Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 26

Hoewel Mevrouw Jennings gewoon was, een groot deel van het jaar door te brengen ten huize van hare kinderen en vrienden, was zij toch niet zonder een eigen vaste woonplaats. Sedert den dood van haar echtgenoot, die een voorspoedigen handel placht te drijven in een minder sierlijke wijk, had zij des winters geregeld een huis bewoond in een der straten in den omtrek van Portman Square. Aan dat tehuis begon zij, toen de maand Januari naderde, weer eens te denken, en op zekeren dag vroeg zij de beide oudste dames Dashwood zonder eenige voorbereiding en voor hen geheel onverwacht, of zij haar daarheen wilden vergezellen. Elinor, die niet aanstonds bespeurde, hoe Marianne door haar wisselende kleur en gespannen blik verried, dat het plan haar niet onverschillig was, sloeg dadelijk dankbaar, maar beslist de uitnoodiging voor hen beiden af, in de meening, dat zij het op dit punt volkomen eens waren. De reden, welke zij aanvoerde was hun stellig besluit, hun moeder niet om dezen tijd van het jaar te willen alleen laten. Mevrouw Jennings scheen min of meer verwonderd over die weigering, en herhaalde hare vraag onmiddellijk.

“O lieve deugd; ik weet zeker, dat je mama je heel goed kan missen; en ik hoop toch, dat je mij ’t pleizier zult doen; want ik ben er nu eenmaal erg op gesteld. Denk maar niet, dat je ’t mij lastig zult maken, want ik maak volstrekt geen omslag voor jelui. Betty zal alleen met de postkoets moeten reizen, en dàt is nu de heele wereld niet. Wij gaan dan met ons drieën in mijn rijtuig; en wanneer jelui in de stad niet overal met mij mee wilt gaan, [174]dan is dat niets, want dan kun je altijd gaan met eene van mijn dochters. Ik wed dat je moeder er niets op tegen heeft; want ik heb het zoo gelukkig getroffen met mijn beide kinderen, zoo goed bezorgd, nietwaar? dat ze mij de aangewezen persoon zal vinden om jelui onder mijn hoede te nemen, en als niet één van jelui beiden ten minste een goed huwelijk doet, eer ik je weer aflever, dan zal het mijn schuld niet zijn. Ik zal een goed woordje voor jelui doen bij de heeren, daar kan je op aan.”

“’t Komt mij voor,” zei Sir John, “dat Marianne niets op het plan zou tegen hebben, als haar zuster ook van de partij wilde zijn. ’t Is ook wel wat erg, dat zij niet eens een pleiziertje mag hebben, omdat Elinor het niet wenscht. Ik zou u raden om maar met u beitjes naar de stad te trekken, als u genoeg krijgt van Barton, en er Elinor niets van te vertellen.”

“Ja, kijk eens,” riep Mevrouw Jennings, “ik zou verbazend in mijn schik zijn met Marianne’s gezelschap, of Elinor meegaat of niet, maar hoe meer zielen hoe meer vreugd, zeg ik altijd, en ik dacht, dat het gezelliger voor hen was samen te zijn; want als ik hen dan verveel, kunnen ze samen praten, en mij nog eens uitlachen achter mijn rug. Maar een van beiden moet ik hebben, als ik ze allebei niet krijgen kan. Wel lieve deugd, hoe zou ik het uithouden in mijn eentje, terwijl ik tot aan dezen winter toe altijd Charlotte bij mij had. Kom Marianne, laten wij nu maar zeggen dat de zaak beklonken is, en als Elinor zich dan nog bedenkt over een tijdje, des te beter.”

“Ik dank u, mevrouw, ik dank u hartelijk,” zei Marianne met nadruk; “ik kan u niet genoeg danken, voor uwe uitnoodiging, en ik zou innig gelukkig zijn, ja, zoo gelukkig als ik met mogelijkheid zijn kàn, wanneer ik die mocht aannemen. Maar moeder, onze lieve beste moeder, ik weet, dat Elinor gelijk heeft in ’t geen zij zeide, en als zij door onze afwezigheid [175]verdriet of zorg moest hebben... Neen, neen, niets zou mij kunnen verleiden om haar alleen te laten. Het mag, en het moet geen strijd kosten.”

Mevrouw Jennings herhaalde haar verzekering dat Mevrouw Dashwood hen best kon missen; en Elinor, die thans haar zuster begreep, en zag hoe haar verlangen om Willoughby weer te ontmoeten, haar voor al wat daar buiten lag, bijna onverschillig deed worden, verzette zich niet langer rechtstreeks tegen het plan, en wilde alleen de beslissing overlaten aan hare moeder, van wie zij echter niet verwachtte veel steun te zullen ontvangen bij haar poging tot verhindering van een bezoek, dat zij voor Marianne verkeerd achtte, en dat zij voor zichzelf om bijzondere redenen liever vermeed. Wat Marianne ook mocht verlangen, haar moeder zou altijd bereid zijn, haar wenschen in te willigen; zij mocht niet verwachten, Mevrouw Dashwood te kunnen bewegen tot voorzichtigheid in eene zaak waaromtrent zij nooit bij machte was geweest haar wantrouwen in te boezemen, en de reden voor haar eigen ongeneigdheid naar Londen te gaan, kon zij niet openlijk zeggen. Dat Marianne, veeleischend als zij was, en maar al te goed bekend met Mevrouw Jennings’ eigenaardigheden, die telkens opnieuw haar afkeer wekten, elke onaangenaamheid van dien aard kon over het hoofd zien, geheel uit het oog kon verliezen wat haar prikkelbare gevoeligheid het meest moest kwetsen, door het najagen van dat ééne doel, was een zóó sterksprekend, overtuigend bewijs, hoe uitsluitend dat doel haar vervulde, als Elinor, zelfs na al wat er was voorgevallen, niet had kunnen verwachten.

Toen Mevrouw Dashwood van de uitnoodiging hoorde, wilde zij, stellig overtuigd als zij was dat zulk een uitstapje haar dochters veel genoegen zou verschaffen, en ondanks Marianne’s betuigingen van aanhankelijkheid wel bespeurend, hoe haar [176]hart eraan hing, volstrekt niet, dat deze om harentwil zou worden afgeslagen; zij rustte niet eer beiden beloofd hadden te zullen gaan, en begon aanstonds met haar gewone opgewektheid, een menigte voordeelen op te sommen, die uit deze scheiding voor hen allen zouden voortvloeien.

“Ik vind het een uitmuntend plan,” riep zij; “het is juist naar mijn zin. ’t Zal voor Margaret en mij even goed zijn als voor jelui. Als de Middletons dan ook weg zijn, kunnen we ons zoo rustig en gezellig bezighouden met onze boeken en muziek! Als je dan terugkomt, zul je Margaret zoo vooruitgegaan vinden! En ik heb een plannetje gemaakt om jelui slaapkamers te veranderen, dat nu ook kan worden uitgevoerd zonder iemand last te veroorzaken. Het is bepaald héél goed, dat je eens naar de stad gaat, ik vind dat iedere jonge dame van jelui positie in de wereld, het Londensche leven en de Londensche vermaken behoort te leeren kennen. Je zult onder de hoede zijn van een moederlijke goedhartige vrouw, op wier vriendelijkheid voor jelui ik kan rekenen. Waarschijnlijk zul je ook je broer ontmoeten, en wat ook zijn gebreken mogen zijn, of die van zijn vrouw, als ik bedenk, wiens zoon hij is, dan kan ik niet goed hebben, dat jelui zoo heel en al van elkaar zoudt vervreemden.”

“Hoewel u, als gewoonlijk alleen bedacht op ons genoegen,” zei Elinor, “alle bezwaren tegen het plan, die bij u opkwamen, hebt weggeredeneerd, is er toch nog één beletsel, dat naar ’t mij voorkomt, niet zoo gemakkelijk kan worden terzij geschoven.”

Marianne’s gezicht betrok.

“Wat gaat mijn lieve voorzichtige Elinor ons nu onder het oog brengen?” zei Mevrouw Dashwood. “Welk geducht bezwaar komt zij opperen? Over de kosten wil ik geen enkel woord hooren.”

“Mijn bezwaar is dit: al heb ik op Mevrouw Jennings’ hart niets aan te merken, zij is toch geen vrouw, in wier gezelschap wij genoegen vinden, of [177]wier bescherming voor ons eenige waarde heeft.”

“Dat is wèl waar,” antwoordde haar moeder; “maar op háár gezelschap, zonder dat van anderen, zul je heel weinig zijn aangewezen, en in ’t publiek vertoon je je toch bijna altijd met Lady Middleton.”

“Al zou Elinor zich door haar afkeer van Mevrouw Jennings laten bewegen om weg te blijven,” zei Marianne, “dan behoeft dat nog geene reden te zijn, waarom ik zou bedanken voor hare uitnoodiging. Voor mij bestaan die bezwaren niet, en ik weet weet zeker, dat het mij heel weinig moeite zal kosten, dergelijke onaangenaamheden te verdragen.”

Elinor kon niet nalaten te glimlachen over dit vertoon van onverschilligheid voor de eigenaardigheden van iemand, jegens wie zij Marianne dikwijls slechts met moeite had kunnen overhalen, een dragelijk beleefde houding aan te nemen, en nam zich in stilte voor, zoo haar zuster erbij bleef, te willen gaan, haar in elk geval te vergezellen; daar zij het niet goedkeurde, dat het Marianne zou vrijstaan, geheel naar eigen inzicht te handelen, noch ook, dat Mevrouw Jennings, op het punt van huiselijke gezelligheid, volkomen aan Marianne’s genade zou zijn overgeleverd. Zij verzoende zich te gemakkelijker met deze beslissing, toen zij bedacht, dat Edward Ferrars, volgens Lucy’s mededeeling, niet vóór Februari in de stad zou komen, en dat hun bezoek vóór dien tijd wel zou kunnen zijn afgeloopen, ook zonder dat het opvallend werd bekort.

“Jelui moet allebei gaan,” zei Mevrouw Dashwood; “die bezwaren zijn pure onzin. Je zult het alleraardigst vinden, in Londen te zijn; vooral met je beiden; en als Elinor zich ooit wilde verwaardigen, zich genoegen van iets voor te stellen, dan zou ze het nu om verschillende redenen wel mogen verwachten; misschien zou ze zich dan wel verheugen op een nadere kennismaking met de familie van haar schoonzuster.”

Elinor had dikwijls verlangd naar eene gelegenheid, [178]waarbij zij zou kunnen trachten, haar moeder’s stellig vertrouwen in de genegenheid tusschen Edward en haarzelve aan het wankelen te brengen, opdat de schok haar minder hevig zou treffen, wanneer de geheele waarheid werd geopenbaard. en bij deze woorden dwong zij zichzelve, hoewel met weinig hoop op eenig gunstig gevolg, tot een begin van uitvoering van dit plan, door zoo kalm mogelijk te zeggen: “Ik houd veel van Edward Ferrars, en ’t zal mij altijd genoegen doen, hem te ontmoeten; maar wat de overige familieleden betreft, ’t is mij volkomen onverschillig, of ik ze ooit zal leeren kennen.”

Mevrouw Dashwood glimlachte en gaf geen antwoord. Marianne keek verwonderd op, en Elinor begreep, dat zij even goed had kunnen zwijgen.

Er waren thans niet veel besprekingen meer noodig, eer het vaststond, dat de uitnoodiging met genoegen zou worden aangenomen. Mevrouw Jennings ontving dat bericht met uitbundige vreugde, en veel betuigingen van vriendelijkheid en goede zorg; zij was trouwens niet de eenige, die zich erover verblijdde. Sir John was verrukt; want voor een man, die niets zoozeer vreesde als de eenzaamheid, beteekende de vermeerdering van Londen’s aantal inwoners met twee toch altijd iets. Zelfs Lady Middleton gaf zich de moeite, haar ingenomenheid met het plan te betuigen, ’t geen voor haar een heel ding was; en wat de dames Steele betrof, vooral Lucy, zij waren nog nooit in haar leven zoo blij geweest, als bij het hooren van dit bericht.

Elinor voegde zich in de schikking, die in strijd was met haar eigen wenschen, met minder tegenzin dan zij verwacht had. Wat haarzelve betrof, het was haar thans onverschillig of zij naar de stad ging of niet; en toen zij zag, hoe hartelijk haar moeder zich verheugde over het plan, hoe haar zuster in blik, stem en houding haar blijdschap [179]verried, hoe zij al haar oude levendigheid en meer dan haar vroegere vroolijkheid erdoor had herwonnen, kon zij over de oorzaak dier verandering niet onvoldaan zijn, en bestreed haar neiging tot bezorgdheid over de gevolgen ervan.—

Marianne’s blijdschap was bijna te groot om te kunnen doorgaan voor geluk; zoo gejaagd en onrustig was zij, en zoo verlangend om te vertrekken. Slechts haar ongeneigdheid om haar moeder te verlaten, kon haar eenigszins tot kalmte stemmen, en bij het afscheid ging haar verdriet alle perken te buiten. Haar moeder toonde zich weinig minder bedroefd, en Elinor was de eenige van de drie, die in deze scheiding nog niet juist een vaarwel voor eeuwig scheen te zien.

Zij vertrokken in de eerste week van Januari. De Middletons wilden ongeveer een week later gaan. De dames Steele bleven vooreerst nog op het Park, en zouden eerst met de overige familie vertrekken.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.