De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 (Dutch) Chapter 47

De twee nieuwe vrienden kwamen den volgenden morgen bij elkaar en begonnen met omhelzingen, waaraan Aurora zich moest onderwerpen om haar rol van Don Felix goed te spelen. Daarna gingen zij samen in de stad wandelen en ik vergezelde hen niet Chilindron, den knecht van don Louis. Bij de universiteit bleven wij staan kijken naar eenige kennisgevingen omtrent boeken, die aan de deur waren aangeplakt. Verscheidene personen vermaakten zich met ze te lezen en ik bemerkte onder hen een klein mannetje, dat over deze werken zijn oordeel uitsprak. Ik bemerkte, dat men met alle aandacht naar hem luisterde, en te zelfder tijd zag ik, dat hij meende waard te zijn, dat men naar hem luisterde. Hij scheen ijdel en was beslist in zijn spreken als alle kleine mannetjes. “Deze nieuwe vertaling van Horatius,” zei hij, “welke gij met zoo groote letters vindt aangekondigd, is een werk in proza, saamgesteld door een oud schrijver van het college. Het is een boek, dat door de scholieren zeer wordt geroemd, zij alleen hebben vier edities verslonden. Maar geen eerlijk man heeft er een exemplaar van gekocht.” Zijn oordeel over de andere boeken was niet veel gunstiger: zonder genade keurde hij ze allen af. Oogenschijnlijk was hij zelf schrijver. Ik had hem gaarne tot het einde aangehoord, maar ik moest don Louis en don Felix volgen, daar deze even weinig belang stelden in zijn rede als in de boeken zelf en hem en de universiteit den rug toedraaiden. Wij kwamen tegen het [299]uur van het diner aan ons hotel. Aan tafel bracht mijne meesteres behendig het gesprek op hare familie. “Mijn vader,” zei ze, “was de jongste zoon uit het huis van Mendoza en vestigde zich te Toledo; mijne moeder is eene eigen zuster van dona Kimena de Guzmann, die eenige dagen geleden te Salamanca is gekomen voor zaken met haar nicht, Aurora, eenige dochter van don Vincent de Guzmann, dien gij misschien hebt gekend.”—“Neen,” antwoordde don Louis, “maar ik heb dikwijls over hem en zijne dochter Aurora hooren spreken. Moet ik gelooven hetgeen men van deze jonge dame vertelt? Men verzekert dat niets haar verstand en schoonheid evenaart.”—“Wat haar verstand betreft,” antwoordde don Felix, “daar ontbreekt het haar niet aan, maar zoo bijzonder mooi is zij niet, men vindt dat wij veel op elkander gelijken.”—“Als dat zoo is,” riep Pacheco uit, “dan draagt zij haar reputatie met eere. Uw trekken zijn regelmatig, uw gelaat is mooi, werkelijk ik zou haar wel eens willen zien.”—“Ik wil uwe nieuwsgierigheid wel bevredigen,” antwoordde de valsche Mendoza, “en nog wel dezen dag. Na het diner zullen wij naar mijne tante gaan.” Daarna sprak mijne meesteres plotseling over iets anders. ’sMiddags nam ik mijne maatregelen en waarschuwde de duenna met het oog op de komende dingen. IJlings keerde ik terug om don Felix te vergezellen, die seigneur don Louis aan zijne tante zou voorstellen. Nauwelijks waren wij daar gekomen, of de tante kwam ons tegemoet met een: “Stil, stil, gij zult mijne nicht wakker maken, zij heeft sedert gisteren een verschrikkelijke migraine, die juist een beetje over is, en nu slaapt het arme kind gelukkig sedert een kwartier.” “Dat spijt mij zeer,” zei Mendoza, “ik had gehoopt mijne nicht te zien, ik had mijn vriend Pacheco gaarne met haar in kennis willen brengen.”—“O, dat heeft zulk een haast niet,” zei Ortiz glimlachend, “stel ’t maar tot morgen uit.” De heeren vertrokken daarop spoedig.

Don Louis bracht ons bij een zijner vrienden, die don [300]Gabriel de Pedros heette. Wij bleven er den geheelen avond, soupeerden er en gingen eerst om twee uur ’s nachts naar huis. Toen wij halverwege waren gekomen, vonden wij twee mannen op straat liggen. Wij dachten, dat het ongelukkigen waren, die men vermoord had, en wij bleven staan om zoo mogelijk nog hulp te verleenen. Terwijl wij een onderzoek instelden, kwam de patrouille en de aanvoerder, denkend dat wij de moordenaars waren, liet ons door zijn lieden omsingelen. Gelukkig kreeg hij van ons een beteren indruk toen hij ons had hooren spreken en, voor zoover de nachtelijke duisternis het toeliet, ons gelaat had gezien. Zijn boogschutters bemoeiden zich nu met de door ons doodgewaande mannen en het bleek, dat het een groot losbol was met zijn knecht, beiden dronken als een kanon. “Mijne heeren,” riep een der mannen, “ik herken hem. Het is seigneur Guyomar, rector van onze universiteit, ondanks den toestand, waarin gij hem nu ziet, is hij een groot personage, een buitengewoon genie. Er is geen wijsgeer, dien hij niet afmaakt bij een strijdvraag, hij is welsprekend zonder weerga. Maar het is jammer, dat hij te veel van wijn, processen en meisjes houdt. Hij heeft bij zijn Isabella gesoupeerd, waar ongelukkigerwijs zijn begeleider even dronken geworden is als hij. Vóór de goede professor rector werd, gebeurde dit nogal eens vaak. Zoo ziet gij, dat eerbewijzen niet altijd de zeden veranderen.” Wij lieten de dronkaards in handen van de patrouille en gingen zoo spoedig mogelijk slapen.

Don Felix en don Louis stonden tegen den middag op en het eerste waarover zij het hadden, was Aurora. “Gil Blas,” zei mijn meester, “ga naar mijne tante dona Kimena en vraag haar of wij, seigneur Pacheco en ik, heden mijne nicht niet kunnen spreken.” Ik ging naar de duenna om met haar te overleggen en ik keerde naar de valsche Mendoza terug. “Seigneur,” zei ik, “uwe nicht is welvarend, zij verzocht mij te zeggen, dat uw bezoek haar zeer aangenaam zal zijn en dona Kimena vroeg mij seigneur [301]Pacheco te verzekeren, dat hij steeds welkom zal zijn.” Ik bemerkte, dat deze laatste woorden don Louis veel genoegen deden. Mijn meesteres zag het ook en zag er een gelukkig voorteeken in. Tegen het diner kwam de kamerdienaar van dona Kimena en zei tot don Felix: “Seigneur, bij mevrouw uwe tante is een man uit Toledo geweest en heeft voor u dit briefje achtergelaten: “Indien gij nieuws wenscht te vernemen omtrent uw vader en andere belangrijke zaken, zult ge goed doen onmiddellijk, na ontvangst van dit schrijven, naar het Zwarte Paard te gaan, bij de universiteit.” “Ik ben te nieuwsgierig,” zei hij, “om niet aan de uitnoodiging gevolg te geven.”

“Pacheco,” zei hij, “wanneer ik binnen twee uur niet terug ben, kunt gij alleen naar mijn tante gaan, dan kom ik u daar na den middag wel opzoeken. Gij weet, wat Gil Blas u uit naam van dona Kimena gezegd heeft en ge kunt gerust er alleen heengaan.”

Inplaats van naar het Zwarte Paard te gaan, haastten wij ons naar juffrouw Ortiz. Aurora begon dadelijk met haar blonde pruik af te nemen, waschte en poetste aan haar wenkbrauwen, trok een japon aan en werd nu een echte brunette, zooals zij werkelijk was.

Haar vermomming was zoo goed gekozen, dat Aurora en don Felix werkelijk twee verschillende personen leken; het scheen zelfs, alsof zij veel grooter als vrouw dan als man was; het is waar, dat hare muiltjes met hunne hooge hakken daartoe niet weinig bijdroegen. Nadat zij aan haar bekoorlijkheid alle hulpmiddelen had toegevoegd, die de kunst daaraan kon verschaffen, wachtte zij don Louis met groote spanning, vermengd met vrees en hoop. Nu eens was zij vol vertrouwen in haar geestigheid en schoonheid, dan weer vreesde zij er een slecht gebruik van te zullen maken. Ortiz bereidde zich van haar kant ook zoo goed mogelijk voor om mijn meesteres te helpen. Daar Pacheco mij niet in dit huis moest zien, zou ik eerst tegen het einde van het bezoek [302]verschijnen. Toen alles gereed was, verscheen don Louis. Hij werd zeer vriendelijk ontvangen en sprak twee of drie uur met Aurora, waarna ik binnenkwam en mij tot don Louis wendend, zei ik: “Seigneur, don Felix kan heden niet komen, hij verzoekt u hem te verontschuldigen, maar hij is in gezelschap van drie heeren uit Toledo en kon hen niet verlaten.” “O, die kleine losbol,” riep dona Kimena uit; “ongetwijfeld is hij aan de rol.”—“Neen mevrouw,” hernam ik, “hij onderhoudt zich met hen over ernstige zaken. Het speet hem zeer.” “O,” hernam mijn meesteres schertsend, “hij weet, dat ik ongesteld ben geweest en had een weinig meer haast kunnen betoonen om iemand te bezoeken, waarmede hij is geparenteerd; om hem te straffen wil ik hem in geen veertien dagen zien.”—“Ach, mevrouw,” zei don Louis, “wees niet zoo wreed, don Felix is genoeg te beklagen, dat hij u niet gezien heeft.”

Zij schertsten daarover eenigen tijd en vervolgens nam Pacheco afscheid. De schoone Aurora veranderde terstond van gedaante en werd weer edelman. Zij keerde zoo spoedig mogelijk naar het hotel terug. “Ik moet mij verontschuldigen, waarde vriend,” zei zij tegen don Louis, “dat ik niet bij mijne tante ben geweest, maar ik kon niet wegkomen van de personen, welke bij mij waren. Een troost is het echter voor mij, dat gij uwe nieuwsgierigheid hebt kunnen bevredigen. Welnu, wat denkt gij van mijne nicht, zeg het mij ronduit.”—“Ik ben verrukt over haar,” antwoordde Pacheco. “Gij hebt gelijk met te zeggen, dat gij op haar gelijkt. Ik heb nog nooit zulk eene treffende gelijkenis gezien, dezelfde gelaatsvorm, dezelfde oogen, dezelfde mond, dezelfde stem. Er is niettemin eenig onderscheid: Aurora is grooter dan gij, zij is bruin en gij zijt blond, gij zijt luchthartig, zij is ernstig, maar dat is alles waarin gij van elkander verschilt. Wat verstand betreft, geloof ik niet, dat een hemelsch wezen beter daarmee kan zijn toegerust. In één woord: zij is iemand van oneindige verdienste.” [303]

Seigneur Pacheco sprak deze laatste woorden met zooveel vuur, dat Felix lachend antwoordde: “Vriend, het spijt mij u met dona Kimena in kennis te hebben gebracht en ge zult goed doen er niet meer heen te gaan, dat raad ik u aan voor uwe rust, Aurora de Guzmann zou u wel eens liefde kunnen gaan inboezemen....”

“Ik behoef haar niet meer te zien,” viel don Louis in, “om verliefd te worden, dat ben ik reeds.”—“Dat spijt mij voor u,” antwoordde Mendoza, “want gij zijt geen man om u aan een enkele vrouw te hechten en mijne nicht is geen Isabella, dat verzeker ik u. Zij zal geen minnaar willen hebben, die geen eerlijke trouwplannen koestert.”—“Trouwplannen! kan het anders met een meisje van haar stand? Gij beleedigt me door te denken dat ik een onedelen blik op haar zou kunnen werpen, gij moogt beter van mij denken, waarde Mendoza: helaas, ik zou de gelukkigste van alle mannen zijn wanneer zij mijn aanzoek aannam en haar lot aan het mijne wilde verbinden.”

“Als dat uwe bedoelingen zijn,” hernam don Felix, “wil ik u gaarne van dienst zijn. Ik zal morgen reeds trachten mijne tante voor uwe zaak te winnen daar zij veel invloed bij mijne nicht heeft.” Pacheco was hem buitengewoon dankbaar en wij bemerkten met vreugde, dat onze list zoo goed gelukte. Den volgenden dag wakkerden wij de liefde van don Louis nog door eene nieuwe vinding aan. Mijne meesteres kwam bij hem en vertelde, dat hij dona Kimena over hem had gesproken. “Ik had zeer veel moeite om haar gunstig voor u te stemmen. Zij was verbolgen op u. Ik weet niet wie u bij haar als een losbol heeft voorgesteld, maar vast staat, dat iemand u bij haar heeft zwart gemaakt; gelukkig heb ik u kunnen verdedigen en zoo den slechten indruk kunnen wegnemen, dien men haar van uw leven had gegeven.”

“Maar dat is nog niet alles,” vervolgde Aurora, “gij moet met mijne tante in mijn tegenwoordigheid een onderhoud hebben, dan zullen we ons verder van haar steun verzekeren.” [304]Pacheco verlangde vol ongeduld naar dit gesprek met dona Kimena en den volgenden ochtend werd hij tevreden gesteld. De zoogenaamde Mendoza bracht hem bij juffrouw Ortiz en zij hadden een onderhoud, waarin don Louis blijk gaf in zeer korten tijd bijzonder verliefd te zijn geworden. De behendige Kimena veinsde zeer getroffen te zijn door zijn teederheid en beloofde alles in het werk te zullen stellen om haar nicht te bewegen hem te huwen. Pacheco wierp zich aan de voeten van zulk een goede tante om haar te bedanken voor haar vriendelijkheid. Don Felix vroeg daarop of zijn nicht reeds bij de hand was. “Neen,” antwoordde de duenna, “zij rust nog en gij kunt haar thans niet spreken, maar komt vanmiddag terug.” Dit antwoord was koren op den molen van don Louis, die den morgen verder zeer lang vond. Hij kwam thuis met Mendoza, die niet weinig genoot van de duidelijke verschijnselen eener echte liefde, die hij in den ander opmerkte.

Hij sprak slechts over Aurora en toen zij gegeten hadden, zei don Felix: “Ik krijg een idee. Ik zal even voor u bij mijne tante aanloopen en met mijn nicht persoonlijk spreken om zoo mogelijk te ontdekken hoe zij over u denkt.” Don Louis vond dit uitstekend; hij liet zijn vriend gaan en vertrok zelf een uur later. Mijne meesteres had zich dien tijd ten nutte gemaakt en was weder als vrouw gekleed, toen haar aanbidder verscheen. “Ik dacht,” zei deze, “hier don Felix te vinden.”—“Hij komt dadelijk,” antwoordde dona Kimena, “hij zit in mijn vertrek te schrijven.” Pacheco nam deze uitvlucht voor goede munt op, doch ondanks de aanwezigheid van zijne aangebedene bemerkte hij, dat de uren voorbijgingen zonder dat Mendoza verscheen en daar hij niet kon nalaten daarover eenige verwondering te laten blijken, begon Aurora plotseling te lachen en zei tegen don Louis: “Is het mogelijk dat gij niet het minste vermoeden hebt van het bedrog waarvan gij de dupe zijt? Een valsche blonde pruik en geverfde wenkbrauwen veranderen mij toch niet zoo, dat [305]men zich daarin nog kan vergissen. Weet Pacheco, dat don Felix de Mendoza en Aurora de Guzmann slechts een en dezelfde zijn!”

Ze bepaalde zich er niet toe hem uit die dwaling te helpen; zij bekende hem het zwak, dat ze op hem had en alle stappen, welke zij gedaan had, om hem op het punt te brengen, waar ze hem hebben wilde. Don Louis was niet minder bekoord dan verrast door hetgeen hij zooeven gehoord had; hij wierp zich aan de voeten van mijn meesteres en zei haar met geestdrift: “Ah! schoone Aurora, kan ik werkelijk gelooven, dat ik de gelukkige sterveling ben, voor wien ge zooveel goedheid hebt gehad? Wat kan ik doen om u mijn erkentelijkheid te betuigen? Een liefde tot in eeuwigheid zou niet groot genoeg zijn om u dat te vergelden.” Die woorden werden gevolgd door duizenden andere teedere en hartstochtelijke uitdrukkingen, waarna de geliefden spraken over de maatregelen, welke ze hadden te nemen om tot de vervulling van hunne wenschen te geraken. Er werd besloten, dat wij allen dadelijk naar Madrid zouden vertrekken, waar wij onze comedie met een huwelijk zouden besluiten. Dat plan werd bijna met even groote snelheid uitgevoerd als het werd bedacht. Don Louis huwde veertien dagen later met mijne meesteres en hun bruiloft werd met vele luisterrijke feesten gevierd. [306]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.