vriendschap en om te beginnen u daar bewijzen van te geven, beloof ik u geen voet meer bij dona Hortensia in huis te zetten, als zij mij mocht willen weerzien.”—“Integendeel, ik sta u deze dame af; het is rechtvaardiger dat ik haar aan u overlaat, daar zij eene natuurlijke neiging voor u gevoelt.”—“Neen, neen,” wierp ik hem tegen, “gij bemint haar, de goedheid die zij mij zou bewijzen, zou u pijn doen; ik offer deze op aan uw rust.” “Al te edelmoedige Castiliaan,” hernam Radziwil, mij in zijne armen drukkend, “uwe gevoelens veroveren mij, welk een wroeging doen zij in mijn ziel ontstaan! Met welk een schande herinner ik mij de behandeling, die ik u heb aangedaan! In dit oogenblik schijnt de voldoening die ik [221]u gegeven heb, mij al zeer gering toe. Ik wil die beleediging beter herstellen en om de laagheid ervan geheel uit te wisschen, bied ik u een van mijn nichten ten huwelijk over wier hand ik beschikken kan. Het is een rijke erfgename van 15 jaar en uitermate schoon.”

Ik maakte den prins toen alle complimenten passend bij de eer, in zijne familie te treden, en weinige dagen later trouwde ik zijn nicht. Sedert dien tijd, mijne heeren, leef ik aangenaam in Warschau; mijn echtgenoote bemint mij en ik ben nog op haar verliefd. Prins Radziwil geeft mij alle dagen nieuwe betuigingen van vriendschap en ik durf mij er op beroemen bij den koning van Polen een wit voetje te hebben. Het belang van de reis, die ik op zijn bevel naar Madrid doe, is een blijk van zijn achting.” [222]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.