Nog één kort bezoek in Harley Street, waarbij Elinor haar broeder’s gelukwenschen ontving, omdat zij op deze wijze zonder onkosten een gedeelte van de reis naar Barton konden afleggen, en omdat Kolonel Brandon hen over eenige dagen naar Cleveland zou volgen, besloot den omgang van broeder en zusters in de stad; en een vluchtige uitnoodiging van Fanny om te Norland te komen, als zij ooit eens in de buurt waren, wel de minst waarschijnlijke gebeurtenis, die zich denken liet, benevens een iets hartelijker, doch in stilte geuite verzekering van John aan Elinor, dat hij niet in gebreke zou blijven haar te Delaford te bezoeken, was alles wat een toekomstige ontmoeting buiten Londen mocht doen verwachten.
Zij vond iets grappigs in de opmerking, dat al haar vrienden haar volstrekt naar Delaford wilden zenden, een plaats waar zij nu wel het allerminst zou wenschen te wonen, of zelfs een bezoek te brengen; want niet alleen werd het door haar broeder en Mevrouw Jennings als haar toekomstig tehuis beschouwd; maar zelfs Lucy drong er bij het afscheid op aan, dat zij haar daar toch eens moest opzoeken.
Op een der eerste dagen van April, en tamelijk vroeg op den dag, begaven zich de twee families, uit Hanover Square en uit Berkeley Street, elk afzonderlijk op weg, om elkaar op een afgesproken plaats te ontmoeten. Voor ’t gemak van Charlotte met haar kind zouden zij meer dan twee dagen onderweg blijven, en de Heer Palmer, die met Kolonel Brandon iets vlugger reisde, zou zich spoedig na hun aankomst te Cleveland bij hen voegen.
Hoe weinig gelukkige uren Marianne ook in Londen [339]had doorgebracht, en hoezeer zij ook reeds geruimen tijd verlangde de stad te verlaten, zij kon, nu het zoover was, het huis niet vaarwelzeggen, waarin zij voor het laatst zich had gevleid met de hoop en het vertrouwen op Willoughby, die thans voor altijd waren vervlogen, zonder diepe smart te gevoelen. En evenmin kon zij heengaan van de plek, waar Willoughby thans achterbleef, vervuld van nieuwe plannen en nieuwe verplichtingen, waarin zij niet mocht deelen, zonder vele tranen te storten.
Elinor’s voldoening, nu het oogenblik van vertrekken aanbrak, was minder twijfelachtig. Voor haar was er geen voorwerp, waarbij haar gedachten konden verwijlen in droeve mijmerij; geen sterveling liet zij achter van wien ze ’t een oogenblik zou betreuren, als zij hem nooit weer ontmoette; ze was blijde, eindelijk verlost te worden van Lucy’s drukkende vriendschap; dankbaar, haar zuster te kunnen meenemen, zonder dat deze Willoughby sedert zijn huwelijk had ontmoet; en zij zag met hoopvolle verwachting uit naar ’t geen een paar maanden van kalmte te Barton zouden bewerken, ter verbetering van Marianne’s gemoedsrust en ter bevestiging van de hare. De reis liep zonder ongevallen af. De tweede dag bracht hen in het dierbare, of verboden land, zooals Marianne beurtelings in haar verbeelding het graafschap Somerset placht te noemen; en vóór de derde morgen was verstreken, hadden zij Cleveland bereikt.
Cleveland was een groot huis, in modernen stijl gebouwd, en op een hellend grasveld gelegen. Een park bezat het niet; maar de tuinen waren uitgestrekt, en zooals alle dergelijke fraaie buitenplaatsen, had het een open plantsoen en begroeide boschpartijen; een effen kiezelpad, omzoomd door heesters, leidde naar den voorgevel; het grasveld voor het huis was beplant met verspreid geboomte; het huis zelf ging schuil onder sparren, eschdoorns en [340]acacia’s, en achter een dichte haag, waartusschen hooge Lombardische populieren groeiden, lagen de gebouwen voor het dienstpersoneel en de stallen.
Marianne trad het huis binnen, diep ontroerd door de gedachte, dat zij slechts tachtig mijlen van Barton, en geen dertig van Combe Magna was verwijderd; en eer zij vijf minuten binnen zijn muren had vertoefd, terwijl de anderen Charlotte hielpen, om haar kindje aan de huishoudster te vertoonen, liep zij weer heen en sloop door de slingerpaden van het plantsoen, dat reeds groen begon te worden, naar een hooggelegen plek, vanwaar zij, uit een Grieksch tempeltje, haar blik kon laten zwerven over een uitgestrekt landschap naar het Zuid-Oosten, met welgevallen het oog laten rusten op de verst verwijderde heuvelrij aan den gezichtseinder, en zich verbeelden, dat zij van hun top Combe Magna zou kunnen zien.
In zulke oogenblikken van zalig, van onwaardeerbaar lijden verheugde zij zich onder heete tranen, te Cleveland te zijn, en toen zij langs een anderen weg naar het huis terugkeerde, met het gelukkig gevoel weer landelijke vrijheid te kunnen smaken, van plek tot plek te kunnen zwerven in ongestoorde, genotvolle eenzaamheid, besloot zij, zoolang zij bij de Palmers zou zijn, bijna ieder uur van iederen dag te genieten van zulke eenzame zwerftochten.
Zij kwam juist bij tijds terug, om zich bij de anderen te voegen, die het huis verlieten, om de onmiddellijke omgeving eens in oogenschouw te nemen, en de morgen werd verder aangenaam gesleten met een wandeling door den moestuin, waar zij de bloesems bewonderden der langs de muren geleide vruchtboomen, en luisterden naar de klachten van den tuinman over de vorst, met een kijkje in de oranjerie, waar het verlies van haar fraaiste planten, die onvoorzichtig waren blootgesteld, en geleden hadden door de langdurige koude, Charlotte alweer aan het lachen bracht, [341]en met een bezoek aan het hoenderpark, waar zij nieuwe stof tot vroolijkheid vond in de teleurgestelde verwachtingen van het meisje dat er toezicht hield, wegens kippen, die haar nesten in den steek lieten, of door een vos werden gestolen, of wegens de groote sterfte onder een veelbelovend broedsel. De morgen was mooi en droog, en Marianne had bij haar plannen om zich hier buiten bezig te houden niet gerekend op verandering van weer, zoolang zij te Cleveland logeerde. Het verraste haar dus niet weinig, dat een gestadige slagregen haar verhinderde na den eten weer uit te gaan. Zij had zich een wandeling in de schemering voorgesteld naar den Griekschen tempel, en misschien nog verder, en een koude of vochtige avond zou haar daarvan niet hebben teruggehouden; maar een zwaren en aanhoudenden slagregen kon zelfs zij niet beschouwen als geschikt of aangenaam wandelweer.
Het gezelschap was klein, en de uren gingen rustig voorbij. Mevrouw Palmer had haar kindje, en Mevrouw Jennings haar handwerk; ze praatten over de vrienden die ze hadden achtergelaten; regelden Lady Middleton’s gezelschapsavonden, en waren benieuwd of de Heer Palmer en Kolonel Brandon het dien avond verder zouden brengen dan tot Reading. Elinor nam deel in hun gesprek, hoewel het haar weinig boeide, en Marianne, die in ieder huis als bij instinct den weg naar de bibliotheek wist te vinden, hoezeer die ook overigens door het gezin werd vermeden, zorgde wel, dat zij spoedig een boek in handen had. Mevrouw Palmer deed van haar kant, in haar onveranderlijke en welgezinde opgeruimdheid, al wat zij kon, om hen te doen gevoelen, dat zij hier welkom waren. Haar oprechte hartelijkheid vergoedde ruimschoots de onnadenkendheid en het gebrek aan tact, die haar dikwijls deden te kort schieten in uiterlijke beleefdheid; haar vriendelijkheid, nog te bekoorlijker door haar lief gezichtje, nam voor haar in; haar dwaasheid, [342]hoezeer ook in het oog vallend, was niet afstootend, daar zij niet gepaard ging met inbeelding; en Elinor had haar alles kunnen vergeven, behalve haar gelach.
De twee heeren kwamen den volgenden dag bij tijds om deel te nemen aan het zeer verlate middagmaal. Zij vormden een prettige aanwinst voor het gezelschap en brachten een welkome afwisseling in het gesprek, dat na een langen regenachtigen morgen in ietwat kwijnenden toestand verkeerde.
Elinor had den Heer Palmer zoo zelden ontmoet, en bij die enkele gelegenheden zijn houding tegenover haar en hare zuster zoo verschillend bevonden, dat zij zich niet recht kon voorstellen, hoe hij eigenlijk zou zijn in zijn eigen huiselijken kring. Hij bleek nu toch tegenover zijn gasten voorkomend genoeg, en slechts nu en dan lomp tegen zijn vrouw en haar moeder; hij kon, zooals zij thans bespeurde, zeer goed aangenaam in gezelschap zijn, en werd daarin slechts verhinderd door een overwegende neiging om zich even ver verheven boven alle andere menschen te achten, als hij zich den meerdere gevoelde van Mevrouw Jennings en Charlotte. Voor het overige vertoonde hij in zijn karakter en gewoonten, voor zoover Elinor kon nagaan, geen enkelen ongewonen trek, zijn sekse en leeftijd in aanmerking genomen. Hij was kieskeurig op zijn maaltijden, niet precies op zijn tijd, hij hield veel van zijn kind, hoewel hij deed als of het hem niet schelen kon, en hij sleet des morgens met biljartspelen den tijd, dien hij aan zijn zaken had behooren te wijden. Zij mocht hem echter over ’t geheel wel lijden; veel beter dan zij had verwacht; en in haar hart speet het haar niet, dat zij niet beter over hem denken kon; dat zij door de waarneming van zijn verfijnde genotzucht, zijn egoïsme en zijn eigenwaan ertoe gebracht werd met welbehagen te verwijlen bij de herinnering aan Edward’s edelmoedigen aard, [343]zijn eenvoudige neigingen en schuchtere fijngevoeligheid.
Van Edward, of althans het een en ander, hem betreffende, hoorde zij nu door Kolonel Brandon, die onlangs naar Dorsetshire was geweest, en die aan haar, als de belanglooze vriendin van den Heer Ferrars, en de vriendelijke vertrouwde van hemzelf, veel vertelde van de pastorie te Delaford, waarvan hij de gebreken omschreef, terwijl hij meteen vermeldde, hoe hij daarin verbetering dacht te brengen. Zijn houding tegenover haar, zoowel in dezen als in alle andere opzichten, zijn zichtbare blijdschap haar weer te zien, na een afwezigheid van slechts tien dagen, het blijkbare genoegen dat hij scheen te vinden in hun gesprekken, en het gezag dat hij toekende aan haar oordeel, deden Mevrouw Jennings’ verzekerdheid van zijn liefde voor haar niet onnatuurlijk schijnen, en zouden wellicht voldoende geweest zijn, ook bij haarzelve dat vermoeden te wekken, wanneer zij niet nog steeds Marianne als degene had beschouwd, aan wie hij van den beginne zijne voorkeur had geschonken. Maar inderdaad was die gedachte nooit bij haar opgekomen, tenzij dan door Mevrouw Jennings’ opmerkingen, en zij kon niet nalaten zichzelve voor de meest scherpziende te houden van hen beiden; zij lette op zijn oogen, terwijl Mevrouw Jennings enkel aandacht schonk aan zijn gedrag, en terwijl de angstige bezorgdheid in zijn blik, nu Marianne in haar hoofd en keel het begin van een zware verkoudheid gevoelde, volkomen aan zijn gastvrouw ontging, omdat hij die bezorgdheid niet onder woorden bracht, zag zij er de licht gewekte vrees en de noodelooze beduchtheid in van een minnaar.
Twee heerlijke schemeravond-wandelingen, niet slechts op de droge kiezelpaden van het plantsoen, maar in de meest afgelegen gedeelten van den tuin en de omgeving, waar nog iets restte van de ongerepte [344]natuur, waar de boomen het oudst waren en het gras heel lang en heel nat was, hadden,—in vereeniging met de nog grooter onvoorzichtigheid van haar natte kousen en schoenen aan te houden—Marianne zulk een hevige verkoudheid bezorgd, dat zij, ofschoon zij er een paar dagen geen acht op sloeg, of bij navraag ontkende, door toenemende ongesteldheid zich weldra het voorwerp zag van aller medelijden, en zelve moest erkennen, dat zij ziek was. Geneesmiddelen werden van alle zijden aanbevolen, en zooals gewoonlijk, alle verworpen. Hoewel loom en koortsig, met pijn in alle leden, en gekweld door hoest en keelpijn, meende zij dat een goede nachtrust haar volkomen zou genezen, en slechts met moeite kon Elinor van haar gedaan krijgen, dat zij, bij het naar bed gaan, een paar van de eenvoudigste huismiddeltjes wilde aanwenden.
[Inhoud]