De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 46

Ortiz, hare metgezellen en ik verlieten de zaal na dit verhaal te hebben aangehoord en lieten Aurora met Elvira alleen. Zij bleven het overige gedeelte van den dag bij elkaar, verveelden zich niet en toen wij den volgenden dag vertrokken, kostte het scheiden haar evenveel, of zij oude vriendinnen waren. Eindelijk kwamen wij zonder ongeval te Salamanca aan. Wij huurden er een geheel gemeubeld huis en juffrouw Ortiz nam zooals was overeengekomen den naam aan van Kimena de Guzmann. Zij was te lang dienstbaar geweest om geen goede actrice te zijn. Op zekeren morgen ging zij met Aurora, eene kamenier en een knecht naar het pension, waar Pocheco gewoonlijk logeerde. Zij vroeg kamers te huur, betaalde vooruit en zei, dat deze bestemd waren voor een harer neven, die van Tolledo kwam om te studeeren.

Toen zij terug waren, liet de schoone Aurora geen tijd verloren gaan om zich als heer te verkleeden. Zij bedekte haar zwarte haar met een blonde pruik, verfde zich de wenkbrauwen in dezelfde kleur en werkte zoo handig, dat zij zeer wel voor een jongen man kon doorgaan. Zij bewoog zich gemakkelijk en vrij en met uitzondering van haar gelaat, dat iets te mooi was voor een man, verraadde niets haar vermomming. De kamenier, die als page dienst moest doen, verkleedde zich ook en wij waren ook over haar tevreden; want behalve dat zij niet een van de mooisten was had zij iets brutaals in haar uiterlijk, wat zeer goed in haar rol paste. ’s Middags waren de beide actrices gereed om ten tooneele te verschijnen en [291]wij reden naar het pension met alle benoodigde kleedingstukken.

De waardin Bernarda Ramirez geheeten, ontving ons voorkomend en wij werden het spoedig met haar eens over den prijs en vroegen haar of zij reeds meer pensiongasten had. “Op ’t oogenblik niet,” antwoordde zij, “ik zou er genoeg hebben, als ik iedereen in mijn huis wilde nemen, ik wil echter alleen jongelieden. Ik verwacht er van avond een, die uit Madrid komt om zijn studiën te voltooien. Het is don Louis de Pacheco, hoogstens twintig jaar oud. Indien gij hem niet persoonlijk kent, hebt gij misschien van hem hooren spreken.” “Neen,” zei Aurora, “ik weet, dat hij van goede familie is maar verder niets en waar ik hier met hem moet wonen, zou ik gaarne iets meer over hem vernemen.” “Seigneur,” antwoordde de waardin, “het is een schitterend figuur. Hij is bijna zoo jong als u. Samen zult gij een goed paar vormen. Bij den heiligen Jacobus, ik zal mij kunnen beroemen ten mijnen huize de twee knapste jonge edellieden uit Spanje te hebben.” “Heeft deze don Louis,” vroeg mijne meesteres, “hier dan geen veroveringen gemaakt?” “O, zeker, zooveel als hij maar wil. Hij heeft o.a. tusschen ons gezegd, een dame bekoord, die jong en schoon is; zij heet Isabella. Het is de dochter van een ouden doctor in de rechten. Zij is zoo verliefd, dat zij er het verstand nog eens door zal verliezen.” “En zeg mij,” vroeg Aurora haastig, “is hij ook op haar verliefd?” “Hij hield van haar,” antwoordde Bernarda Ramirez, “voor zijn vertrek naar Madrid, maar ik weet niet of hij haar nog bemint want hij loopt van vrouw tot vrouw, zooals alle jonge edellieden dat gewoon zijn.” De goede weduwe had ternauwernood uitgesproken of wij hoorden geraas voor de deur. Wij keken door het raam en zagen twee mannen van hunne paarden afstijgen. Het was don Louis Pacheco, die met een kamerdienaar van Madrid kwam. De oude vrouw verliet ons om hem te ontvangen en mijne meesteres maakte zich gereed de rol van don Felix te gaan spelen. Don Louis kwam gelaarsd en gespoord [292]in ons vertrek. “Ik verneem,” zeide hij, terwijl hij Aurora groette, “dat een jonge edelman uit Toledo ook in dit hotel is afgestapt, mag ik hem daarover mijn vreugde betuigen?” Terwijl mijne meesteres hem op haar beurt een compliment maakte kon Pacheco niet nalaten te zeggen, dat hij nog nooit een edelman had gezien, die zoo mooi en goedgevormd was. Na allerlei beleefdheden, ging don Louis naar zijn eigen appartementen.

Terwijl hij zijn sporen liet afdoen en van kleeding verwisselde, ontmoette een soort van page, welke hem zocht om hem een briefje te geven, bij toeval Aurora op de trap. Hij hield haar voor don Louis en gaf haar het briefje. “Hier, seigneur,” zei hij, “ofschoon ik seigneur Pacheco niet ken, behoef ik niet te twijfelen, dat gij het zijt.” “Neen, vriend,” antwoordde mijne meesteres met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, “gij doet uw boodschappen goed. Gij hebt goed geraden dat ik don Louis Pacheco ben.” De page verdween en Aurora zich met ons verwijderend, las: “Ik verneem dat gij te Salamanca zijt. Met welk een vreugde heb ik deze tijding ontvangen, ik dacht er gek van te worden. Maar bemint gij Isabella nog? Haast u haar te verzekeren dat gij niet veranderd zijt. Ik denk dat zij van pleizier zal sterven als zij u trouw terugvindt.”

“Dat briefje is hartstochtelijk; daar speekt een innige liefde uit. Deze dame is een mededingster, waarvoor ik op mijn hoede moet zijn. Ik moet don Louis van haar losmaken en zorgen, dat hij haar niet terug ziet. Het is niet gemakkelijk, maar ik wanhoop niet dit resultaat te bereiken.” Mijn meesteres ging zitten peinzen en zei een oogenblik daarna: “Ik beloof je, dat ze in minder dan vier en twintig uur gebrouilleerd zijn.” Nadat Pacheco een weinig uitgerust was, kwam hij ons opzoeken en begon met Aurora te praten. “Seigneur” zei hij schertsend, “ik geloof, dat de echtgenooten en minnaars zich over uw komst te Salamanca niet behoeven te verheugen: gij zult ze in onrust brengen. Ik voor mij beef nu reeds voor [293]mijne veroveringen.” “Luister,” zei mijne meesteres, “uwe vrees is niet misplaatst. Don Felix de Mendoza is niet weinig te duchten, dat verzeker ik u en ik weet nu al, dat de vrouwen hier niet ongevoelig zijn.” “Hebt gij daarvoor reeds een bewijs?” “Een duidelijk bewijs,” antwoordde de dochter van don Vincent, “ik ben hier voor een maand ook geweest n.l. acht dagen en, in vertrouwen gezegd, heb ik de dochter van een ouden dokter in de rechten het hoofd op hol gemaakt.”

Ik bemerkte dat don Louis bij deze woorden schrok. “Mag ik zonder onbescheiden te zijn, vragen hoe deze dame heet?” “Hoe, onbescheiden, waarom zou ik er een geheim van maken?” riep de valsche don Felix uit. “Denkt ge, dat ik kiescher ben dan andere edellieden van mijn leeftijd? Beoordeel mij niet zoo onrechtvaardig. Tusschen ons gezegd verdient zij zooveel kieschheid niet. Het is een burgerdame. Gij weet wel, dat een man van stand zich niet ernstig met zulk een vlinder ophoudt en dat hij gelooft, dat hij haar een eer bewijst door haar te onteeren. De naam van de dame in quaestie is Isabella.” “En heet misschien de dokter,” vroeg Pacheco ongeduldig, “Murcia de la Lhana?” “Juist,” antwoordde mijne meesteres. “Ziehier een brief welke ik juist heb ontvangen en waaruit gij zult zien, dat zij het goed met mij meent.” Don Louis keek naar het schrift en dat herkennend, keek hij strak voor zich. “Wat zie ik,” vervolgde Aurora verwonderd, “gij verandert van kleur. Ik geloof heusch, dat gij belang in dit persoontje stelt. Ach waarom heb ik zoo openhartig tot u gesproken?”

“Ik ben er u dankbaar voor,” antwoordde don Louis met een gevoel van spijt vermengd met toorn. “De ontrouwe, wispelturige! Don Felix, wat ben ik u niet verschuldigd? Gij bevrijdt mij van een dwaling waarin ik anders misschien nog lang had verkeerd. Ik dacht bemind te worden, wat zeg ik, bemind? ik dacht aangebeden te worden door Isabella. Ik droeg het schepsel eenige achting toe en nu zie ik, dat het slechts eene coquette is, [294]alleen mijn verachting waardig.” “Ik begrijp uw woede,” zei Aurora, eveneens verontwaardigd. “De dochter van een dokter in de rechten moest tevreden zijn wanneer zij een zoo beminnelijk heer als gij tot minnaar had. Ik kan haar onstandvastigheid niet verontschuldigen en wel verre van prijs te stellen op de voorkeur die zij mij schenkt, wil ik voortaan niets meer van haar goedheid weten.” “Ik voor mij,” zei Pacheco, “wil haar nooit meer zien; dat is de eenige wraak die ik kan nemen.” “Gij hebt gelijk,” riep de valsche Mendoza uit; “om haar te doen weten, hoezeer wij haar verachten moeten wij haar beiden een beleedigenden brief schrijven, in antwoord op haar schrijven. Maar alvorens tot dit uiterste over te gaan, moet gij uw hart raadplegen, opdat gij nooit berouw krijgt met haar gebroken te hebben.” “Neen maar,” antwoordde don Louis, “deze zwakheid zal ik niet hebben en om de ondankbare te straffen, zullen wij doen wat gij voorstelt.”

Dadelijk ging ik papier en inkt halen, en zij begonnen beiden zeer vriendelijke briefjes voor de dochter Murcia de la Lhana samen te stellen. Pacheco vooral kon geen woorden naar zijn zin vinden om zijn gevoelens uit te drukken en hij verscheurde vijf of zes brieven omdat zij hem niet kras genoeg voorkwamen. Eindelijk had hij er een waarover hij met recht tevreden was. Deze luidde aldus: “Leer uzelf kennen, mijne koningin, en wees niet zoo ijdel te gelooven, dat ik u bemin. Er is een andere verdienste noodig dan de uwe om mij te binden. Gij zijt alleen geschikt om tot amusement te dienen voor de jongste studenten van de universiteit”. Het briefje van Aurora was niet minder beleedigend en toen zij gereed was, deed zij beide in enveloppen en zei: “Hier Gil Blas, zorg dat Isabella dat nog heden ontvangt. Heb je me begrepen?” vroeg ze knipoogend. Ik begreep haar en zei: “Ja, seigneur, ik zal doen zooals u verlangt”.

Ik ging dadelijk weg en dacht bij mijzelf: “Komaan mijnheer Gil Blas, gij wordt op de proef gesteld. Laat nu eens zien, mijn vriend, dat gij genoeg geest hebt, om een [295]rol te spelen, die dat eischt. Seigneur Felix heeft u een teeken gegeven. Hij wil dat ik alleen het briefje van don Louis weg breng, dat beteekent dit knipoogje, niets is duidelijker.” Overtuigd, dat ik mij niet vergiste, maakte ik het pakket los en haalde den brief van Pacheco er uit, die ik vervolgens naar Murcia bracht. Aan de deur vond ik den kleinen knaap, die naar het hotel was gekomen met het schrijven van Isabella en ik vroeg hem: “Broeder, zijt gij niet de bediende van de dochter van mijnheer den dokter Murcia?” Hij antwoordde, dat het zoo was met een gezicht, waarop te lezen stond, dat hij gewend was galante briefjes te bezorgen en ze te ontvangen. “Gij ziet er zoo betrouwbaar uit, dat ik u durf vragen dit briefje aan uw meesteres te brengen.”

De knaap vroeg mij van wien ik kwam en ik had den naam van don Louis Pacheco niet genoemd, of hij zei: “Wil mij volgen, ik moet u bij Isabella brengen, die u wil spreken.” Ik werd in een vertrek gelaten en kort daarop verscheen de senora. Ik werd getroffen door de schoonheid van haar gelaat; nooit zag ik fijnere trekken. Zij had een kinderlijk uiterlijk, maar dat belette niet, dat zij reeds bijna dertig jaar zonder leiband had geloopen. “Vriend,” zei ze lachend, “zijt gij bij don Louis in dienst?” Ik antwoordde dat ik sedert drie weken zijn kamerdienaar was. Vervolgens gaf ik haar het briefje. Zij las het twee of drie maal alsof zij haar oogen niet vertrouwde. Zij had dan ook alles behalve zulk een antwoord verwacht. Zij richtte haar blik omhoog beet op haar lippen en eenige oogenblikken was haar hartepijn op haar gelaat te lezen. Plotseling vroeg zij mij: “Zeg eens vriend, is don Louis gek geworden na onze scheiding? Ik begrijp er anders niets van. Vertel mij waarom hij zoo beleefd schrijft. Is hij door den duivel bezeten? Als hij met mij wilde breken, behoefde hij’t toch niet aldus te doen?”

“Madame,” antwoordde ik, een oprecht gezicht zettend, “mijn meester heeft bepaald ongelijk, maar in zeker opzicht werd hij hiertoe gedwongen. Indien u mij belooft [296]de zaak geheim te houden, zal ik u de zaak uitleggen.” “Ik beloof het u,” viel zij mij in de rede. “Vrees niet, dat ik u in moeilijkheden zal brengen. Spreek maar vrij uit.” “Even vóór de bezorging van uw briefje is er eene dame gekomen, welke naar Senor Pacheco vroeg en eenigen tijd later hoorde ik haar zeggen: “gij belooft mij haar niet weder te zien en om mij tevreden te stellen zult gij haar een brief schrijven, welke ik u zal dicteeren.” Don Louis heeft gedaan, wat zij verlangde en zoo ziet gij, madame, dat de brief het werk is van een mededingster en dat denhalve mijn meester zoo schuldig niet is.”—“O hemel,” riep zij uit, “hij is ’t nog meer dan ik eerst dacht. Zijn ontrouw doet mij meer pijn dan de beleedigende woorden, welke hij heeft geschreven. Maar laat hij zich gerust aan zijn nieuwe liefde wijden, zeg hem, dat hij mij niet behoefde te beleedigen om mij te verplichten het veld te ruimen voor eene mededingster en dat ik te zeer een ontrouw minnaar veracht om nog lust te hebben hem terug te roepen.” Hierna verliet ik het huis van de Murcia de la Lhana, zeer tevreden over mij zelf. In mijn hotel aangekomen, vond ik de heeren Mendoza en Pacheco, samen aan het souper en pratend alsof zij elkander jaren gekend hadden. Aurora bemerkte aan mijn tevreden gezicht, dat ik mij niet slecht gekweten had van mijn opdracht. “Wel Gil Blas,” zei ze, “vertel ons eens hoe gij gevaren zijt.” Ik vertelde, dat Isabella na de beide brieven gelezen te hebben in lachen was uitgebarsten, zeggende: “Op mijn woord, de brieven hebben een fraaien stijl, ik moet bekennen, dat anderen minder geestig schrijven.” “Zij redt zich er goed uit,” riep mijn meesteres uit, “het is bepaald een coquette van het ergste slag.”—“Wat mij betreft,” zei don Louis, “herken ik Isabella niet en moet zij tijdens mijne afwezigheid wel zeer veranderd zijn.”—“Ik had haar ook anders beoordeeld,” antwoordde Aurora. “Maar er zijn vrouwen, die kunnen doen zooals zij willen. Ik heb er een bemind en ik ben er lang de dupe van geweest. Gil [297]Blas zal het u zeggen, dat zij ieder met een trouw gezicht wist te bedotten.”—“Het is waar,” zei ik, mij in het gesprek mengend, “zij was een gewikste; ik zou er zelf zijn ingeloopen.” Mendoza en Pacheco lachten, dat zij schaterden toen zij mij aldus hoorden spreken en inplaats van geraakt te zijn, dat ik mij in het gesprek mengde, richtten zij dikwijls het woord tot mij om zich over mijn antwoorden te vermaken. Wij spraken over veinzende vrouwen en het resultaat was, dat Isabella eene echte coquette was en bleef. Don Louis zwoer, haar niet weer te willen zien; don Felix zwoer op zijn beurt, dat hij haar steeds zou verachten. Daarna sloten zij vriendschap en spraken af nooit iets voor elkaar verborgen te houden. Eindelijk scheidden zij en ieder begaf zich naar zijn appartementen, waar ik Aurora een juist verslag gaf van het onderhoud met de dochter des dokters, ik vergat geen enkele bijzonderheid, ja ik dikte ze nog ietwat aan, zoodat mijne meesteres in de wolken was. “Waarde Gil Blas,” zei ze, “ik ben verrukt over uw slimheid. Wanneer men het ongeluk heeft een hartstocht te koesteren, welke ons verplicht listen te baat te nemen, is het een voordeel iemand in dienst te hebben, die zoo gevat is als gij. Moed, mijn vriend, wij hebben nu een mededingster uit den weg geruimd, die ons kon schaden; dat is geen slecht begin. Maar waar gelieven somtijds plotseling op een besluit terugkomen, ben ik van plan het avontuur te verhaasten en morgen reeds Aurora de Guzmann ten tooneele te voeren.” Ik juichte dit denkbeeld toe en seigneur don Felix met zijn page alleen latend, ging ik naar het vertrek waar mijn bed stond. [298]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.