Toen Edward Kolonel Brandon zijn dank had betuigd, ging hij Lucy deelgenoote maken van zijn geluk; en toen hij Bartlett’s Buildings bereikte, was zijn blijdschap reeds zoo toegenomen, dat zij Mevrouw Jennings, die haar den volgenden dag kwam gelukwenschen, kon verzekeren, dat zij hem nog nooit in haar leven zoo verrukt had gezien.
Háár blijdschap en verrukking bleken althans duidelijk genoeg, en zij verheugde zich mèt Mevrouw Jennings in de voorstelling, dat zij samen gezellig in de pastorie te Delaford zouden zitten, eer de maand September was verstreken. Zoo weinig schroomvallig betoonde zij zich daarbij in het openlijk de eer geven aan Elinor van ’t geen Edward bleef toeschrijven aan háár invloed, dat zij met dankbare hartelijkheid sprak van hare vriendschap voor hen beiden; gereed was te erkennen, dat zij aan háár alles waren verplicht, en openlijk verklaarde, dat gééne poging tot bevordering van hun geluk, van Juffrouw Dashwood’s kant, haar ooit zou verwonderen, ’t zij nu of later; want zij was vast overtuigd, dat zij in staat was het onmogelijke te doen voor iemand, dien zij oprecht waardeerde. Wat Kolonel Brandon betrof, zij was niet alleen bereid hem te vereeren als een heilige; maar ook zeer bezorgd, dat hij in alle wereldsche aangelegenheden de eer zou ontvangen, die hem toekwam; zij wenschte van harte, dat zijn bezitting hem méér dan ooit zou opbrengen, en nam zich in stilte voor te Delaford, waar zij maar eenigszins daartoe kans zag, zich het gebruik te verzekeren van zijn bedienden, zijn rijtuig, zijn koeien en zijn hoenderpark. [330]
Sedert John Dashwood’s bezoek in Berkeley Street was nu reeds een week verloopen, en daar zij na dien tijd, behalve een mondelinge navraag, geen notitie meer hadden genomen van zijn vrouw’s ongesteldheid, begon Elinor het noodig te achten, haar een bezoek te brengen. Dit was een verplichting, waartoe zij zelve niet alleen weinig aandrang gevoelde, maar die bovendien geen steun ontving door den bijval van haar beide huisgenooten. Marianne weigerde niet alleen zeer stellig, zelve te gaan; maar wilde volstrekt haar zuster van dat bezoek terughouden; en hoewel Mevrouw Jennings’ rijtuig ten allen tijde tot Elinor’s dienst stond, had zijzelve zulk een hekel aan Mevrouw John Dashwood, dat noch haar nieuwsgierigheid om te zien, hoe zij zich hield na de onlangs gedane ontdekking, noch haar groote lust om haar eens de waarheid te zeggen en het voor Edward op te nemen, haar konden bewegen, den tegenzin in haar gezelschap te overwinnen. Het gevolg hiervan was, dat Elinor alleen het bezoek ging afleggen, waartoe niemand minder lust gevoelde dan zij, en de kans ging loopen op een tête-à-tête met iemand, die geen der anderen reden had met zóóveel afkeer te beschouwen.
Mevrouw Dashwood had belet; maar eer het rijtuig nog kon omkeeren, kwam haar man toevallig de deur uit. Hij gaf zijn blijdschap te kennen, Elinor te zien, vertelde, dat hij juist naar Berkeley Street had willen gaan, en vroeg haar, binnen te komen; het zou Fanny pleizier doen haar weer eens te spreken.
Zij gingen de trap op, en naar den salon, waar niemand zich vertoonde.
“Fanny is zeker in haar eigen kamer,” zei hij, “ik zal straks naar haar toegaan; want zij heeft er natuurlijk in ’t minst niet op tegen om je te zien;—integendeel.—Nu vooral kan er niets meer... maar in elk geval, jij en Marianne stondt altijd hoog bij [331]haar aangeschreven. Waarom is Marianne niet meegekomen?”
Elinor verontschuldigde haar zoo goed zij kon.
“Ik ben er niet rouwig om, dat ik je alleen spreek,” zei hij, “want ik heb je veel te vertellen. Die predikantsplaats van Kolonel Brandon... kan dat waar zijn?—heeft hij die werkelijk aan Edward gegeven? Ik hoorde het gisteren bij toeval, en wilde juist je gaan opzoeken, om er meer van te vernemen.”
“’t Is werkelijk waar.—Kolonel Brandon heeft de predikantsplaats te Delaford aan Edward geschonken.”
“Dus tòch!—Dat is toch verbazingwekkend!—geen familiebetrekking,—geen andere relatie!... en dat terwijl zulke plaatsen nu juist hooge prijzen opbrengen; hoeveel was deze waard?”
“Ongeveer tweehonderd pond.”
“Nu goed,—en voor de voorkeur alleen voor die vacature,—gesteld dat de vorige predikant oud en ziekelijk was, en spoedig zijn ambt had moeten neerleggen,—had hij stellig wel een veertienhonderd pond kunnen krijgen. Hoe kwam het, dat hij dat niet al lang had in orde gebracht, vóór deze laatste predikant was overleden?—Nu zou het natuurlijk te laat zijn voor een verkoop;—maar zulk een verstandig man als Kolonel Brandon!—hoe is ’t mogelijk, dat hij zoo weinig vooruitziende is, in zulk een natuurlijke, van zelf sprekende zaak. Nu, het bewijst alweer, dat bijna ieder mensch in zeker opzicht inconsequent is. Maar nu ik het goed bedenk, zal de zaak hoogst waarschijnlijk deze zijn. Edward treedt zoolang als plaatsvervanger op, tot de persoon aan wien de Kolonel de voorkeur door verkoop heeft afgestaan, oud genoeg is, om het ambt waar te nemen.—Ja, ja, zóó zal ’t zijn; daar ben ik zeker van.”
Elinor sprak dit echter met den meesten nadruk tegen, en toen zij verteld had, dat zijzelve op verzoek van den Kolonel zijn aanbod aan Edward had overgebracht, [332]en dus op de hoogte was van de wijze, waarop het was gegeven en aanvaard, moest hij wel gelooven op gezag.
“’t Is wèl merkwaardig!”—riep hij uit, na haar te hebben aangehoord,—“wat kan toch de beweegreden van den Kolonel zijn geweest?”
“Een heel eenvoudige—Edward een dienst te bewijzen.”
“Nu, ik moet zeggen, wat voor een man Kolonel Brandon dan ook is, Edward heeft het getroffen! Spreek er overigens maar niet over tegen Fanny; want hoewel ik het haar heb meegedeeld, en zij het nog al goed opnam, ze heeft niet graag, dat erover wordt gepraat.”
Elinor had eenige moeite, de opmerking te weerhouden, dat Fanny allicht met gelatenheid zou hebben kunnen verdragen, haar broeder’s inkomen vermeerderd te zien op een wijze, die noch haar, noch haar kind bij mogelijkheid zou kunnen benadeelen.
“Mevrouw Ferrars,” voegde hij erbij, op den zachteren toon, die bij het gewicht van dit onderwerp paste, “weet er op het oogenblik nog niets van, en ik geloof dat het raadzaam is, het zoo lang mogelijk voor haar geheim te houden. Als het huwelijk wordt voltrokken, vrees ik, dat zij alles zal moeten hooren.”
“Maar waarom zouden zulke voorzorgen moeten worden in acht genomen? ’t Is niet te verwachten, dat Mevrouw Ferrars de geringste voldoening kan vinden in de zekerheid, dat haar zoon genoeg heeft om van te leven;—dàt staat in elk geval vast; maar waarom zou men, na de wijze waarop zij zich heeft gedragen, éénig gevoel bij haar veronderstellen? Ze heeft afgedaan met haar zoon; ze heeft hem voor altoos verstooten, en gezorgd, dat allen, op wie zij eenigen invloed had, dat eveneens deden. Nu ze dàt eenmaal heeft gedaan, kan men zich toch niet voorstellen, dat ze nog vatbaar zou zijn voor eenigen [333]indruk van smart of vreugde, òm of dóór hèm;—zij kàn geen belang stellen in iets, wat hem aangaat. Zij zal toch niet zoo zwak zijn, ouderlijke bezorgdheid te gevoelen voor een kind, terwijl zij den troost zijner genegenheid moedwillig heeft verworpen?”
“Zeker, Elinor,” zei John; “je redeneering is zeer juist; maar zij berust op onbekendheid met de menschelijke natuur. Geloof maar gerust, als dat ongelukkige huwelijk van Edward plaats heeft, dan voelt zijn moeder dat even diep, alsof zij hem nooit had verstooten; en daarom moet elke omstandigheid, die deze verschrikkelijke ramp kan verhaasten, zoo lang mogelijk voor haar verborgen worden gehouden. Mevrouw Ferrars kan nooit vergeten, dat Edward haar zoon is.”
“Hoe is het mogelijk?—ik zou zeggen, dat ze ’t zich nu al bijna niet meer herinnert.”
“Je doet haar schromelijk onrecht. Mevrouw Ferrars is een van de meest liefhebbende moeders, die er bestaan.”
Elinor zweeg.
“We denken er nu over,” zeide de Heer Dashwood na een korte stilte, “om Robert met Juffrouw Morton te laten trouwen.”
Elinor, die niet kon nalaten te glimlachen om de ernstige en beslissende gewichtigheid van haar broeder’s toon, zei bedaard; “Met de keuze der dame wordt dus geen rekening gehouden.”
“Keuze?—Hoe bedoel je?”
“Ik bedoel, dat het, naar je manier van spreken te oordeelen, voor Juffrouw Morton hetzelfde moet zijn, of ze met Edward of met Robert trouwt.”
“Natuurlijk; dat maakt ook geen verschil; want Robert zal nu feitelijk en in elk opzicht als de oudste zoon worden beschouwd; en wat het overige aangaat, ze zijn beiden heel aardige jongelui,—ik zie niet in dat de een hooger staat dan de ander.”—
Elinor zeide niets meer en ook John bleef een poos zwijgen. Aan ’t slot van zijn overpeinzingen [334]nam hij zijn zuster vriendelijk bij de hand en fluisterde bijna plechtig: “Een ding, zusjelief, kan ik je verzekeren, en ik wil het je zeggen, omdat ik weet dat het je genoegen zal doen. Ik heb alle reden te denken—ja, ik weet het uit de beste bron, anders zou ik ’t niet oververtellen, want dàn zou het heel verkeerd zijn er over te spreken—maar ik heb het uit de allereerste hand—niet dat ik het door Mevrouw Ferrars zelve hoorde zeggen, maar haar dochter zei het, en van háár heb ik ’t gehoord—dat, om kort te gaan, welke bezwaren er ook mochten hebben bestaan tegen een zekere... een zekere verbintenis,—je begrijpt wat ik bedoel,—die haar toch oneindig liever zou geweest zijn, en haar niet half zoo zou hebben geërgerd als dit. Het verheugde mij bijzonder, te hooren, dat Mevrouw Ferrars er zóó over dacht,—’t is voor ons allen aangenaam dit te weten, dat begrijp je. “’t Zou van twee kwaden verreweg het minste zijn geweest,” zei ze, “en ze zou blij zijn, als ze zich nu had te schikken in niets ergers dan dàt. Trouwens,—daarvan is nu geen sprake, niet waar? daarover wordt geen woord meer gerept, en we denken er niet meer aan; die genegenheid trouwens—dat was nooit—dat is nu voorbij. Maar ik vond, dat ik ’t je toch moest vertellen; omdat ik begreep, dat het je veel pleizier moest doen. Reden tot spijt heb je overigens niet, mijn beste Elinor. Je zult het stellig nog heel goed treffen, evengoed, of beter misschien, als men alles in aanmerking neemt. Heb je Kolonel Brandon voor kort nog gesproken?”
Elinor had genoeg gehoord, zooal niet om haar ijdelheid te vleien en haar eigendunk te streelen, dan toch om haar zenuwen te prikkelen en haar gedachten te vervullen; en daarom was zij blijde, dat haar de verplichting werd bespaard, zelf nog meer te zeggen, zoowel als de kans, nog meer van haar broeder te vernemen, doordat Robert Ferrars binnentrad. Na een oogenblik met hem te hebben [335]gepraat, ging John Dashwood zich herinneren, dat Fanny nog steeds niet wist van haar zuster’s bezoek, de kamer uit, om haar te halen; en Elinor bleef achter, om nader kennis te maken met Robert, die door de luchtige zorgeloosheid en de tevreden zelfvoldaanheid van zijn optreden, terwijl hem een zoo onrechtmatig groot aandeel werd geschonken in zijn moeder’s liefde en haar gunstbewijzen ten nadeele van zijn verbannen broeder, een voorkeur, slechts verdiend door zijn eigen losbandig leven, in tegenstelling met Edward’s onkreukbare rechtschapenheid, de ongunstige meening bevestigde, die zij reeds had opgevat omtrent zijn gaven van hoofd en hart. Zij waren nog geen twee minuten alleen gebleven, of hij begon al over Edward te spreken; want hij had ook van de predikantsplaats gehoord, en was zeer benieuwd er meer van te vernemen. Elinor herhaalde de bijzonderheden, die zij aan John had medegedeeld, en hun uitwerking op Robert was, hoewel weer op een andere manier, niet minder treffend, dan bij haar broeder ’t geval was geweest. Hij lachte uitbundig. Het denkbeeld, dat Edward predikant zou worden en wonen in een kleine pastorie, vermaakte hem ongemeen, en toen zijn verbeelding hem daarbij Edward nog afschilderde in een wit koorhemd, de huwelijksaankondiging aflezend van John Smith en Mary Brown, kon hij zich onmogelijk iets grappigers voorstellen.
Terwijl Elinor, zwijgend en onverstoorbaar ernstig, wachtte tot dat dwaze gelach zou ophouden, kon zij niet nalaten, in den blik, dien zij op hem liet rusten, al de minachting aan den dag te leggen, die zij gevoelde. Die blik was in zóóverre welbesteed, dat hij háár verlichting schonk, terwijl hij er in ’t minst niet door werd getroffen. Het was geen berisping van hare zijde, die zijn geestigheid in wijsheid deed verkeeren; doch zijn eigen oprecht gevoel.
“We beschouwen ’t nu als een grap,” zei hij [336]eindelijk, het gemaakte gelach stakend, waarmee hij zijn eerste uitbarsting van vroolijkheid nog eenigen tijd had verlengd,—“maar, in ernst, het is waarlijk geen gekheid. Die arme Edward; het is uit met hem, voor goed. ’t Spijt me ontzettend voor hem,—want hij is een beste jongen; zoo goed als er geen tweede bestaat misschien. U moet hem niet beoordeelen, Juffrouw Dashwood, naar het weinigje dat u van hem weet. Arme kerel! Zijn manieren zijn nu niet juist wat men een aanbeveling zou kunnen noemen. Maar niet ieder wordt geboren met dezelfde gaven,—denzelfden natuurlijken aanleg in dat opzicht. Die stakker—als men hem in een vreemd gezelschap zag,—’t was om medelijden mee te hebben! Maar op mijn woord van eer, ik houd hem voor een van de beste menschen die ik ken, en ik kan u naar waarheid verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven zoo heb opgekeken, als toen deze geschiedenis aan ’t licht kwam. Ik kon ’t niet gelooven. Mama was de eerste die ’t mij vertelde, en ik zei dadelijk, (want ik wist onmiddellijk wat mij te doen stond): “Mama, ik weet niet, wat u van plan bent; maar wat mij betreft, als Edward met dit meisje trouwt, dan ziet hij mij nooit weerom!” Dat zei ik, zoodra ik ’t hoorde;—ik kon mijn ooren niet gelooven! ’t Was bepaald kwetsend voor mijn gevoel!—Arme Edward, hij heeft zich totaal te gronde gericht,—geen fatsoenlijk mensch zal ooit weer met hem willen omgaan; maar zooals ik dadelijk tegen mijn moeder zei, ’t verwondert me niets; na die opvoeding, die hij heeft gehad, kon men niet anders verwachten. Mijn goeie moeder was half gek van boosheid.”
“Hebt u zijn meisje wel eens ontmoet?”
“Ja, eenmaal; toen ze hier logeerde. Ik liep toevallig even aan; maar ik zag genoeg, om te weten wie ik voorhad. Een gewoon, stijf burgermeisje, provinciaal, ongracieus, en niet eens wat je mooi noemt. Ik kan me haar nog precies voorstellen. [337]Juist het soort van meisje, door wie Edward zich licht zou laten inpalmen. Ik bood dadelijk aan, toen mijn moeder ’t mij vertelde, om zelf eens met hem te praten, en hem te bewegen, van dat huwelijk af te zien; maar toen was het al te laat, dat zag ik in; want jammer genoeg was ik er in ’t begin niet bij geweest, en wist van niets af, eer de breuk met mijn moeder een voldongen feit was, waarna het niet op mijn weg lag, tusschenbeide te komen, dat begrijpt u. Maar had ik het een paar uur vroeger vernomen, dan geloof ik stellig, dat er nog wel iets op te vinden was geweest. Ik zou Edward met den meesten nadruk mijn meening hebben te kennen gegeven. “Beste jongen,” zou ik hebben gezegd, “bedenk wat je doet. Je verlaagt je door een dergelijke verbintenis, die door je geheele familie wordt afgekeurd.” Ik kan niet nalaten te denken, dat er nog wel iets aan te doen zou geweest zijn. Maar nu is het te laat. Hij zal moeten hongerlijden; dat staat vast; feitelijk en letterlijk hongerlijden.”
Hij had die overtuiging juist met de grootste kalmte uitgesproken, toen de komst van Mevrouw John Dashwood een einde maakte aan hun gesprek. Maar hoewel zij nooit over de zaak sprak met anderen dan haar eigen familieleden, bespeurde Elinor den invloed ervan op haar geest, in den zweem van verlegenheid, die zich op haar gezicht vertoonde bij het binnentreden, en in een poging tot iets als vriendelijkheid jegens haarzelve in hare houding. Zij ging zelfs zoo ver, haar spijt te betuigen, dat Elinor en haar zuster reeds zoo spoedig zouden vertrekken, daar zij had gehoopt, hen nog dikwijls te zien, eene uiting, door haar man, die haar had binnengebracht, en verteerderd naar haar luisterde, blijkbaar beschouwd als een bewijs van allerbeminnelijkste hartelijkheid. [338]
[Inhoud]