Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 30

Eer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar zachte meewarigheid zich uitsprak: “Marianne, mag ik een vraag doen?”

“Neen, Elinor,” antwoordde zij; “vraag maar niets; je zult spoedig alles weten.”

De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit, duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken, en werd [203]onmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg, dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor de laatste maal schreef aan Willoughby.

Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen samen te zijn; en Marianne’s rusteloosheid belette haar niet alleen, ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.

Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten; zoodat Elinor’s aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie nam van haarzelf.

Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang, en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend, onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby kwam, voelde zich op eens zóó [204]zenuwachtig worden, dat zij haar hoofd bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw Jennings’ aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby had gekregen, ’t geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol, waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van Elinor’s ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij kalmpjes door: “Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat hij haar niet lang meer laat wachten, want ’t is treurig om te zien, zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?”

Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval, en zei met een poging om te glimlachen: “Hebt u zich dat werkelijk in het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen huwelijk.”

“O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan niet allemaal, dat ze ’t al lang eens zijn,—dat ze tot over de ooren verliefd op elkaar waren van ’t oogenblik af dat ze elkaar voor ’t eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist ik [205]niet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad, om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat, dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat lijkt er niet naar; want ’t is in de heele stad bekend, al ik weet niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook.”

“Werkelijk, Mevrouw,” zei Elinor zeer ernstig; “u vergist u. Het zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u mij nu niet.” Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij, toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand, terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader, doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam Marianne’s hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid, en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen, in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne’s ontzettende smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid van Elinor’s medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning Willoughby’s brief op, waarin zij het volgende las: [206]

“Bondstreet Januari.

Geachte Mejuffrouw,

Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken, dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik u vergeving voor ’t geen ik u verzeker, dat van mijne zijde zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing, of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik, tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven, dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten, in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.

Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,

Uw gehoorzamen dienaar
John Willoughby.”

Elinor’s verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich gemakkelijk voorstellen. [207]Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw, en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel, van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die, inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende, geen meer dan gewone genegenheid toegaf,—een brief, waarin iedere regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis voor het leven met een gewetenloozen man,—als de gelukkigste aller bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.

Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief, over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster, vergat, dat er nog drie [208]ongelezen brieven op haar schoot lagen, en vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande, om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer verbaasd was, Mevrouw Jenning’s eigen rijtuig te zien, waarvan zij wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten, en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid, deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag, en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate haar waardeering van Elinor’s goedheid te uiten, door te zeggen:

“Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!”

“Ik wilde alleen maar,” antwoordde haar zuster, “dat ik iets kòn uitrichten, om je te troosten en goed te doen.”

Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne, die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen: “O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!” eer haar stem geheel door tranen werd verstikt. [209]

Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten medesleepen door onstuimige smart.

“Mijn lieve Marianne, doe toch je best,” riep zij, “wanneer je niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen, om harentwil.”

“Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; “ga dan, laat mij maar alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij, vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, ’t is wel gemakkelijk als men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen! Jij bent gelukkig, Elinor, jij kunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!”

“Noem je mij gelukkig, Marianne? O, als je eens wist! En denk je, dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?”

“Vergeef mij, vergeet mij,” riep Marianne, haar armen om haar zuster’s hals slaande; “ik weet hoe je met mij medegevoelt, ik weet welk een liefderijk hart je bezit, maar toch ben je—ja, je mòet gelukkig zijn; Edward heeft je lief;—en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?”

“Vele, zéér vele omstandigheden,” zeide Elinor met diepen ernst.

“Neen, neen, neen,” riep Marianne heftig; “hij heeft jou lief, en niemand anders. Je kunt geen verdriet hebben.”

“Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie.”

“Je zult mij nooit meer anders zien. Mijne smart kan door niets verzacht worden.”

“Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben, als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,—als je verloving maandenlang [210]slepende was gebleven, zooals licht had kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van noodlottig vertrouwen van jouw kant zou den slag te zwaarder hebben doen treffen.”

“Verloving?” riep Marianne; “maar wij waren niet verloofd.”

“Niet verloofd?”

“Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord tegenover mij niet gebroken.”

“Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?’

“Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,—maar het wàs zoo niet.”

“En toch schreef je aan hem!”

“Ja—kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er niet over spreken.”

Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de stad, luidde als volgt:

“Berkeley Street, Januari.

Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval. Dus tot ziens.  M.D.”

In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons, schreef zij:

“Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat je [211]ons eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche wachten. ’t Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen; want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was, en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren.”

M. D.”

De inhoud van haar laatste schrijven luidde:

“Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden, Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding, met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht, steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen, welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden, waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening heb [212]kunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts misleiding ten doel had;—laat dit dan zoo spoedig mogelijk worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken; maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt, met de lok van mijn haar, die in je bezit is.  M. D.”

Dat brieven als deze, zoo vol van genegenheid en vertrouwen, zóó hadden kunnen worden beantwoord, zou Elinor, om Willoughby te sparen, ongaarne hebben geloofd. Maar haar afkeuring van zijn gedrag verblindde haar niet voor het ongepaste in het feit van Marianne’s schrijven zelf; en in stilte betreurde zij de onvoorzichtigheid, die gewaagd had, zich dergelijke ongevraagde uitingen van teederheid te laten ontvallen, geenszins gewaarborgd door het vroeger voorgevallene, en door de uitkomst op de meest verpletterende wijze gelogenstraft; toen Marianne, ziende dat zij de brieven had gelezen, opmerkte, dat er niets in stond, dan wat ieder ander in haar omstandigheden zou geschreven hebben.

“Ik voelde mijzelve,” voegde zij erbij, “even plechtig aan hem verbonden, alsof de wet onze verbintenis bezegeld had.”

“Dat geloof ik graag,” zei Elinor, “maar hij dacht er ongelukkig zoo niet over.”

“Dat deed hij wèl, Elinor—weken achtereen heeft hij dat gevoeld. Ik weet het stellig. Wàt hem nu ook heeft doen veranderen (en dat kan niet anders zijn dan de vuigste verdachtmaking, tegen [213]mij aangewend), eens was ik hem zoo dierbaar als mijn eigen hart slechts kon verlangen. Hoe vurig heeft hij mij gesmeekt om die haarlok, die hij thans zoo onverschillig kan teruggeven! Als je toen zijn blik en houding hadt gezien, zijn stem hadt kunnen hooren! Heb je dien laatsten avond van ons samenzijn vergeten, in Barton? En dien morgen van het afscheid! Toen hij mij zeide, dat het weken zou kunnen duren, eer we elkaar weerzagen—zijn verdriet—zal ik het ooit kunnen vergeten?” Een oogenblik kon zij niet voortgaan met spreken; doch toen hare ontroering was bedaard, voegde zij erbij, op vasteren toon:

“Elinor, ik ben wreed behandeld; maar niet door Willoughby.”

“Maar lieve Marianne; door wien anders? Wie kan hem tegen je hebben opgezet?”

“De geheele wereld, eerder dan zijn eigen hart. Ik zou eerder gelooven dat al mijn bekenden hadden samengespannen, om mij in zijn oogen te vernederen, dan zijn natuur in staat te achten tot een dusdanige wreedheid. Die vrouw, waarover hij schrijft, wie ze dan ook moge zijn,—of... ja, ieder, behalve jij, mijn beste zuster, mama en Edward, kan zoo hardvochtig wreed zijn geweest, mij te belasteren. Is er, behalve jelui drieën, een schepsel ter wereld, dat ik niet eerder van kwaad zou verdenken dan Willoughby, wiens hart ik zóó wel ken?”

Elinor wilde niet met haar redetwisten, en antwoordde alleen: “Wie je dan ook zoo verfoeilijk vijandig gezind mochten zijn, beroof hen van hun kwaadaardige zegepraal, mijn lieve zuster, door te toonen, hoe fier de bewustheid van eigen onschuld en goede bedoelingen je het hoofd omhoog doet heffen. ’t Is een gegronde en prijzenswaardige trots, die dergelijke kwaadwilligheid weet te weerstaan.”

“Neen, neen,” riep Marianne, “verdriet als het kent geen trots. Ieder mag weten, dat ik ongelukkig [214]ben. Laat de geheele wereld den triomf genieten, mij zoo te zien. Elinor, Elinor, zij die weinig lijden, mogen zoo trotsch en onafhankelijk zijn als ze willen—mogen beleedigingen weerstaan, vernederende kwelling vergelden,—ik kan het niet. Ik moet voelen—ik moet lijden—laat dan genieten van eigen zelfbewustzijn, wie het vermag.”

“Maar om moeder’s, om mijnentwil...”

“Zou ik meer doen, dan voor mijzelve. Toch, gelukkig te schijnen, wanneer ik mij zoo wanhopig voel... O, wie kan dat verlangen?”

Weer zwegen beiden. Elinor bleef voortdurend, diep in gedachten, heen en weer wandelen van den haard naar het venster, van het venster naar den haard, zonder te bespeuren dat die haard warmte gaf, of dat zij voorwerpen kon onderscheiden buiten dat venster; en Marianne, op het voeteneind van het ledikant gezeten, met haar hoofd tegen een der stijlen geleund, nam weer Willoughby’s brief op, herlas huiverend iederen zin, en riep uit: “Het is te veel! O Willoughby, Willoughby, kon je dit schrijven? Het is wreed—wreed; niets kan je vrijspreken. Neen, Elinor, niets. Wat hij ook voor kwaad van mij mocht hebben gehoord, had hij niet moeten aarzelen, eer hij daaraan geloof sloeg? Had hij het mij niet moeten vertellen, mij in staat stellen mij zelve vrij te pleiten? “De haarlok” (las zij uit den brief) “die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken”—dat is onvergefelijk. Willoughby, waar was je hart, toen je die woorden schreef? O, de hardvochtigheid van die beleediging!—Elinor, is er eenige rechtvaardiging te vinden van zijn gedrag?”

“Neen, Marianne; geen enkele.”

“En toch, deze vrouw,—wie weet hoe listig zij geweest is—hoe lang van te voren zij haar plannen had beraamd, en hoe behendig zij ze heeft weten uit te voeren! Wie is zij?—Wie kan ze zijn? Wie beschreef hij ooit onder de dames van zijn kennis [215]als jong en aantrekkelijk? O niemand, niemand—tegen mij sprak hij over mijzelve alleen.”

Weer volgde een poos van stilte; Marianne was heftig bewogen;—eindelijk zei ze:

“Elinor, ik moet naar huis. Ik moet mama gaan troosten. Kunnen we morgen niet gaan?”

“Morgen, Marianne?”

“Ja; waarom zou ik hier blijven? Ik kwam alleen om Willoughby;—en wie geeft hier nu om mij? Wie draagt mij een goed hart toe?”

“Het zou onmogelijk zijn, morgen al te gaan. We zijn Mevrouw Jennings meer dan beleefdheid verschuldigd, en de eenvoudigste beleefdheidsregelen zouden zulk een overhaast vertrek verbieden.”

“Nu, dan een paar dagen nog; maar ik kan hier niet lang meer blijven; ik kan de vragen en opmerkingen van al die menschen niet verdragen. De Middletons en de Palmer’s—hoe zal ik hun medelijden kunnen verduren? Medelijden van een vrouw als Lady Middleton!—O... wat zou hij daarvan zeggen!”

Elinor gaf haar den raad, weer te gaan liggen, en een oogenblik deed zij dat ook; maar zij kon in geen enkele houding rust vinden en in haar pijnigende gejaagdheid naar lichaam en geest bleef zij voortdurend in beweging, tot zij zoo zenuwachtig werd, dat haar zuster haar slechts met moeite in bed kon houden, en een oogenblik bang was, dat zij vreemde hulp zou moeten inroepen. Een paar lavendeltabletten, die Elinor haar eindelijk overreedde, in te nemen, kalmeerden haar een weinig, en daarna bleef zij, tot Mevrouw Jennings terugkwam, stil en zonder zich meer te bewegen, op het bed liggen. [216]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.