Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 27

Elinor kon, toen zij eenmaal met Mevrouw Jennings in het rijtuig was gezeten, aan ’t begin van de reis naar Londen, onder hare bescherming, en als haar gast, niet nalaten zich te verbazen over haar eigen toestand; zoo kort hadden zij deze dame nog maar gekend; zoo weinig pasten zij bij haar in leeftijd en geaardheid, en zoovele bezwaren tegen dezen stap had zij nog slechts een paar dagen te voren gemeend te moeten aanvoeren! Doch die bezwaren waren alle overwonnen of op zij gezet door Marianne en hare moeder, met die gelukkige en jeugdige geestdrift, die beiden in gelijke mate bezielde, en Elinor [180]kon, ondanks haar telkens terugkeerenden twijfel aan Willoughby’s standvastigheid, de verwachtingsvolle verrukking, die Marianne’s ziel vervulde, en straalde uit haar blik, niet aanschouwen, zonder te gevoelen, hoe kleurloos daarbij vergeleken haar eigen vooruitzichten schenen, hoe vreugdeloos haar eigen gemoedsstemming was, en hoe gaarne zij zelfs in die zorgwekkende onzekerheid van Marianne’s toestand zou hebben willen deelen, om althans hetzelfde bezielende doel voor oogen te hebben, de zelfde mogelijkheid tot verwezenlijking harer hoop.—Binnen korten, zéér korten tijd echter zou thans blijken, wat Willoughby’s bedoelingen waren; naar alle waarschijnlijkheid was hij reeds in de stad. Marianne’s verlangen om te gaan bewees, hoe vast zij erop rekende, hem daar te ontmoeten. En Elinor was vastbesloten, niet alleen alles gewaar te worden, zoo door eigen waarneming als door mededeelingen van anderen, wat een nieuw licht kon werpen op zijn karakter, maar ook zijn houding tegenover haar zuster zoo nauwlettend gade te slaan, dat zij, eer die beiden elkaar meermalen hadden ontmoet, zich zekerheid zou hebben verschaft omtrent de vraag, wie hij was, en wat hij wilde. Mocht de uitslag van hare waarnemingen ongunstig zijn, dan was zij voornemens, in elk geval haar zuster de oogen te openen; zoo niet, dan zou zij haar kracht op andere wijze moeten inspannen,—zij zou dan moeten pogen, elke zelfzuchtige vergelijking te vermijden, en alle droefheid te verbannen, die haar voldoening over Marianne’s geluk verminderen kon.

Drie dagen duurde de reis, en Marianne’s gedrag gedurende dien tijd was een merkwaardig staaltje van ’t geen voor het vervolg, op het punt van inschikkelijkheid en voorkomendheid jegens Mevrouw Jennings van haar te wachten viel. Bijna voortdurend zat zij zwijgend in gedachten verzonken, zonder ooit uit zichzelve een woord te spreken, [181]tenzij de schilderachtige schoonheid van de omgeving haar een uitroep van verrukking ontlokte, die uitsluitend tot haar zuster gericht was. Om haar gedrag goed te maken, aanvaardde Elinor dus onmiddellijk de taak der beleefdheid, die zij zichzelve reeds had opgedragen; gedroeg zich tegenover Mevrouw Jennings met de grootste voorkomendheid, praatte en lachte met haar, en luisterde zoo goed zij kon naar haar verhalen; terwijl Mevrouw Jennings van haar kant beiden allervriendelijkst behandelde, zooveel in haar vermogen was zorgde voor hun gemak en genoegen, en alleen maar betreurde, dat zij hen in de hotels hun eigen maaltijden niet kon laten kiezen, en hun met geen mogelijkheid de bekentenis kon afpersen, of zij de voorkeur gaven aan zalm boven kabeljauw, of aan gekookte kip boven kalfscoteletten. Zij kwamen den derden dag om drie uur in Londen aan, blijde niet langer in een rijtuig te zijn opgesloten na zulk een lange reis, en zich bij voorbaat verheugend op de behagelijkheid van een helder brandend haardvuur.

Het huis was mooi, en mooi ingericht, en de jonge dames werden aanstonds naar een zeer gezellige eigen zitkamer gebracht. Het was vroeger Charlotte’s kamer geweest, en boven den schoorsteenmantel hing nog een landschap in gekleurde zijde, door haar geborduurd, als een bewijs dat zij niet zonder resultaat zeven jaren in een deftige Londensche kostschool had doorgebracht. Daar zij eerst twee uren na hun aankomst zouden dineeren, besloot Elinor in dien tusschentijd aan haar moeder te schrijven, en ging zitten om haar brief te beginnen. Een oogenblik later volgde Marianne haar voorbeeld.

Ik schrijf naar huis, Marianne,” zei Elinor, “zou jij niet liever nog een paar dagen wachten met een brief?”

“Ik schrijf niet aan moeder,” antwoordde [182]Marianne haastig, alsof zij wenschte verder navragen te vermijden.

Elinor zei niets meer; zij begreep dadelijk, dat Marianne aan niemand anders kon schrijven dan aan Willoughby, en even onmiddellijk leidde zij hieruit af, dat die twee, al verkozen zij nu eenmaal geheimzinnig te doen, in elk geval verloofd moesten zijn. Die overtuiging, ofschoon niet volkomen bevredigend, schonk haar toch genoegen, en zij ging iets opgewekter voort met haar brief. Die van Marianne was in een paar minuten gereed; het kon niet meer dan een kort briefje zijn; zij vouwde, verzegelde en adresseerde het in groote haast. Elinor meende een groote W. te onderscheiden in het adres; maar zoodra het geschreven was, vroeg Marianne reeds aan den bediende die op haar bellen verscheen, den brief voor haar op de post te bezorgen, zoodat alles in een oogwenk was beslist.

Marianne bleef nog steeds bijna overdreven vroolijk, maar er was iets gejaagds in haar manier van zijn, dat haar zuster belette zich over haar opgewektheid te verheugen; en die gejaagdheid nam toe, naarmate de avond verstreek. Zij had in ’t geheel geen eetlust, en toen zij naar den salon waren teruggegaan, scheen zij angstig te luisteren naar het geluid van ieder rijtuig.

Elinor was uiterst dankbaar, dat Mevrouw Jennings, die veel in haar eigen kamer bezig was, weinig bespeurde van ’t geen er voorviel. Het theeservies werd binnengebracht, en reeds was Marianne meermalen teleurgesteld geworden door een kloppen aan eene naburige deur, toen plotseling een luide klop werd vernomen, die hun huis gold en geen ander; daarin konden zij zich niet vergissen. Elinor dacht stellig, dat Willoughby elk oogenblik kon binnenkomen; Marianne sprong op, en deed een paar stappen naar de deur. Alles bleef stil; langer dan een paar seconden kon zij dat niet verdragen; zij opende de deur, liep een eind [183]naar de trap, en keerde, na een oogenblik te hebben geluisterd, in de kamer terug, zóó opgewonden, als zij slechts kon zijn door de zekerheid, hem werkelijk te hebben gehoord. In haar verrukking kon zij niet nalaten uit te roepen: “O Elinor, ’t is waar; het is Willoughby!” en zij scheen op het punt zich in zijn armen te willen werpen, toen Kolonel Brandon binnentrad.

De schok was te hevig om met kalmte te worden verdragen, en zij ging onmiddellijk de kamer uit. Elinor was ook teleurgesteld, maar haar genegenheid voor Kolonel Brandon deed haar zijn bezoek toch welkom zijn, en het speet haar bijzonder, dat deze man, die zooveel van hare zuster hield, moest bemerken, dat zij bij zijn weêrzien niets dan verdriet en teleurstelling gevoelde. Zij bespeurde aanstonds, dat hij het wel had opgemerkt; dat hij Marianne zelfs oplettend aanzag, toen zij de kamer verliet, met zóóveel verwondering en spijt, dat hij bijna vergat, wat de beleefdheid jegens haarzelve van hem vorderde. “Is uw zuster niet wel?” vroeg hij.

Elinor antwoordde half verlegen, half treurig, dat dit het geval was, en sprak van hoofdpijn, gedruktheid, over-vermoeienis, en allerlei meer, waaraan zij haar zuster’s gedrag redelijkerwijze kon toeschrijven.

Hij hoorde haar ernstig en aandachtig aan; maar scheen zichzelf thans weer meester, en ging niet op het onderwerp door, doch begon dadelijk over het genoegen, dat het hem deed, hen in Londen te ontmoeten, en deed de gewone vragen naar hunne reis, en de vrienden, die zij hadden achtergelaten.

Op dien kalmen en vriendelijken toon, doch zonder veel belangstelling van weerskanten, zetten zij het gesprek voort, beiden ontstemd, en beiden met hun gedachten elders. Elinor zou zeer gaarne hebben gevraagd of Willoughby in de stad was; [184]maar zij vreesde hem verdriet te doen, door te vragen naar zijn medeminnaar, en eindelijk vroeg zij, om maar iets te zeggen, of hij in Londen was gebleven, sedert zij elkaar het laatst hadden gezien. “Ja,” antwoordde hij, ietwat verlegen, “bijna altijd; ik ben nog een paar malen te Delaford geweest een dag of wat, maar ik kon onmogelijk te Barton terugkomen.”

Die woorden, en de wijze waarop hij ze zeide, brachten haar onmiddellijk de omstandigheden voor den geest, waaronder hij hen had verlaten; evenals de ongerustheid en de vermoedens, die zijn vertrek bij Mevrouw Jennings had gewekt, en zij vreesde, dat zij door hare vraag veel meer nieuwsgierigheid had laten blijken naar dit onderwerp, dan zij ooit gevoeld had.

Spoedig kwam nu ook Mevrouw Jennings binnen. “Wel, Kolonel,” zei ze, met haar gewone luidruchtige vroolijkheid, “ik ben reusachtig blij, dat ik u zie,—’t spijt me, dat ik niet eerder beneden kwam,—neem het mij niet kwalijk; maar ik moest volstrekt alles een beetje nagaan, en orde stellen op mijn zaakjes, want ik ben lang van huis geweest en u weet hoe dat gaat, men heeft dan van alles en nog wat te beredderen, als men terug komt; ik heb Cartwright ook nog bij me gehad, om over zaken te spreken. Ik ben sedert na den eten onafgebroken in touw! Maar vertel mij eens, Kolonel, hoe hebt u dat zoo precies kunnen raden, dat ik vandaag weer in de stad kwam?”

“Ik hoorde het tot mijn groot genoegen van Mevrouw Palmer, bij wie ik gedineerd heb.”

“Zoo, zoo, en hoe maken de kinderen het wel? Hoe gaat het met Charlotte? Die zal er wel niet magerder op zijn geworden, denk ik.”

“Mevrouw Palmer maakte het, naar ’t mij voorkwam, heel goed, en zij droeg mij op, u te vertellen, dat ze u stellig morgen komt bezoeken.”

“Natuurlijk; dat dacht ik al. Wel, Kolonel, u [185]ziet, ik heb twee jonge dames meegebracht; dat is te zeggen, u ziet er nu maar eene van, maar er is ook nog een andere. Uw vriendin Juffrouw Marianne is hier ook,—daar zult u wel niet op tegen hebben. Ik weet niet wat we nu wel zullen te doen krijgen over haar tusschen u en Mijnheer Willoughby. Ja, ja, ’t is lang niet onaardig, om jong en mooi te zijn. Nu, ik ben ook eenmaal jong geweest; maar mooi was ik nooit—jammer genoeg voor mij. En toch heb ik een besten man gekregen; méér kan zelfs de grootste schoonheid niet. Hij is nu al meer dan acht jaar dood, die goeie man. Maar, Kolonel, waar hebt u nu wel gezeten sinds we afscheid namen? En hoe staat het met uw zaken? Kom, kom, onder vrienden behoeven we geen geheimen te hebben voor elkaar.”

Hij beantwoordde al haar vragen met zijn gewone zachtaardigheid; maar voldeed haar op geen enkel punt. Elinor ging nu thee zetten, en Marianne moest wel weer binnenkomen. Kolonel Brandon was na haar komst nadenkender en stiller dan te voren, en Mevrouw Jennings kon hem niet bewegen, lang te blijven. Dien avond kwam er geen ander bezoek, en de dames waren eensgezind in hun verlangen om vroeg naar bed te gaan.

Bij het opstaan was Marianne’s stemming verbeterd, en zij keek weer vroolijk. De teleurstelling van den vorigen avond scheen vergeten door de verwachting van wat deze dag brengen zou. Kort na het ontbijt reeds hield Mevrouw Palmer’s rijtuig voor de deur stil, en een paar minuten later kwam zij lachend de kamer binnen, zoo verrukt hen allen weer te zien, dat men moeilijk kon nagaan, wat haar het meest plezier deed, haar moeder of de dames Dashwood weer te ontmoeten. Zoo verbaasd dat ze toch naar de stad gekomen waren, hoewel ze ’t eigenlijk nooit anders verwacht had; en zoo boos, dat ze haar moeder’s uitnoodiging hadden aangenomen, na de hare te hebben geweigerd, [186]hoewel ze ’t hun tòch nooit zou hebben vergeven als ze niet gekomen waren!

“’t Zal mijn man zooveel pleizier doen, u te zien,” zei ze; “wat denkt u wel, dat hij zei, toen hij hoorde, dat u met mama meekwam? Ik kan ’t mij op ’t oogenblik niet goed meer herinneren; maar ’t was iets héél grappigs!”

Nadat een paar uren waren gesleten met wat haar moeder “gezellig babbelen” noemde, anders gezegd met een eindelooze reeks van vragen naar alle mogelijke kennissen van den kant van Mevrouw Jennings, en aanhoudend gelach zonder reden van dien van Mevrouw Palmer, stelde de laatste voor, dat ze allen met haar zouden meegaan naar een paar winkels, waar zij dien morgen boodschappen wilde doen; waartoe Mevrouw Jennings en Elinor, die ook het een en ander wenschten te koopen, gaarne bereid waren, terwijl Marianne, die eerst weigerde, werd overgehaald om ook te gaan.

Waarheen ze zich ook begaven, zij bleef blijkbaar aanhoudend op den uitkijk. In Bondstreet vooral, waar zij het meest te doen hadden, dwaalden haar blikken voortdurend rond, en welken winkel het gezelschap ook binnenging, haar geest was nergens bij hetgeen zij feitelijk vóór zich zag, bij al wat de aandacht der anderen boeide en bezighield. Overal rusteloos en onvoldaan als zij was, kon haar zuster haar nooit een oordeel ontlokken over eenige koopwaar, ook al had zij er zelve evenveel belang bij als Elinor. Zij had nergens pleizier in; verlangde alleen maar, weer naar huis te gaan, en kon slechts met moeite haar ergernis bedwingen over het getreuzel van Mevrouw Palmer, die al wat mooi, duur en nieuw was, onmiddellijk in het oog kreeg, in haar opgewondenheid alles wilde koopen, nooit een keus kon doen, en in verrukte weifelmoedigheid haar tijd verbeuzelde.

De morgen was al bijna verstreken toen zij thuis kwamen; zoodra de deur openging vloog Marianne [187]haastig naar boven, en toen Elinor haar gevolgd was, zag zij hoe haar zuster zich van de tafel afwendde, met een droevig gezicht, waarop duidelijk stond te lezen, dat Willoughby er niet geweest was.

“Is er geen brief voor mij gekomen, nadat wij uitgingen?” zei ze tot den bediende, die de pakjes binnenbracht. Deze antwoordde ontkennend. “Weet je het zeker!” vroeg zij. “Heeft geen knecht of geen kruier een briefje gebracht?”

De knecht antwoordde dat dit niet het geval was.

“Hoe allervreemdst,” zei ze zachtjes op teleurgestelden toon, terwijl zij naar het venster ging.

“Ja waarlijk, wèl vreemd,” herhaalde Elinor in stilte, terwijl ze haar zuster met bezorgdheid aanzag. “Als zij niet had geweten, dat hij in de stad was, dan zou ze niet aan hem hebben geschreven zooals ze deed; dan had ze geschreven naar Combe Magna, en als hij in de stad is, hoe zonderling dan, dat hij niet komt, en ook niet schrijft! O mijn beste moeder, het kan niet anders dan verkeerd zijn, een dochter die nog zoo jong is, toe te staan, zich te verloven met een man van wien wij zoo weinig weten, en dat op zulk een twijfelachtige geheimzinnige manier! Ik verlang navraag te doen; maar hoe zal mijn tusschenkomst worden opgenomen?”

Na eenige overweging besloot zij, wanneer deze onaangename toestand nog eenige dagen langer mocht voortduren, haar moeder met den meesten nadruk onder het oog te brengen, hoe noodzakelijk het was ernstig navraag te doen.

Mevrouw Palmer bleef bij hen eten, met twee oudere dames, goede bekenden van Mevrouw Jennings, die zij dien morgen had ontmoet. De eerste ging na de thee heen, om verder avondbezoeken af te leggen, en Elinor moest haar plaats innemen met de anderen om de whist-tafel. Marianne kon bij dergelijke gelegenheden nooit van dienst zijn, daar zij het spel niet had willen leeren; [188]maar al kon zij haar tijd dus gebruiken zooals zij wilde, deze avond verschafte haar even weinig genoegen als aan Elinor, want zij sleet dien in angstige verwachting en grievende teleurstelling. Soms trachtte ze een paar minuten te lezen; maar het boek werd spoedig terzijde geworpen, en zij keerde terug tot de meer bevredigende bezigheid van de kamer op en neer te loopen, waarbij ze telkens even bleef stilstaan, als zij bij het venster gekomen was, in de hoop den langverwachten klop te onderscheiden.—

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.