Toen de bijzonderheden van dit gesprek door Elinor aan hare zuster werden medegedeeld, zooals spoedig gebeurde, was hunne uitwerking niet volkomen zooals de eerste zich die had voorgesteld. Niet dat Marianne in eenig opzicht aan de waarheid van het verhaalde scheen te twijfelen; want Zij hoorde alles aan met stille en onderworpen aandacht, uitte geen tegenwerping, noch eenige opmerking zelfs; trachtte Willoughby niet te rechtvaardigen, en scheen door haar tranen te toonen, hoezeer zij gevoelde, dat dit onmogelijk was. Maar hoewel dit gedrag Elinor de zekerheid schonk, dat de overtuiging omtrent zijn schuld thans werkelijk tot haar was doorgedrongen, hoewel zij met voldoening de uitwerking ervan waarnam, door te zien, hoe Marianne niet langer Kolonel Brandon vermeed bij zijn bezoeken, hoe [240]zij tot hem sprak, zelfs uit eigen beweging, met een soort van medelijdenden eerbied, en hoewel zij zag dat Marianne’s zenuwgestel minder heftig geprikkeld scheen, zij vond hare treurigheid niet verminderd. Haar geest wàs thans tot rust gekomen; doch het was de rust der diepste verslagenheid. Het verlies, van alle vertrouwen in Willoughby’s zedelijk karakter trof haar nog zwaarder dan het verlies van zijn liefde had kunnen doen; het feit dat hij een jong meisje had verleid en verlaten, de ellende van dat arme kind, en de twijfel, welke plannen hij wellicht omtrent haarzelve had gekoesterd, dit alles had zulk een neerdrukkenden invloed op haar geest, dat zij niet van zich kon verkrijgen, zelfs tegen Elinor te spreken over ’t geen zij gevoelde, en dat stille verzinken in haar verdriet bedroefde haar zuster meer dan de meest openhartige en herhaalde uiting ervan had kunnen doen.
De weergave der gevoelens en uitingen van Mevrouw Dashwood, bij het ontvangen en beantwoorden van Elinor’s brief, zou slechts eene herhaling zijn van ’t geen haar dochters reeds gevoeld en gezegd hadden; teleurstelling, bijna niet minder smartelijk dan die van Marianne; verontwaardiging, nog grooter dan die van Elinor. In haar lange en snel op elkaar volgende brieven kwam al wat zij leed en dacht tot uiting; zij waren vol angstige bezorgdheid over Marianne, en smeekten haar, geestkracht te toonen onder dezen zwaren slag. Inderdaad, wèl zwaar moest de ramp zijn, die Marianne had getroffen, waar haar moeder spreken kon van geestkracht. Wel zéér pijnlijk en vernederend moest de oorzaak zijn eener droefgeestigheid, waaraan zij niet kon wenschen, haar te zien toegeven!...
In tegenspraak met haar persoonlijken wensch, achtte Mevrouw Dashwood het beter voor Marianne, thans overal elders liever te zijn, dan juist te Barton, waar al wat zij zag, het verleden op de levendigste en pijnlijkste wijze moest terugroepen, [241]door haar aanhoudend Willoughby voor den geest te brengen, zooals zij hem daar steeds had gezien. Zij raadde hare dochters dus aan, het bezoek bij Mevrouw Jennings vooral niet te bekorten, dat, ofschoon geen bepaalde afspraak was gemaakt, toch naar aller meening minstens vijf of zes weken had zullen duren. Afwisseling, zoo in bezigheid als in vooruitzichten en gezelschap, waaraan het haar te Barton zou ontbreken, was hier onvermijdelijk, en zou, naar zij hoopte, Marianne soms toch nog kunnen bewegen tot eenige belangstelling in dingen buiten haarzelve, en zelfs tot deelname in eenig vermaak, hoezeer die beide mogelijkheden thans nog door haar mochten verworpen worden. Voor het gevaar, dat zij Willoughby weer zou kunnen zien, achtte haar moeder haar in de stad althans even veilig als buiten; daar allen, die zich haar vrienden noemden, thans niet meer met hem wilden omgaan. Met voorbedachten rade zouden zij elkander nooit ontmoeten; door onvoorzichtigheid zouden zij geen kans loopen, te worden blootgesteld aan een verrassing; en het toeval kon in het gewoel van Londen hun minder licht parten spelen dan zelfs in het afgelegen Barton, waar het hem plotseling voor haar oogen kon doen staan, wanneer hij het bezoek bracht te Allenham bij gelegenheid van zijn huwelijk, dat Mevrouw Dashwood, door het aanvankelijk als iets waarschijnlijks te beschouwen, thans was begonnen te verwachten als een stellige zekerheid.
Zij had nog eene andere reden voor den wensch, dat hare kinderen zouden blijven, waar zij waren; uit een brief van haar stiefzoon had zij vernomen, dat hij en zijn vrouw vóór half Februari in de stad zouden zijn; en zij vond het goed, dat zij nu en dan met hun broeder in aanraking zouden komen.
Marianne had beloofd, zich door haar moeder’s oordeel te laten leiden, en zij schikte zich dus ernaar zonder tegenstreven, hoewel het geheel [242]verschillend bleek van wat zij wenschte en verwachtte; hoewel zij het beschouwde als ten eenenmale onjuist, en gegrond op een verkeerde zienswijze, terwijl het door een langer verblijf te Londen van haar te eischen, haar beroofde van de eenig mogelijke verzachting van haar ellende, het innig meegevoel harer moeder, en haar de straf oplegde van een gezelschap en eene omgeving, waarin zij nooit een oogenblik rust zou kunnen genieten. Doch het was voor haar een groote troost, dat wat háár kwaad berokkende, tengoede zou komen aan hare zuster; en Elinor, van haar kant, vermoedende, dat het niet in haar macht zou staan, Edward geheel te vermijden, troostte zich door te bedenken, dat hun langer verblijf, hoewel niet bevorderlijk voor haar eigen geluk, voor Marianne beter zou zijn dan onmiddellijk naar Devonshire terug te keeren.
Haar zorg om haar zuster te vrijwaren voor het hooren noemen van Willoughby’s naam, was niet vergeefsch geweest. Zonder het zelve te weten, plukte Marianne de vruchten ervan, want noch Mevrouw Jennings, noch Sir John, noch zelfs Mevrouw Palmer, spraken ooit over hem in haar bijzijn. Elinor wenschte wel dat zij de zelfde omzichtigheid tegenover haar hadden willen in acht nemen; maar dàt was onmogelijk, en zij moest dag aan dag luisteren naar de uitingen van hun aller verontwaardiging.
Sir John kon niet begrijpen, hoe zoo iets mogelijk was geweest. “Een man, van wien hij alle reden had gehad niets dan goeds te verwachten! De beste kerel van de wereld! In heel Engeland geloofde hij niet dat zulk een goed ruiter te vinden was! ’t Was onverklaarbaar, die geschiedenis. Hij mocht voor zijn part naar den duivel loopen. Hij zou van zijn leven geen woord meer met hem wisselen, wáár hij hem ook ontmoette! Neen, al was ’t op de grens van zijn eigen jachtgebied en al zouden ze er twee uur naast elkaar moeten staan wachten. Zulk [243]een schurk van een kerel, zulk een bedriegelijke schavuit! Den laatsten keer dat hij hem sprak, had hij hem nog een van Folly’s jongen aangeboden, en nu kwam het hierop neer!”
Mevrouw Palmer was al even boos, op haar manier. Zij wilde hem van nu af aan niet meer kennen, en ze was wàt blij, dat ze nooit kennis met hem had gemaakt. Ze wenschte van harte dat Combe Magna niet zoo dicht bij Cleveland was gelegen; maar ’t was toch zoo erg niet, omdat het veel te veraf was, om er een bezoek te brengen; ze had zoo’n hekel aan hem, dat ze vast van plan was, nooit weer zijn naam te noemen, en ze zou aan ieder, die ze zag vertellen, hoe weinig hij deugde.
Verder toonde Mevrouw Palmer haar meegevoel, door alle bijzonderheden uit te visschen, die ze kon te weten komen omtrent het aanstaande huwelijk, en die aan Elinor mee te deelen. Al spoedig wist ze bij welken rijtuigmaker het nieuwe rijtuig was besteld; door welken schilder het portret van den Heer Willoughby werd vervaardigd, en in welken winkel Juffrouw Grey’s trousseau was uitgestald. Lady Middleton’s kalme en beleefde onverschilligheid was voor Elinor een ware verlichting, gedrukt als zij soms was door de luidruchtige vriendelijkheid der anderen. Het was haar een groote troost, te weten dat althans ééne persoon in hun vriendenkring géén belang in hen stelde; een troost, zeker te zijn, dat die eene haar zou ontmoeten zonder de geringste nieuwsgierigheid te toonen naar bijzonderheden, of eenige bezorgdheid aan den dag te leggen omtrent haar zuster’s gezondheidstoestand.
Elke eigenschap wordt somtijds, door de omstandigheden van het oogenblik verheven, tot meer dan haar werkelijke waarde; en soms werd zij zóó geplaagd door die opdringende meewarigheid, dat zij ertoe kwam, goede manieren als meer onontbeerlijk te gaan beschouwen voor haar gemoedsrust, [244]dan goedhartigheid. Lady Middleton gaf haar bevindingen omtrent de zaak omstreeks eenmaal per dag, (of als het onderwerp herhaaldelijk ter sprake kwam, tweemalen) te kennen, door te zeggen: “’t Is bepaald ongehoord!”—en met behulp dezer aanhoudend, doch gemakkelijk werkende veiligheidsklep kon zij niet slechts van den beginne de dames Dashwood ontmoeten zonder de geringste aandoening; doch al spoedig ook hen ontvangen zonder zich van de geheele geschiedenis een woord te herinneren; en na op deze wijze de waardigheid harer eigen sekse te hebben opgehouden, en haar besliste afkeuring te hebben geuit van de fouten der andere, vond zij, dat het haar thans vrijstond, eens te denken aan de samenstelling harer eigen avondpartijen, en besloot dus (hoewel tegen den zin van Sir John) om, zoodra Mevrouw Willoughby getrouwd was, een kaartje bij haar af te geven, daar zij door haar huwelijk zoowel tot de deftige als vermogende kringen behooren zou.
Kolonel Brandon’s kiesche en onopvallende deelneming was Elinor nooit onwelkom. Hij had zich ten volle het voorrecht waardig gemaakt, haar zuster’s teleurstelling vertrouwelijk met haar te bespreken, door den vriendschappelijken ijver, waarmede hij had gepoogd, deze te verzachten, en zij spraken thans altijd met elkaar zonder terughouding. Het meest werd hij beloond voor de moeite, die het hem moest hebben gekost, het oude verdriet en de nieuwe vernedering te openbaren, door den medelijdenden blik, dien Marianne somtijds op hem liet rusten, en de zachtheid van haar stem, wanneer zij (wat niet dikwijls gebeurde) verplicht was, of zichzelve ertoe kon brengen, het woord tot hem te richten. Die teekenen schonken hem de zekerheid, dat zijne bemoeiingen een gunstigen invloed hadden uitgeoefend op hare gezindheid te zijnen opzichte; en zij gaven Elinor hoop, dat deze [245]gunstige gezindheid mettertijd nog zou toenemen; maar Mevrouw Jennings, die van dit alles niets afwist,—die alleen maar zag, dat de Kolonel nog steeds even ernstig bleef, en wel wist, dat zij hem nooit zou kunnen overhalen zelf het aanzoek te doen, en evenmin, om die taak aan háár op te dragen,—begon na een paar dagen te denken, dat het huwelijk toch allicht eerder in ’t najaar dan in den voorzomer zou plaats hebben, en geloofde aan ’t eind van de week, dat er in ’t geheel niets van kwam. De goede verstandhouding tusschen den Kolonel en Elinor scheen veeleer te doen vermoeden, dat ten slotte de begeerlijke moerbeienboom, de waterpartij en het taxis-prieel háár zouden ten deel vallen; en aan den Heer Ferrars had Mevrouw Jennings in den laatsten tijd in ’t geheel niet meer gedacht.
In ’t begin van Februari, nog geen veertien dagen na de ontvangst van Willoughby’s brief, werd Elinor de pijnlijke taak opgelegd, haar zuster mede te deelen, dat hij gehuwd was. Zij had gezorgd, bericht te ontvangen, zoodra de plechtigheid was voltrokken, daar zij niet wilde, dat Marianne de tijding het eerst zou vernemen uit de courant, die zij elken morgen met blijkbare spanning inzag. Marianne ontving het bericht met vastberaden kalmte, maakte geene opmerking, en schreide zelfs niet in het begin; doch na eenigen tijd kon zij hare tranen niet meer bedwingen, en zij was verder dien dag in een weinig minder beklagenswaardigen toestand, dan toen zij voor het eerst vernam, dat wat thans gebeurd was, te wachten stond.
De Willoughby’s vertrokken dadelijk na hun huwelijk; en Elinor hoopte, nu er geen gevaar meer bestond, dat zij een van beiden zou zien, haar zuster, die na den eersten slag nog steeds was thuis gebleven, over te halen, om langzamerhand weer meer uit te gaan, zooals vroeger. Omstreeks dezen tijd kwamen de dames Steele, die reeds een poosje [246]waren gelogeerd bij hun neef in Bartlett’s Buildings, Holborn, zich weer vertoonen bij hun deftiger verwanten in Conduit en Berkeley Street; en zij werden door allen bijzonder hartelijk ontvangen. Elinor alleen was niet blijde hen te zien. Hun aanwezigheid was haar altoos onaangenaam, en zij wist bijna niet, hoe zich met de noodige beleefdheid te gedragen, bij Lucy’s overstelpende verrukking, omdat zij haar nog in de stad aantrof.
“’t Zou mij héél erg hebben teleurgesteld, als ik u niet nog hier had ontmoet,” zei ze herhaalde malen met sterken nadruk op het woordje “nog”. Maar ik had het altijd wel gedacht. Ik wist haast wel zeker, dat u nog zoo gauw niet uit Londen zoudt heengaan; hoewel u mij te Barton vertelde, weet u nog wel? dat u niet langer zoudt blijven dan een maand. Ik dacht toen al, dat u wel van plan zoudt veranderen, als ’t er op aankwam. Het zou ook zoo jammer zijn geweest, weg te gaan eer uw broer en zuster kwamen. En nù zult u stellig wel geen haast maken. Het doet mij verbazend veel pleizier dat u uw woord niet gehouden hebt.”
Elinor begreep haar volkomen, en had al haar zelfbeheersching noodig, om te doen alsof dit niet het geval was.
“Wel, meisjes,” zei Mevrouw Jennings, “en hoe hebben jelui de reis gemaakt?”
“Niet met den omnibus, hoor,” zei Juffrouw Anne haastig en verheugd; “we hadden een postkoets, en een galanten cavalier op den koop toe. Dr. Davies moest naar de stad, en dus vonden we ’t wel geschikt om met hem partij te maken, en samen met de postkoets te reizen; hij was héél royaal, en betaalde wel tien of twaalf shillings meer dan wij.”
“O, o!” riep Mevrouw Jennings, “zoo mag ik het hooren! en ik wed, dat de dokter ongetrouwd is.”
“Kijk nu weer,” zei Juffrouw Steele, gemaakt lachend, “iedereen plaagt mij zoo met dien dokter, en ik begrijp niet waarom. Mijn nichtjes zeggen, [247]dat ik bepaald een verovering heb gemaakt; maar ik denk in ’t geheel niet aan hem. “Anne, daar komt je vriend aan,” zei mijn nichtje laatst, toen ze hem de straat zag oversteken naar ons huis. “Vriend! ’t is wat moois!” zei ik; “ik weet niet eens wat je bedoelt. De dokter is geen vriend van mij.”
“Jawel, jawel, dat is alles nu heel aardig; maar praatjes vullen geen gaatjes;—ik zie ’t al; de dokter is de man.”
“Neen, werkelijk!” antwoordde haar nicht met gemaakten ernst, “ik hoop toch, dat u het zult tegenspreken, als u er ooit over hoort praten.”
Mevrouw Jennings gaf haar aanstonds de geruststellende verzekering, dat zij dit zeer stellig niet van plan was, en Juffrouw Steele’s geluk was nu volmaakt.
“U gaat zeker bij uw broer en zuster logeeren, Juffrouw Dashwood, als ze in de stad komen,” zei Lucy, die na een poos haar vijandige toespelingen te hebben gestaakt, zich op nieuw gereedmaakte tot den aanval.
“Neen, dat denk ik niet.”
“O wel ja, natuurlijk doet u dat.”
Elinor wilde haar door verder tegenspreken niet haar zin geven.
“’t Is toch maar prettig, dat Mevrouw Dashwood u allebei zóó lang kan missen!”
“Zóó lang?” kwam Mevrouw Jennings tusschenbeiden. “En ze zijn pas hier!”
Lucy was tot zwijgen gebracht.
“’t Spijt mij, dat we uw zuster niet zien, Juffrouw Dashwood”, zei Anne. “Jammer, dat ze niet wel is”; want Marianne was bij hun komst naar haar kamer gegaan.
“Dank u; ’t zal mijn zuster ook spijten, dat ze niet ’t genoegen heeft gehad u te zien; maar zij heeft in den laatsten tijd veel last van zenuwhoofdpijn, die haar ongeschikt maakt om bezoek te ontvangen of met iemand te spreken.” [248]
“Och, dat treft wèl ongelukkig!—maar zulke oude vriendinnen als Lucy en ik!—ons kon ze toch wel ontvangen, dunkt mij, en we zullen geen woord zeggen.”
Elinor, steeds uiterst beleefd, ging op dit voorstel niet in. Haar zuster zou misschien te bed liggen, of half ontkleed zijn, en daarom niet kunnen beneden komen.
“O, dàt doet er niets toe,” riep Juffrouw Steele; “we kunnen evengoed háár gaan opzoeken.”
Elinor begon deze brutaliteit toch wat erg te vinden, zelfs voor háár verdraagzaamheid; maar de moeite er paal en perk aan te stellen werd haar bespaard door Lucy’s scherpe terechtwijzing, die ook in dit geval, zooals meermalen, hoewel niet bevorderlijk voor de lieftalligheid der eene zuster, toch den goeden dienst bewees, de lompheid der andere eenigszins binnen de perken te houden.
[Inhoud]