Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 32

Na een nacht, waarin zij meer had geslapen, dan zij verwachtte, werd Marianne den volgenden morgen wakker met het zelfde bewustzijn van bitter leed, waarmede zij de oogen had gesloten.

Elinor spoorde haar zooveel mogelijk aan tot uiting van ’t geen zij gevoelde; en vóór het ontbijt reeds hadden zij alles weer lang en breed besproken; met dezelfde stellige overtuiging en welgemeende raadgevingen van Elinor’s kant, en dezelfde heftige gevoelens en wisselende meeningen van Marianne’s zijde als te voren. Nu eens beschouwde zij Willoughby als even ongelukkig en even schuldeloos als zichzelve, en dan weer ontviel haar elke troost door de onmogelijkheid hem van schuld vrij te pleiten. Het eene oogenblik was het haar totaal onverschillig of de geheele wereld wist van haar verdriet; in het andere wilde zij zich voor goed uit die wereld terugtrekken; en een minuut later meende zij haar krachtig weerstand te kunnen bieden. In één opzicht bleef zij, als het erop aankwam, zichzelve gelijk, in het vermijden namelijk, als het eenigszins mogelijk was, van Mevrouw Jennings’ gezelschap, en in een volhardend stilzwijgen, zoolang zij verplicht was dat te verdragen. Haar hart weigerde eenvoudig verstokt, te gelooven, dat Mevrouw Jennings zich [227]met iets als medelijden kon indenken in haar verdriet.

“Neen, neen, neen; dat kàn niet,” riep zij uit; “zij kàn niet voelen. Haar vriendelijkheid is niet sympathie; haar goedhartigheid is niet teederheid. Al wat zij begeert is een onderwerp voor praatjes, en ze houdt nu alleen maar van mij, omdat ik haar dat verschaf.”

Ook zonder deze uitingen was Elinor reeds genoegzaam overtuigd van de onbillijkheid in haar oordeel over anderen, waartoe haar zuster dikwijls werd verleid door de prikkelbare verfijning van haar eigen geest, en het overdreven gewicht dat zij hechtte aan de kiesche vooroordeelen van een sterk ontwikkeld gevoelsleven en de bekoring van uiterlijke wellevendheid. Zooals het meerendeel der menschen, indien althans het meerendeel zoowel goed als begaafd is, was Marianne, met uitmuntende vermogens en een uitmuntenden gemoedsaard, noch redelijk, noch volkomen eerlijk te noemen. Zij verwachtte dat anderen de zelfde meeningen en gevoelens als zij zelve zouden koesteren, en zij beoordeelde hunne beweegredenen naar de onmiddellijke uitwerking hunner handelingen op haarzelve. Zoo viel er thans, terwijl de zusters na het ontbijt samen op hun kamer waren, weer iets voor, dat Marianne een nog geringeren dunk deed opvatten van Mevrouw Jennings’ goede hart, omdat het, door haar eigen zwakheid, toevallig een bron van nieuw leed voor haarzelve bleek, hoewel Mevrouw Jennings in dezen slechts werd bewogen door een opwelling van de hartelijkste welgezindheid.

Met een brief in haar uitgestrekte hand, en vroolijk glimlachend, in de overtuiging dat zij troost kwam brengen, trad zij hun kamer binnen, met de woorden: “Nu, kindje, nu breng ik je toch iets, dat je stellig goed zal doen.”

Marianne had reeds genoeg gehoord. In een [228]oogwenk schilderde haar verbeelding haar een brief van Willoughby, vol teederheid en berouw, al het gebeurde verklarend, bevredigend, overtuigend; onmiddellijk gevolgd door Willoughby zelf, die de kamer haastig kwam binnensnellen, om aan hare voeten door zijn welsprekende blikken te bevestigen wat zijn brief haar verzekerde. Dat werk van één oogenblik werd door het volgende vernietigd. Het handschrift van haar moeder, tot nog toe nimmer onwelkom, lag vóór haar, en in de scherpte dezer teleurstelling, volgend op eene verrukking, die méér was dan hoop, had zij een gevoel, alsof zij tot op dit oogenblik nog niet geleden had.

De wreedheid van Mevrouw Jennings zou door geen woorden, waarover zij beschikte in haar meest welsprekende oogenblikken, kunnen zijn uitgedrukt, en thans kon zij haar enkel beschuldigen door de tranen, die haar met hartstochtelijke heftigheid uit de oogen stroomden—een beschuldiging, die echter het voorwerp ervan zóó volkomen ontging, dat zij, na veel betuigingen van medelijden, heenging, nog steeds verwijzend naar den brief, die ongetwijfeld troost zou schenken. Doch de brief bracht weinig troost, toen zij voldoende bedaard was, om dien te kunnen lezen. Iedere bladzijde was vol van Willoughby. Haar moeder, nog steeds in de meening, dat zij verloofd was, en even vast als altijd bouwend op zijn trouw, was door Elinor’s vraag slechts bewogen, Marianne te smeeken om grootere openhartigheid jegens hen beiden, en zij deed dit met zooveel teederheid jegens haar, zoo oprechte genegenheid voor Willoughby, en een zoo stellige verzekerdheid van hun toekomstig geluk in en door elkander, dat Marianne onder het lezen het uitsnikte van duldelooze pijn. Al haar ongeduldig verlangen om weer thuis te zijn keerde thans terug; haar moeder was haar dierbaarder dan ooit,—dierbaarder juist door dat [229]overdreven, schoon misplaatst vertrouwen in Willoughby, en zij drong onstuimig aan op hun vertrek. Elinor, zelf niet in staat te beslissen, of het beter voor Marianne zou zijn, te Londen te blijven of naar Barton te gaan, kon geen anderen raad geven, dan geduld te oefenen tot zij wisten, wat hun moeder wenschte, en ten slotte verkreeg zij haar zuster’s toestemming, te wachten, tot die wensch hun bekend zou zijn.

Mevrouw Jennings liet hen vroeger dan gewoonlijk alleen; want zij had geen rust eer de Middletons en de Palmers in haar verdriet zouden kunnen deelen; zij weigerde beslist, toen Elinor aanbood haar te vergezellen, en ging dien morgen alleen uit. Elinor ging met een bezwaard gemoed, wetend dat haar mededeeling verdriet zou veroorzaken, en uit Marianne’s brief wel bespeurend, hoe weinig zij erin geslaagd was, op dit verdriet eenigermate voor te bereiden, aan haar moeder zitten schrijven, wat er gebeurd was, en haar vragen, wat hun verder te doen stond; terwijl Marianne, die na Mevrouw Jennings’ vertrek in den salon was gekomen, bij de tafel ging zitten, waaraan Elinor schreef, ziende naar het voortbewegen van haar pen, haar beklagend om de moeilijkheid van zulk een taak, en nog inniger bedroefd om den indruk, dien het schrijven moest wekken bij hare moeder.

Zoo hadden zij ongeveer een kwartier samen gezeten, toen Marianne, wier zenuwen geen onverwacht geluid konden verdragen, opschrikte door een kloppen aan de voordeur.

“Wie kan daar zijn?” riep Elinor, “Zoo vroeg al! Ik dacht, dat we nu toch veilig waren.”

Marianne ging naar het venster.

“’t Is Kolonel Brandon!” zei ze geërgerd. “Voor hèm zijn we nooit veilig.”

“Hij zal niet boven komen, nu Mevrouw Jennings uit is.”

“Dáár reken ik niet op,” zei Marianne, naar [230]haar eigen kamer gaande. “Een man die met zijn eigen tijd geen raad weet, ziet er geen bezwaar in, beslag te leggen op dien van een ander.”

Het bleek dat haar gissing juist was geweest, hoewel gegrond op een onbillijke en onware voorstelling; want Kolonel Brandon kwàm binnen; en Elinor die overtuigd was, dat bezorgdheid over Marianne hem hierheen voerde, en die bezorgdheid zag in zijn onrustigen en treurigen blik, en hoorde in zijn angstige, doch korte vraag naar haar, kon het haar zuster niet vergeven, dat zij hem zoo gering schatte.

“Ik ontmoette Mevrouw Jennings in Bond Street,” zeide hij na de eerste begroeting, “en zij spoorde mij aan, hierheen te gaan. Ik liet mij te eerder daartoe aansporen, omdat ik het waarschijnlijk achtte, dat ik u hier alleen zou vinden, wat ik ten zeerste verlangde. Mijn bedoeling,—mijn wensch—mijn eenige wensch, naar ik hoop en geloof, is deze,—mede te werken om troost te schenken,—neen, ik moet niet zeggen troost,—althans geen onmiddellijke troost,—maar overtuiging, een vaste overtuiging, en zekerheid voor uw zuster’s gemoed. Mijn genegenheid voor haar, voor uzelve, voor uwe moeder,—wilt u mij toestaan deze te bewijzen, door u het een en ander mede te deelen, dat door niets dan een zéér oprechte genegenheid,—niets dan een innigen wensch om mij nuttig te maken... ik geloof, dat ik in mijn recht ben;—doch is er niet eenige reden, te vreezen dat ik ongelijk heb; daar ik vele uren heb moeten doorbrengen met pogingen om mijzelf te rechtvaardigen?...” Hij zweeg.

“Ik begrijp u wel,” zeide Elinor, “U hebt mij iets te vertellen omtrent den Heer Willoughby, dat een helderder licht zal werpen op diens karakter. U zult daardoor Marianne den grootsten vriendendienst bewijzen. Mijne dankbaarheid wint u onmiddellijk door elke mededeeling van dien aard; [231]de hare zult u mettertijd daardoor verwerven. Ik vraag u dringend, ik bid u, zeg mij wat het is.”

“Dat zal ik, en om kort te zijn, toen ik Barton in October verliet... maar zóó zult u het niet begrijpen. Ik moet verder teruggaan. U zult mij een zeer onhandig spreker vinden, juffrouw Dashwood; ik weet haast niet, waar te beginnen. Ik geloof, dat het noodig zal zijn, in ’t kort een en ander van mijzelf te vertellen, en dàt verslag zàl kort zijn. Dàt onderwerp,” voegde hij erbij met een zwaren zucht “lokt niet uit tot bijzondere uitvoerigheid.”

Hij wachtte een oogenblik, om zijn gedachten te verzamelen, en ging toen, nogmaals zuchtend, voort: “Waarschijnlijk herinnert u zich in het geheel niet meer een gesprek (het is moeilijk te veronderstellen, dat het eenigen indruk op u zou maken)—een gesprek tusschen ons op zekeren avond te Barton Park—het was bij gelegenheid van een danspartij,—waarin ik zinspeelde op een dame, die ik vroeger had gekend, en die in menig opzicht op uwe zuster Marianne geleek.”

“Welzeker,” antwoordde Elinor, “ik herinner het mij zéér goed.” Het scheen hem genoegen te doen, dit te hooren, en hij ging voort.

“Als ik mij niet laat misleiden door de onzekerheid, de partijdigheid eener teedere herinnering, dan bestaat tusschen hen beiden een sterke gelijkenis, zoowel innerlijk als uiterlijk,—dezelfde warmte van hart, dezelfde vurigheid van verbeelding en geest. Deze dame was eene mijner naaste bloedverwanten, reeds jong wees geworden, en onder de voogdijschap van mijn vader geplaatst. Wij waren bijna even oud, en van jongsaf speelgenooten en vrienden. Ik kan mij den tijd niet herinneren, waarin ik Eliza niet liefhad; en toen wij ouder werden, was mijn genegenheid voor haar zoo innig, dat u, die mij beoordeelt naar mijn tegenwoordigen triesten en vreugdeloozen ernst, mij [232]wellicht niet tot zulk een sterk gevoel in staat zoudt kunnen achten. Haar liefde voor mij was, geloof ik, vurig als die van uwe zuster voor den Heer Willoughby, en niet minder ongelukkig, al was het door eene andere oorzaak. Toen zij zeventien jaren was, moest ik haar voor altijd verliezen. Zij trouwde—werd tegen haar zin uitgehuwelijkt aan mijn broeder. Haar fortuin was aanzienlijk en ons familiegoed stak diep in schulden. Dat is alles, vrees ik, wat gezegd kan worden ter vergoelijking van het gedrag van hem, die haar oom en voogd was. Mijn broeder verdiende haar niet; hij had haar zelfs niet lief. Ik had gehoopt, dat haar genegenheid voor mij haar onder alle moeilijkheden zou staande houden, en een tijdlang was dit ook zoo;—doch op den duur kon haar standvastigheid geen weerstand bieden aan de smart die zij moest verduren; want zij werd zeer hard behandeld, en hoewel zij mij had beloofd, dat niets... maar hoe ongeregeld is mijn verhaal! Ik heb u nog niet verteld, hoe het zoover kwam. Slechts enkele uren voor wij te zamen wilden vluchten naar Schotland, werden wij verraden door het bedrog of de domheid van de kamenier mijner nicht. Ik werd verbannen naar het huis van een zeer veraf wonenden bloedverwant en haar werd alle vrijheid, alle omgang, elk vermaak ontzegd, tot mijn vader zijn zin had gekregen. Ik had te veel op haar kracht vertrouwd, en de slag trof mij zwaar;—doch als haar huwelijk gelukkig was geweest, dan had ik mij, zoo jong als ik toen was, er na eenige maanden mede moeten verzoenen; of ik had het althans nu niet behoeven te betreuren. Maar dat was niet het geval. Mijn broeder had haar niet lief; hij jaagde ongeoorloofde genoegens na, en van den beginne af heeft hij haar hard behandeld. Maar al te natuurlijk waren de gevolgen van die behandeling, in hun uitwerking op een geest, zoo jong, zoo levendig, zoo onervaren als die van Mevrouw Brandon. In het begin droeg zij gelaten haar ellende, [233]en het zou gelukkig zijn geweest, zoo zij gestorven ware, eer zij de droefheid verwon, die de herinnering aan mij in haar placht te wekken. Maar is het vreemd, dat zij ten val werd gebracht, met een echtgenoot, die haar uitlokte tot ontrouw, en zonder één vriend, die haar raden of weerhouden kon? (want mijn vader stierf een paar maanden na hun huwelijk, en ik was met mijn regiment in Indië). Was ik in Engeland gebleven, misschien... doch ik meende beider geluk te bevorderen door haar voor lange jaren te verlaten, en met dat doel had ik om overplaatsing verzocht. De schok, dien ik ondervond bij het vernemen van haar huwelijk,” ging hij voort, met een stem, die zijn heftige ontroering verried, “was gering, was niets,—vergeleken bij wat ik voelde, toen ik twee jaren later hoorde, dat zij gescheiden was. Dàt was het, dat mij zoo somber deed worden—zelfs nu is de herinnering aan wat ik geleden heb...” Hij kon niet voortgaan, stond haastig op, diep aangedaan door zijn verhaal, en nog meer door zijn smartelijke ontroering, kon niet spreken. Hij zag, hoe bewogen zij was, vatte hare hand, drukte die en kuste ze met dankbaren eerbied. Na nog een paar minuten, waarin hij zich in stilte vermande, kon hij bedaarder voortgaan.

“Drie jaren bijna waren verstreken na die droeve dagen, eer ik naar Engeland terugkeerde. Mijn eerste gedachte, bij mijne aankomst, was natuurlijk, haar te zoeken; maar de pogingen daartoe waren zoo vruchteloos als diep bedroevend. Ik kon niet ontdekken, wat er van haar was geworden, nadat zij door haar eersten verleider was verlaten, en er bestond alle reden, te vreezen, dat zij steeds dieper gezonken en tot een leven van zonde vervallen was. Het jaargeld, haar door de wet toegezegd, was niet evenredig aan haar fortuin, noch voldoende voor haar behoorlijk onderhoud, en ik vernam van mijn broeder, dat eenige maanden geleden het recht om het in ontvangst te nemen aan een ander was afgestaan. [234]Hij vermoedde, en kon dat vermoeden kalm uitspreken, dat haar verkwisting en hieruit voortvloeiende armoede haar hadden genoodzaakt, het op te geven om voorloopig uit den dringendsten nood te geraken. Eindelijk echter, toen ik reeds zes maanden in Engeland was geweest, heb ik haar tòch gevonden. Uit gehechtheid aan een vroegeren bediende, die in het ongeluk was geraakt, zocht ik dezen man op in een schuldgevangenis, waar hij wegens schulden in hechtenis werd gehouden, en hier in dat zelfde huis, en in dergelijke omstandigheden, trof ik haar aan, mijn ongelukkige pleegzuster. Zoo veranderd—zoo vervallen—zoo uitgeteerd door hevig lijden naar lichaam en ziel! Ternauwernood kon ik gelooven, dat dit droeve, door ziekte ondermijnde schepsel eens het beminnelijke, bloeiende, gezonde meisje was geweest, waarmede ik gedweept had, Hoe ik leed, toen ik haar zóó moest aanschouwen—maar ik heb het recht niet uw gevoelens te kwetsen door te pogen dat te beschrijven—ik deed u reeds te veel verdriet. Dat zij, het bleek maar al te duidelijk, in het laatste stadium van de tering was, schonk mij,—ja in deze omstandigheden moest het mij troost schenken. Haar bood het leven niets meer, dan tijd zich beter voor te bereiden op den dood, en deze werd haar geschonken. Ik zorgde dat zij goed werd gehuisvest, en zorgvuldig verpleegd; ik bezocht haar iederen dag, zoolang haar korte leven nog moest duren; ik was bij haar in haar laatste oogenblikken.”

Weer zweeg hij, om zijn aandoening meester te worden, en Elinor uitte haar gevoel in een uitroep vol van het teederste medelijden met het lot zijner beklagenswaardige vriendin.

“Het zal uwe zuster, hoop ik, niet kunnen kwetsen,” zeide hij, “dat ik mij verbeeldde, een zekere gelijkenis te zien tusschen haar en mijne arme, onteerde bloedverwante. Hun lot, hunne ervaringen [235]kunnen niet dezelfde zijn, en had de van nature beminnelijke geaardheid der laatste steun ontvangen door een krachtiger wil of door een gelukkiger huwelijk, dan zou zij alles hebben kunnen zijn, wat uwe zuster in de toekomst belooft te worden.—Doch waartoe leidt dit alles? Het schijnt alsof ik u voor niets heb bedroefd. Ach,—een onderwerp als dit,—veertien jaren onaangeroerd gebleven—het is gevaarlijk het zelfs maar ter sprake te brengen! Maar ik wil geregelder verhalen—beknopter zijn. Zij vertrouwde aan mijne zorg haar eenig kindje, een meisje, de vrucht van hare eerste schuldige verbintenis, dat toen omstreeks drie jaren oud was. Zij had het kind lief, en het was altijd bij haar gebleven. Voor mij was deze opdracht waardevol en kostbaar, en gaarne zou ik mij ervan hebben gekweten in den meest volledigen zin, door zelf te waken over hare opvoeding, indien de omstandigheden dit hadden veroorloofd; maar ik had geen gezin, geen tehuis; en dus werd mijn kleine Eliza naar eene school gebracht. Ik ging haar bezoeken, zoo dikwijls ik kon, en na den dood van mijn broeder omstreeks vijf jaar geleden, waardoor ik eigenaar werd van ons familiegoed, kwam zij dikwijls bij mij te Delaford. Het heette, dat zij verre familie van mij was; maar ik weet zeer goed, dat men in ’t algemeen mij verdacht van een veel nadere verwantschap. Nu drie jaar geleden (zij was toen veertien) nam ik haar van school, om haar onder de hoede te plaatsen van eene zeer achtenswaardige dame in Dorsetshire, die zich belast had met de opvoeding van nog vier of vijf andere meisjes van denzelfden leeftijd, en gedurende twee jaren had ik alle reden om tevreden te zijn met deze schikking. Doch in Februari van het vorige jaar, nu bijna een jaar geleden, was zij plotseling verdwenen. Ik had haar toegestaan (onvoorzichtig, zooals later bleek) op haar dringend verlangen, naar Bath te gaan met eene harer vriendinnen, die haar zieken vader [236]daar moest verplegen. Ik wist dat hij een goede man was, en had ook een gunstige meening opgevat omtrent zijne dochter, beter dan zij verdiende; want in haar koppige en onverstandige zucht tot geheimhouding, wilde zij ons niets vertellen, en geen enkele inlichting verstrekken, ofschoon zij stellig alles wist. Haar vader zelf, een goedhartige, maar ver van scherpziende man, kon mij werkelijk niets mededeelen; want hij was aan huis gebonden geweest, terwijl de meisjes alleen in de stad zwierven, en kennis maakten met wie ze verkozen; en hij poogde mij te overtuigen, even stellig als hij zelf daarvan doordrongen was, dat zijne dochter niets van de zaak afwist. Om kort te gaan, ik vernam niets dan dat zij weg was, al het overige bleef onzeker, acht volle maanden lang. Wat ik dacht, wat ik vreesde, kunt u zich voorstellen, en hoe ik leed, eveneens.”

“O!” riep Elinor, “is het mogelijk! Kon Willoughby...”

“Het eerste bericht van haar, dat ik ontving,” ging hij voort, “bereikte mij in een brief van haarzelve in October l.l. Deze werd mij uit Delaford opgezonden, en ik ontving dien juist op den morgen van ons voorgenomen tochtje naar Whitwell. Dat was de reden van mijn plotseling vertrek uit Barton, dat toen iedereen, zooals ik wel begreep, zeer vreemd voorkwam, en dat sommigen mij, geloof ik, kwalijk hebben genomen. Weinig vermoedde de Heer Willoughby, denk ik, toen zijn blikken mij mijne onbeleefdheid verweten, omdat ik het voorgenomen uitstapje bedierf, dat mijne hulp werd ingeroepen door iemand, die hij tot armoede en ellende had doen vervallen; maar wat zou het hebben gebaat, indien hij het wist? Zou hij zich minder vroolijk of gelukkig hebben gevoeld door den glimlach van uw zuster? Neen; want hij had reeds gedaan, wat geen man zou kunnen doen, die voor anderen kan gevoelen. Hij had het jonge, ónschuldige meisje, dat hij had verleid, achtergelaten [237]in een wanhopigen toestand, zonder behoorlijk tehuis, zonder hulp, zonder vrienden, zonder haar zijn adres op te geven! Hij verliet haar met de belofte te zullen terugkeeren; hij kwam niet terug, schreef niet, verleende geen hulp.”

“Dat is beneden alles!” riep Elinor uit.

“Thans kent u zijn waren aard;—verkwistend, losbandig, en erger dan dat. Denk eens wat ik, dit alles wetend, zooals ik het reeds wekenlang geweten heb, moest gevoelen, toen ik zag, dat uwe zuster hem nog steeds liefhad, en toen ik hoorde, dat zij met hem ging trouwen; wat ik gevoelde om u aller wil. Toen ik de vorige week kwam en u alleen vond, was ik vastbesloten, de waarheid te vernemen, ofschoon nog niet zeker, wàt te doen, wanneer ik die vernomen hàd. Mijn gedrag moet u toen vreemd zijn voorgekomen; doch nu zult u het begrijpen. U allen zoo misleid te weten; uw zuster te zien... maar wat kon ik doen? Ik had geen hoop, dat mijn tusschenkomst iets zou baten, en soms dacht ik, dat uw zuster’s invloed hem nog ten goede zou kunnen bewegen. Doch wie zal zeggen, na deze schandelijke behandeling, wat hij wellicht met haar heeft voorgehad? Wat ook zijn bedoelingen mogen geweest zijn, zij kan nu, en zàl ongetwijfeld later, haar eigen toestand met dankbaarheid beschouwen, wanneer zij dien vergelijkt met het lijden mijner arme Eliza; wanneer zij denkt aan de treurige, hopelooze omstandigheden, waarin dit arme meisje verkeert, en zich haar voorstelt, hem even innig, ook thans nog, liefhebbend als zij zelve en daarbij gekweld door een zelfverwijt dat van levenslangen duur zal zijn. Stellig zal die vergelijking haar ten goede komen. Zij zal gevoelen dat haar eigen leed als niets is. Het vond zijn oorsprong in geen wangedrag, en kan geen blaam op haar werpen. Integendeel, ieder die te voren haar vriend was, wordt het thans des te meer. Medelijden met haar verdriet, en eerbied voor de kracht, waarmede zij het draagt, [238]moeten elke genegenheid versterken. Ik laat echter aan uw eigen oordeel over, wat u haar wilt mededeelen van ’t geen ik u verteld heb. U weet het best wat de uitwerking ervan zal zijn; doch als ik niet oprecht en uit den grond van mijn hart had geloofd, dat het haar ten goede zou kunnen komen, haar droefheid zou kunnen doen verminderen, dan zou ik mijzelf niet hebben veroorloofd, u lastig te vallen met dit relaas van mijn treurige familie-omstandigheden; met een verhaal, dat den schijn zou kunnen wekken, alsof ik mijzelf ten koste van anderen had willen verheffen.”

Elinor betuigde hem met ernstigen nadruk dank voor deze woorden, en verzekerde hem, dat zij voor Marianne van zijne mededeeling werkelijk veel goeds verwachtte. “Haar pogingen om hem vrij te spreken,” zeide zij, “deden mij het allermeest verdriet; want zij doen haar meer kwaad dan de stelligste overtuiging van zijn onwaardigheid. Nu geloof ik, dat zij, hoewel ze in het begin erdoor zal lijden, spoedig veel meer getroost zal zijn.—Hebt u”, ging zij na een kort stilzwijgen voort, “den Heer Willoughby nog weer ontmoet sedert uw vertrek uit Barton?”

“Ja,” antwoordde hij ernstig, “eenmaal. Eene ontmoeting was onvermijdelijk.”

Elinor, verschrikt door zijn toon, zag hem angstig aan, en zeide: “Wat? hebt u met hem...”

“Er was geen andere uitweg. Eliza had mij, hoewel zeer ongaarne, den naam van haar minnaar bekend; en toen hij naar de stad terugkeerde, veertien dagen later dan ik, hebben wij geduelleerd; hij om zich te verdedigen, ik om zijn gedrag te straffen. Wij werden geen van beiden gewond, en dus is de zaak niet ruchtbaar geworden.”

Elinor zuchtte over de gewaande noodzakelijkheid van zulk een handelwijze; doch zij waagde niet tegenover een man en een militair, hare afkeuring ervan te uiten. [239]

“Zoo droevig” zeide Kolonel Brandon, na een poos van zwijgen, “was de gelijkenis tusschen het lot van moeder en dochter! en zóó ben ik tekort geschoten in de mij toevertrouwde taak!”

“Is zij nog in de stad?”

“Neen, zoodra zij hersteld was na haar bevalling, die aanstaande was toen ik haar vond, heb ik haar met het kind naar buiten gezonden, en daar zal zij blijven.” Toen hij zich spoedig daarna herinnerde, dat hij Elinor misschien belette zich bij haar zuster te voegen, nam hij afscheid, en na nogmaals haar erkentelijke dankbetuiging te hebben ontvangen, verliet hij haar, vervuld van medelijden en achting voor hem.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.