Na eenig tegenstribbelen gaf Marianne gehoor aan haar zuster’s dringend verzoek, en stemde op zekeren morgen erin toe, een half uurtje met haar en Mevrouw Jennings uit te gaan. Zij stelde echter de voorwaarde, dat zij geen bezoeken zou behoeven te maken, en wilde alleen meegaan naar den winkel van Gray in Sackville Street, waar Elinor het een en ander had te bespreken in verband met den ruil van enkele ouderwetsche kostbaarheden van hare moeder. Toen zij voor de deur van den juwelier stilhielden, herinnerde Mevrouw Jennings zich, dat aan het andere einde van de straat eene dame woonde, die [249]zij volstrekt moest bezoeken, en daar zij bij Gray niets te doen had, werd afgesproken dat zij haar visite zou maken, terwijl hare logées hun zaken afdeden, om hen later weer af te halen.
Toen de dames Dashwood boven kwamen, bemerkten zij, dat reeds verscheiden personen hen waren vóór geweest, en geen der bedienden hun op het oogenblik kon te woord staan; zij waren dus wel genoodzaakt te wachten. Al wat zij konden doen, was, aan den hoek te gaan zitten van de toonbank, waar zij het eerst kans hadden, aan de beurt te zullen komen; hier stond slechts één heer, en waarschijnlijk hoopte Elinor, dat hij uit beleefdheid een weinig haast zou maken. Maar de nauwlettendheid van zijn scherpen blik, en de keurigheid van zijn smaak schenen het van zijn beleefdheid te winnen. Hij bestelde een tandenstoker-étui, voor eigen gebruik, en eer hij tot een beslissing was gekomen omtrent de grootte, het model en de versiering van het voorwerp,—die tenslotte, nadat hij alle tandenstoker-étuis in den winkel had bekeken en bepraat, bleven overgelaten aan zijn eigen vindingrijke fantasie,—had hij geen gelegenheid, zich tegenover de dames op andere wijze verdienstelijk te maken, dan door hen drie of viermaal zéér onbescheiden op te nemen; eene attentie, die Elinor voorgoed de herinnering deed behouden aan een persoon en een gezicht, uitmuntend door de meest treffende, aangeboren en kernachtige onbeduidendheid; hoewel het jongemensch naar de allerlaatste mode was uitgedost.
Marianne bleven de onaangename gevoelens van minachting en ergernis bespaard, gewekt door dat brutale opnemen van hun gezichten, en door het ingebeelde air, waarmee hij de verschillende onvolmaaktheden der verschillende tandenstoker-étuis critiseerde, die hem werden voorgelegd; daar zij van dit alles niets bespeurde; zij kon evengoed zich in haar gedachten verdiepen en onbewust blijven van [250]’t geen rondom haar voorviel, in den juwelierswinkel als in haar eigen slaapkamer thuis. Eindelijk kwam de zaak in orde. Het ivoor, het goud en de parelen kregen elk de hun aangewezen bestemming, en nadat de jonge man den laatsten dag had genoemd, dien hij dacht te kunnen doorleven zonder zijn étui, en op zijn gemak zijn handschoenen had aangetrokken, wierp hij den dames Dashwood nogmaals een blik toe, die eer bewondering scheen te eischen dan uit te drukken, en stapte heen, in al de glorie van echte inbeelding en voorgewende onverschilligheid.
Elinor zorgde ervoor, thans onmiddellijk te worden geholpen, en zij was bijna klaar, toen een andere heer naast haar kwam staan. Zij keek hem even aan, en zag tot haar verwondering, dat het haar broeder was.
Hun hartelijkheid en de blijdschap over deze ontmoeting waren juist voldoende om hier in den winkel een zeer goeden indruk teweeg te brengen. John Dashwood vond het heel aardig, zijn zusters eens weer te zien; hun beiden deed het werkelijk genoegen, en naar hun moeder vroeg hij met eerbiedige belangstelling.
Elinor hoorde, dat hij en Fanny al twee dagen in de stad waren. “Ik zou je graag gisteren zijn komen opzoeken,” zei hij, “maar dat ging nu eenmaal niet, omdat Harry volstrekt den dierentuin moest zien, en verder brachten we den dag door bij Mevrouw Ferrars. Harry vond het prachtig. Van morgen was ik wéér stellig van plan je een bezoek te brengen, als ik een half uurtje vrij had, maar er is altijd zóóveel te doen, als men pas in de stad komt! Ik moet hier een zegel bestellen voor Fanny. Maar morgen denk ik bepaald naar Berkeley Street te gaan, en meteen kennis te maken met je vriendin Mevrouw Jennings. Ik hoor dat zij zeer vermogend is. En aan de Middletons moet je mij ook voorstellen. Daar zij familie zijn van mijn stiefmoeder, zal ’t mij [251]genoegen doen hen te leeren kennen. Ik hoor, dat ze daarbuiten goede buren voor je zijn.”
“O ja, uitmuntend. Hun welwillendheid in ieder opzicht, hun hartelijke vriendschappelijkheid zijn met geen woorden uit te drukken.”
“Het doet mij oprecht genoegen dat te hooren; daar ben ik bepaald blij om. Maar zoo behoort het ook; het zijn menschen van fortuin; ze zijn familie van je; en men kon met recht verwachten, dat ze door beleefdheid en voorkomendheid je leven zouden pogen te veraangenamen. En je hebt het dus zeer naar je zin in je huisje, en verder niets te wenschen. Edward had er ons niets dan goeds van te vertellen; hij zei, het was in zijn soort volmaakt en jelui hadt er allen evenveel pleizier in. ’t Was ons een groote voldoening, dat te hooren, zooals je wel begrijpen zult.”
Elinor schaamde zich een beetje over haar broeder, en het speet haar niet, dat zij een antwoord kon achterwege laten; daar Mevrouw Jennings’ knecht kwam zeggen, dat het rijtuig wachtte.
De Heer Dashwood ging met hen mee naar beneden, werd bij het portier van het rijtuig aan Mevrouw Jennings voorgesteld, en nam afscheid, na nogmaals de hoop te hebben uitgedrukt, dat hij hen den volgenden dag zou kunnen bezoeken.
Het bezoek had dan ook werkelijk plaats. Hij bracht een zoogenaamde verontschuldiging over van hun schoonzuster, dat zij niet meekwam; “maar zij werd zoo in beslag genomen door haar moeder, dat ze werkelijk geen tijd had om ergens heen te gaan.” Mevrouw Jennings verzekerde hem echter dadelijk, dat zij het daarmee zoo nauw niet nam; ze waren toch allen familie van elkaar in zekeren zin, en zij zou in elk geval spoedig Mevrouw John Dashwood bezoeken en haar zusters meebrengen. Tegen Elinor en Marianne was hij, ofschoon niet uitbundig, toch zeer vriendelijk; Mevrouw Jennings behandelde hij uiterst beleefd, en toen Kolonel [252]Brandon kort na hem verscheen, keek hij hem aan met een nieuwsgierige belangstelling, die zijn bereidwilligheid liet doorschemeren, ook tegen hèm beleefd te zijn, als hij maar eerst wist, dat hij rijk was. Toen hij er een half uurtje had gezeten, vroeg hij of Elinor met hem naar Conduit Street wilde wandelen, om hem aan Sir John en Lady Middleton voor te stellen. Het was bijzonder mooi weer, en zij stemde hier gaarne in toe. Zoodra ze buitenshuis waren, begon hij te vragen.
“Wie is Kolonel Brandon? Is hij rijk?”
“Ja; hij heeft een mooie bezitting in Dorsetshire.”
“Daar ben ik blij om. Hij maakt een zeer gunstigen indruk en ik geloof, Elinor, dat ik je mag gelukwenschen met het vooruitzicht op een goede positie.”
“Mij gelukwenschen?—wat bedoel je, John?”
“Hij houdt van je. Ik heb scherp opgelet, en ik ben er zeker van. Hoeveel inkomen heeft hij?”
“Ik geloof omstreeks tweeduizend pond in het jaar.”
“Tweeduizend pond in het jaar,”... en met een soort van stuipachtige poging tot edelmoedige geestdrift voegde hij erbij: “Elinor, uit den grond van mijn hart zou ik wenschen, voor jou, dat het tweemaal zooveel was.”
“Dat geloof ik graag,” antwoordde Elinor; “maar ik weet wel zeker, dat Kolonel Brandon in de verste verte niet wenscht, met mij te trouwen.”
“Je vergist je, Elinor; je vergist je bepaald. Met een klein beetje moeite van jouw kant zou ’t gelukken. Misschien staat zijn besluit nog niet vast; dat je weinig bezit kan een beletsel voor hem zijn; mogelijk raden zijn vrienden het hem allen af. Maar zoo enkele kleine attenties en aanmoedigingen, die het dames zoo gemakkelijk valt te bewijzen, brengen de zaak in orde, eer hij het weet. En er kan geen reden bestaan, waarom je ’t niet zou beproeven, hem te winnen. ’t Is niet te denken, dat een vroegere [253]genegenheid van jouw kant... je weet nu eenmaal, wat dàt betreft, daarvan kan geen sprake zijn; de bezwaren zijn onoverkomelijk—en je bent te verstandig om dat niet in te zien. Kolonel Brandon wordt de man, en ’t zal aan mij niet liggen, als hij niet ingenomen is met jou en je familie. Dàt is nu een huwelijk, dat iedereen zal aanstaan.—Ik zal ’t je maar zeggen,”—hier begon hij gewichtig te fluisteren,—“het zal voor alle partijen bepaald een uitkomst zijn.” Zich bedenkend, voegde hij erbij: “Dat wil zeggen... ik bedoel... al je vrienden verlangen natuurlijk oprecht om je gelukkig getrouwd te zien; Fanny vooral, want zij meent het goed met je, werkelijk. En haar moeder ook; Mevrouw Ferrars is een heel goedhartige vrouw; ik geloof stellig, dat het haar veel pleizier zou doen, ze heeft nog pas zoo iets gezegd.”
Elinor verwaardigde zich niet, hierop te antwoorden.
“Het zou wèl toevallig zijn,” ging hij voort, “bepaald grappig, als Fanny’s broer en mijn zuster op den zelfden tijd in ’t huwelijk traden. En ’t kan toch licht gebeuren.”
“Gaat Edward Ferrars dan trouwen?” zei Elinor bedaard.
“Het staat nog niet vast; maar er is wel sprake van. Hij heeft een moeder zooals er geen tweede bestaat. Mevrouw Ferrars zal hem met de grootste vrijgevigheid behandelen en hem een vast inkomen verzekeren van duizend pond jaarlijks, als dit huwelijk doorgaat. Zij is een Morton, de eenige dochter van den overleden Lord Morton, en zij bezit dertigduizend pond,—van beide zijden is de verbintenis zeer gewenscht, en ik twijfel geen oogenblik of die zaak komt wel in orde. Duizend pond in ’t jaar is geen kleinigheid voor een moeder, om voor goed af te staan; maar Mevrouw Ferrars heeft een nobele natuur. Om je nog een voorbeeld te noemen van haar royaliteit; toen [254]we nu onlangs in de stad kwamen, heeft ze, omdat ze wel wist dat we niet ruim bij kas waren, Fanny een presentje toegestopt van tweehonderd pond. En dat kwam ons uitnemend te pas; want het is duur leven hier in de stad.” Hij wachtte op een betuiging van instemming en medelijden, en zij dwong zichzelf, te zeggen:
“Je zult zoowel in de stad als buiten veel uitgaven hebben; maar je inkomen is ook groot.”
“Niet zoo groot, durf ik wel zeggen als veel menschen meenen. Ik wil overigens niet klagen, natuurlijk; het is in elk geval zéér voldoende, en zal, hoop ik, mettertijd grooter worden. Het omheinen van Norland Common, waarmee we nu bezig zijn, verslindt ontzaglijk veel geld. En ik heb in dit laatste halfjaar ook nog een aankoop gedaan—East Kingham Farm, je herinnert je die boerderij wel, waar de oude Gibson woonde. Die landerijen kwamen mij in elk opzicht zoo uitmuntend van pas, ze sloten zoo onmiddellijk aan bij mijn eigendom, dat ik het als mijn plicht beschouwde, ze te koopen. Ik had het niet met mijn geweten kunnen overeenbrengen, ze in andere handen te laten vallen. Voor iets goeds moet men ook wat overhebben; en het heeft mij geld gekost, dat is zeker.”
“Meer dan je denkt, dat het bezit werkelijk en op zich zelf waard was?”
“Och, dat wil ik niet zeggen. Ik had het den volgenden dag kunnen verkoopen voor méér dan ik had betaald; maar wat de koopsom betrof, daarmee had ik wel heel ongelukkig kunnen treffen; de koersen stonden toen juist zoo laag, dat ik bepaald met groot verlies effecten zou hebben moeten verkoopen, als ik niet toevallig bij mijn bankier over de benoodigde som had kunnen beschikken.”
Elinor glimlachte even.
“Nog meer groote en onvermijdelijke uitgaven hebben we gehad toen we pas te Norland waren gekomen. Zooals je weet, had vader al het goed van [255]Stanhill, dat meegenomen was naar Norland, aan je moeder nagelaten. Daarover wil ik mij niet beklagen; verre van daar; hij had het volste recht over zijn eigendom te beschikken zooals hij verkoos. Maar wij hebben dientengevolge veel linnengoed, porselein, enz. moeten aanschaffen, ter vervanging van ’t geen werd weggenomen. Je kunt wel begrijpen, dat we, na al die onkosten, nu volstrekt niet rijk kunnen genoemd worden, en dat Mevrouw Ferrars’ vriendelijkheid ons bijzonder welkom is.”
“Zeker,” zei Elinor; “en ik hoop dat je met haar bijstand nog eenmaal zoover zult komen, dat je ruim en royaal leven kunt.”
“Met een paar jaar zal het er méér naar gaan lijken,” antwoordde hij met onverstoorbaren ernst; “maar er blijft vooreerst nog veel te doen. Er is nog niet eens begonnen met den bouw van Fanny’s oranjerie, en van den bloemtuin is enkel het plan ontworpen.”
“Waar komt die oranjerie?”
“Op het heuveltje achter het huis. De oude noteboomen zijn alle omgehakt, om ruimte te maken. Van uit het park gezien zal dat mooie gebouw een goed figuur maken, en de bloemtuin komt er vlak vóór, tegen de helling. We hebben al de oude meidoorns opgeruimd, die daar verspreid op den heuvel groeiden.”
Elinor hield haar spijt en haar afkeuring voor zich, en was maar blijde, dat Marianne er niet bij was, om zich mèt haar te ergeren.
Nu hij genoeg had gezegd, om zijn armoede in een helder licht te stellen, en de verplichting te ontgaan, bij zijn volgend bezoek aan den juwelier voor ieder van zijn zusters een paar oorbelletjes te koopen, begon hij aan vroolijker dingen te denken, en Elinor geluk te wenschen, dat ze een vriendin had als Mevrouw Jennings. “Dat is bepaald iemand, die men op prijs moet stellen. Haar huis, haar manier van leven, alles wijst op een uiterst ruim [256]inkomen, en de kennismaking met haar is niet alleen tot nu toe je van zeer groot nut geweest; maar kan later werkelijk voordeel voor je afwerpen. Dat ze jelui hier heeft te logeeren gevraagd, bewijst wel, hoe goed ze je gezind is; werkelijk, ik zie daarin een zoo sprekend bewijs van haar genegenheid, dat jelui naar alle waarschijnlijkheid bij haar overlijden wel niet zult worden vergeten. Zij zal heel wat nalaten, denk ik...”
“Ik zou eerder denken, in ’t geheel niets; zij heeft enkel het vruchtgebruik van het kapitaal, dat haar kinderen zullen erven.”
“Maar het spreekt toch van zelf, dat zij niet haar geheele inkomen verteert. Dàt doet toch haast niemand, die zijn verstand gebruikt; en met hetgeen ze spaart, kan zij doen wat ze wil.”
“En lijkt het je niet meer dan waarschijnlijk, dat ze dat aan haar dochters zal nalaten dan aan ons?”
“Haar dochters zijn beiden rijk getrouwd; ik zie dus niet in, waarom zij juist het eerst aan hèn zou denken. Mij dunkt juist, dat zij, door zooveel notitie van jelui te nemen, en je op deze wijze te behandelen, jelui een soort van recht heeft gegeven om voor de toekomst iets van haar te verwachten, dat een vrouw, die nauwgezet van geweten is, stellig zal moeten erkennen. Haar houding tegenover jelui is wel zoo vriendelijk mogelijk, en zij kan moeilijk zóó ver gaan in dit opzicht, zonder te begrijpen, welke verwachtingen zij wekt.”
“Gééne, bij hen, die de zaak het allereerst aangaat. Werkelijk, John, je bezorgdheid voor ons welzijn en onzen voorspoed gaat verder dan noodig is.”
“’t Is waar,” zei hij, blijkbaar tot nadenken gebracht, “de mensch heeft weinig, zéér weinig in zijn macht. Maar lieve Elinor, wat scheelt Marianne toch?—Ze ziet er bijzonder slecht uit, heeft haar frissche kleur verloren, en is bepaald mager geworden. Is zij ziek?” [257]
“Ze is niet heel wel; ze heeft al een paar weken last van haar zenuwen.”
“Dat is jammer. Op haar leeftijd doet ziekte alle frischheid verloren gaan. Háár bloei heeft maar kort geduurd. In September nog was ze een van de mooiste meisjes, die ik kende, met veel aantrekkelijks voor mannen. Juist de soort van schoonheid die hun bevalt. Ik weet nog, hoe Fanny altijd zei, dat zij eerder en beter zou trouwen dan jij,—niet dat ze van jou niet véél zou houden,—maar ze dacht dat nu zoo. En toch zal ze zien, dat ze zich vergist heeft. ’t Is de vraag of Marianne nu een man kan krijgen met meer dan vijf- of zeshonderd in ’t jaar op zijn meest, en ’t zou mij niets verwonderen, als jij het niet beter treft. Dorsetshire! Ik ken Dorsetshire zoo goed als niet; maar ik zou het bijzonder gaarne nader leeren kennen, Elinor; en ik durf wel zeggen, dat Fanny en ik daar je eerste en recht verheugde logeergasten zullen zijn.”
Elinor trachtte hem met den meesten nadruk te overtuigen, dat er van een huwelijk tusschen haar en Kolonel Brandon niets zou komen; maar hij had te veel pleizier in die verwachting om haar te kunnen opgeven; en hij was vastbesloten, den Kolonel nader te leeren kennen, en zijn uiterste best te doen, dat huwelijk tot stand te brengen. Hij had juist genoeg berouw over het feit, dat hijzelf niets voor zijn zusters had gedaan, om uit alle macht te verlangen, dat anderen des te meer voor hen zouden doen, en een huwelijksaanzoek van Kolonel Brandon, of een legaat van Mevrouw Jennings, waren de eenvoudigste middelen om zijn eigen nalatigheid te vergoeden....
Zij troffen Lady Middleton gelukkig thuis, en Sir John kwam binnen, eer hun bezoek was afgeloopen. Er werden van weerskanten veel minzame beleefdheidsbetuigingen gewisseld. Sir John was altoos bereid met iedereen veel op te hebben; en hoewel de Heer Dashwood van paarden niet veel [258]scheen te weten, vond hij hem al spoedig een besten kerel; terwijl Lady Middleton oordeelde, dat hij er gedistingeerd genoeg uitzag, om de kennismaking de moeite waard te achten; en de Heer Dashwood zelf vertrok verrukt van allebei.
“Ik zal er Fanny niets dan goeds van kunnen vertellen,” zei hij tegen zijn zuster, onder het terugwandelen, “Lady Middleton is werkelijk een charmante vrouw; iemand, met wie Fanny blij zal zijn, kennis te maken. En Mevrouw Jennings weet zich ook bijzonder goed voor te doen, al is ze niet zoo elegant als haar dochter. Je schoonzuster behoeft er geen bezwaar in te zien, háár ook te bezoeken; wat tot nu toe, om de waarheid te zeggen, wel een beetje ’t geval was, en niet zonder reden; want we wisten alleen, dat Mevrouw Jennings de weduwe was van een man, die zijn geld had verdiend op een nog al obscure manier; en Fanny en Mevrouw Ferrars hielden stijf en strak vol, dat noch zij, noch haar dochters in de termen vielen om met iemand als Fanny te kunnen omgaan. Maar nu kan ik haar omtrent beiden op de meest afdoende wijze geruststellen.” [259]
[Inhoud]