Gedurende de drie of vier volgende dagen viel niets voor, dat Elinor spijt had kunnen doen gevoelen, omdat zij zich tot hare moeder gewend had, want Willoughby kwam noch schreef. Aan het eind van dit tijdsverloop hadden zij afgesproken Lady Middleton te vergezellen naar eene partij, waarheen Mevrouw Jennings verhinderd was te gaan, door ongesteldheid van hare jongste dochter; en voor deze partij maakte Marianne, diep terneergeslagen, onverschillig voor haar uiterlijk voorkomen, en in eene stemming waarin het haar volkomen hetzelfde was, of zij ging of thuis bleef, zich gereed, zonder één hoopvollen blik, ééne uiting van blijdschap. Na de thee zat zij bij het vuur in den salon, tot het oogenblik van Lady Middleton’s komst, zonder van haar stoel op te staan of van houding te veranderen, verzonken in haar eigen gedachten en onbewust van haar zusters tegenwoordigheid; en toen hun tenslotte gezegd werd, dat Lady Middleton’s rijtuig voor de deur op hen wachtte, schrikte zij op, alsof zij had vergeten, dat zij zouden worden afgehaald.
Zij kwamen op tijd ter bestemder plaatse, stapten uit, zoodra de lange rij van rijtuigen vóór hen [198]daartoe gelegenheid bood, gingen de trap op, hoorden hunne namen, met luider stem aangekondigd, van het eene portaal naar het andere galmen en traden een schitterend verlicht vertrek binnen, vol gasten, en onverdragelijk warm. Toen zij aan den eisch der beleefdheid hadden voldaan door hun buiging te maken voor de dame des huizes, werd hun vergund zich onder het gezelschap te mengen en hun aandeel te dragen van de hitte en de benauwdheid, die noodzakelijk door hunne komst nog moesten worden vermeerderd. Nadat er een tijdlang weinig gezegd en nog minder gedaan was, nam Lady Middleton plaats aan de speeltafel, en daar Marianne geen lust had om rond te loopen, gingen zij en Elinor, die gelukkig stoelen hadden kunnen bemachtigen, niet ver van de tafel zitten.
Dit had nog niet lang geduurd, toen Elinor op eenigen afstand van hen Willoughby zag staan, in ernstig gesprek met eene zeer modieus uitziende jonge dame. Hun blikken ontmoetten elkaar, en hij boog, doch zonder haar aan te spreken of een poging te doen, om Marianne te naderen, ofschoon hij haar wel moest zien; en daarop zette hij zijn gesprek met dezelfde dame voort. Elinor wendde zich onwillekeurig tot Marianne om te zien, of zij niets had opgemerkt. Juist op dat oogenblik kreeg zij hem in het oog; haar gezicht straalde van plotselinge verrukking, en zij zou naar hem toegesneld zijn, als haar zuster haar niet had vastgegrepen. “O Elinor!” riep ze; “daar is hij—daar is hij! O, waarom ziet hij niet naar mij? Waarom kan ik niet met hem spreken?”
“Ik bid je, ik smeek je, wees bedaard,” zeide Elinor, “en laat niet iedereen merken, wat in je omgaat. Misschien heeft hij je nog niet gezien.”
Dit was meer, dan zij zelve kon gelooven; en bedaard blijven op zulk een oogenblik ging niet alleen Marianne’s krachten te boven; maar zij wilde dat niet eens. Iedere trek van haar gelaat [199]verried haar martelend ongeduld. Eindelijk keerde hij zich nogmaals om, en zag hen beiden aan; zij sprong op en stak hem de hand toe, terwijl zij op hartelijken toon zijn naam noemde. Hij kwam nader, en terwijl hij zich meer tot Elinor wendde dan tot Marianne, wier blik hij vermeed, en wier houding hij niet scheen te willen opmerken, vroeg bij vluchtig en gehaast naar Mevrouw Dashwood, en hoe lang zij reeds in de stad waren. Zijn houding deed Elinor al haar tegenwoordigheid van geest verliezen; zij kon geen woord uitbrengen. Doch haar zuster’s gevoel vond onmiddellijk uiting. Een donkere blos kleurde haar gelaat, en zij riep uit op een toon, die de hevigste ontroering verried: “Goede God, Willoughby, wat beteekent dit! Heb je mijn brieven niet ontvangen? Wil je mij geen hand geven?”
Toen kon hij het niet meer vermijden; maar hare aanraking scheen hem onaangenaam te zijn, en hij liet onmiddellijk hare hand los. Al dien tijd deed hij zichtbaar moeite om bedaard te blijven. Elinor lette op zijn gezicht, en zag dat zijn uitdrukking kalmer werd. Na een oogenblik van stilte zei hij rustig: “Den vorigen Dinsdag heb ik een bezoek gebracht in Berkeley Street; het speet mij zeer u en Mevrouw Jennings niet thuis te treffen. Mijn kaartje is, hoop ik, niet verloren geraakt?”
“Maar heb je mijn brieven dan niet ontvangen?” riep Marianne, doodelijk beangst. “Het moet een vergissing zijn—een afschuwelijke vergissing. Wat beteekent dit toch? Zeg het mij, Willoughby, zeg mij, om ’s hemelswil, wat is er toch gebeurd?”
Hij gaf geen antwoord; maar werd bleek en scheen opnieuw gedwongen; doch alsof hij, aangespoord door een blik van de jonge dame met wie hij te voren had gesproken, gevoelde dat onmiddellijk zelfbedwang werd vereischt, vermande hij zich opnieuw, zei snel: “Ja, het bericht van uw komst in de stad, dat u zoo vriendelijk waart, mij te [200]zenden, heb ik het genoegen gehad te ontvangen,” keerde zich daarop met een vluchtige buiging haastig om, en voegde zich weer bij zijne vriendin. Marianne, doodsbleek en niet in staat zich staande te houden, liet zich in haar stoel vallen, en Elinor, elk oogenblik vreezend dat zij een flauwte zou krijgen, trachtte haar voor onbescheiden blikken te beschermen, terwijl zij haar verfrischte met lavendelwater.
“Ga naar hem toe, Elinor,” zei zij, zoodra ze spreken kon, “en dwing hem, bij mij te komen. Zeg hem, dat ik hem moet zien,—dat ik hem dadelijk moet spreken. Ik kan het niet uithouden—ik zal geen oogenblik rust hebben, eer dit alles is verklaard,—het moet een of ander afschuwelijk misverstand zijn. O, ga nu toch naar hem toe.”
“Hoe is dat nu mogelijk? Neen, liefste Marianne, je moet wachten. Dit is de plaats niet voor uitleggingen. Wacht nu alleen maar tot morgen.”
Zij kon haar slechts met moeite weerhouden, hem zelf te gaan opzoeken; en het bleek onmogelijk, haar te bewegen, haar ontroering te bedwingen,—althans in schijn bedaard, te wachten, tot zij hem meer ongehinderd kon spreken, en met meer kans te worden aangehoord; want Marianne ging onophoudelijk voort, met zachte stem uiting te geven aan haar gevoelens van wanhoop, door smartelijke uitroepen. Weldra zag Elinor dat Willoughby de kamer verliet door de deur dichtbij de trap, en terwijl zij Marianne vertelde dat hij weg was, bracht zij haar onder het oog, dat de onmogelijkheid om hem dezen avond nog te spreken, haar te meer reden gaf, thans kalm te zijn. Marianne vroeg dadelijk, of haar zuster Lady Middleton wilde smeeken, hen naar huis te brengen; zij voelde zich te ellendig om een minuut langer te blijven.
Toen Lady Middleton hoorde dat Marianne niet wel was, liet haar beleefdheid, hoewel zij [201]verdiept was in haar kaartspel, niet toe, dat zij zich een oogenblik tegen Marianne’s wensch tot heengaan verzette, zij gaf dus haar kaarten aan een vriendin; en zij vertrokken zoodra hun rijtuig voorkwam. Op den terugweg naar Berkeley Street werd bijna geen woord gesproken. Marianne leed in stilte, te beklemd voor tranen zelfs; doch daar Mevrouw Jennings gelukkig nog niet te huis was, konden zij dadelijk naar hun eigen kamer gaan, waar zij door ’t gebruik van hertshoorn eenigszins bijkwam. Zij was spoedig ontkleed en in bed, en daar zij liefst alleen scheen te zijn, ging haar zuster heen en had al den tijd, terwijl zij wachtte op Mevrouw Jennings’ terugkomst, te denken over hetgeen achter hen lag.
Dat er een bepaalde verbintenis van een of anderen aard tusschen Willoughby en Marianne had bestaan, kon zij niet betwijfelen; en dat Willoughby deze moede was, scheen eveneens duidelijk; want hoe Marianne ook nog bleef voortgaan voedsel te geven aan haar eigen wenschen, zij kon zulk een gedrag niet toeschrijven aan een vergissing, of eenig misverstand. Niets dan een volkomen omkeer in zijn gevoelens kon het verklaren. Haar verontwaardiging zou nog sterker geweest zijn dan zij reeds was, wanneer zij niet getuige was geweest van zijn verlegenheid, die scheen aan te duiden, dat hij zich bewust was van zijn eigen wangedrag, en haar belette hem voor zoo gewetenloos te houden, dat hij van den beginne met haar zuster’s liefde een roekeloos spel had gedreven, zonder eenig voornemen, dat navraag velen kon. Afwezigheid kon zijn liefde hebben doen verflauwen, en redenen van eigenbelang mochten hem hebben doen besluiten haar te overwinnen; maar dat zulk een liefde eenmaal had bestaan, daaraan twijfelde zij niet. Wat Marianne betrof, aan het verdriet dat deze ongelukkige ontmoeting haar had veroorzaakt, en het nog erger leed, dat haar, als het waarschijnlijk [202]gevolg ervan, te wachten stond, kon zij niet denken zonder de innigste bezorgdheid. Hierbij vergeleken scheen haar eigen toestand haar minder treurig, want zoolang zij Edward slechts evenzeer kon achten als voorheen, zou zij zich in den geest steeds getroost gevoelen, ook al bleven zij in de toekomst gescheiden. Doch hier schenen alle omstandigheden, die een dergelijk lijden konden verergeren, zich te vereenigen, om Marianne’s smart te vermeerderen over hare scheiding van Willoughby voor altoos,—over het onmiddellijk en onherroepelijk afbreken van hun omgang.
[Inhoud]