Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 44

Marianne stond den volgenden morgen op haar gewonen tijd op; antwoordde op elke vraag, dat zij zich beter gevoelde, en trachtte te bewijzen, dat dit het geval was, door ook haar gewone bezigheden ter hand te nemen. Maar de dag, dien zij doorbracht met zitten huiveren bij het vuur, een boek in de hand, waarin zij niet lezen kon, op de sofa liggen, leverde geen treffend bewijs van die beterschap, en toen zij eindelijk, steeds meer ongesteld, vroeg naar bed ging, verbaasde Kolonel Brandon zich over de kalmte van haar zuster, die, hoewel zij Marianne tegen den zin der zieke den geheelen dag had verzorgd en opgepast, en haar gedwongen had, des avonds medicijnen te gebruiken, evenals Marianne zelve vertrouwde op de [345]goede uitwerking van den slaap, dien zij als zeker beschouwde, en niet in ernst ongerust was.

Een zeer onrustige en koortsige nacht stelde echter beider verwachtingen te leur; en toen Marianne, die volstrekt had willen opstaan, toegaf, dat zij zich niet in staat gevoelde op te zitten, en uit zich zelve weer naar bed ging, volgde Elinor gaarne Mevrouw Jennings’ raad, den plattelandsheelmeester te laten halen, die in de buurt van de Palmers woonde.

Hij kwam en onderzocht de patiënte; en hoewel hij Elinor poogde te bemoedigen door de verzekering dat haar zuster binnen eenige dagen hersteld zou kunnen zijn, liet hij zich toch het woord “besmetting” ontvallen, waardoor Mevrouw Palmer dadelijk zeer bezorgd over haar kindje werd. Mevrouw Jennings, die van den beginne, meer dan Elinor, Marianne’s ongesteldheid als ernstig had beschouwd, keek zeer bedenkelijk, toen zij hoorde wat de Heer Harris had gezegd; zij vond Charlotte’s angst en bezorgdheid zeer gegrond, en drong erop aan, dat zij onmiddellijk met het kind zou vertrekken; terwijl de Heer Palmer, hoewel hij hun vrees overdreven achtte, aan de angstige smeekingen van vrouw geen weerstand kon bieden. Er werd dus besloten, dat zij dadelijk zou gaan, en een uur na het bezoek van den Heer Harris vertrok zij, met haar kleinen jongen en het kindermeisje, naar een bloedverwant van den Heer Palmer, die een paar mijlen aan den anderen kant van Bath woonde; terwijl haar man, op haar dringend verzoek, beloofde haar over eenige dagen te zullen volgen, en zij bijna evenzeer erop gesteld was, haar moeder ook daarheen mee te nemen. Mevrouw Jennings echter verklaarde, met een innige goedhartigheid, die Elinor werkelijk liefde voor haar deed opvatten, dat zij Cleveland niet zou verlaten, zoolang Marianne ziek bleef, en dat zij wilde trachten door haar eigen oplettende zorg de moeder te vervangen, aan wie [346]zij haar had ontnomen; en Elinor vond in haar ten allen tijde eene ijverige en gewillige helpster, gaarne bereid, haar moeite en vermoeienis te deelen, en wier ervaring op het punt van ziekenverpleging haar dikwijls van groot nut was.

De arme Marianne, mat en gedrukt door haar ziektetoestand, en zich nu wel zeer ongesteld gevoelend, kon niet langer hopen, dat zij den volgenden dag beter zou zijn; en de gedachte aan ’t geen die dag haar zou gebracht hebben, wanneer deze ongelukkige ziekte niet tusschenbeide was gekomen, verscherpte elke pijn; want morgen zouden zij de thuisreis hebben aanvaard, vergezeld door een knecht van Mevrouw Jennings, zoodat zij in den loop van den daaropvolgenden dag hun moeder zouden zijn komen verrassen. De weinige woorden die zij sprak, uitten enkel haar beklag over dit onvermijdelijk uitstel; hoewel Elinor haar poogde op te beuren en te doen gelooven, zooals zij toen werkelijk zelve geloofde, dat dit uitstel slechts kort zou zijn.

De volgende dag bracht weinig of geen verandering in den toestand der zieke; beter was zij in elk geval niet; maar men kon haar, behalve dan in zooverre geen beterschap viel te bespeuren, toch ook niet erger noemen. Hun gezelschap werd thans nog kleiner; want de Heer Palmer liet zich, hoewel hij weinig lust had om te gaan, en dat zoowel uit ware menschelijkheid en goedhartigheid, als uit ongeneigdheid, den schijn op zich te laden van door zijn vrouw’s angst te zijn aangestoken, ten slotte door Kolonel Brandon overreden, zijn belofte van haar te zullen volgen gestand te doen, en terwijl hij zich gereedmaakte voor de reis, begon Kolonel Brandon, wien dit heel wat meer inspanning kostte, ervan te praten, ook te willen vertrekken. Hier kwam Mevrouw Jennings’ goedigheid hun allen buitengewoon te pas; want om den Kolonel nu weg te zenden, terwijl zijn lieve vriendin zoo [347]bezorgd was over hare zuster, zou hen allebei, dacht zij, van allen troost berooven; dus vertelde zij hem maar dadelijk, dat zij zelve hem hier te Cleveland volstrekt noodig had; dat hij ’s avonds haar partijtje piquet met haar moest spelen, als Elinor boven bleef bij haar zuster, en zoo meer; en zoo dringend verzocht zij hem te blijven, dat hij, die zijn eigen liefsten hartewensch vervulde, wanneer hij toegaf, zich zelfs in schijn niet lang tegen haar verlangen kon verzetten; temeer daar Mevrouw Jennings’ verzoek ijverig werd ondersteund door den Heer Palmer, die verlichting scheen te vinden in het besef, dat hij iemand achterliet, zoo uitnemend geschikt om Juffrouw Dashwood in geval van nood met raad en daad bij te staan.

Marianne vernam natuurlijk niets van al deze schikkingen. Zij wist niet, dat zij de bewoners van Cleveland uit hun huis had verjaagd, pas zeven dagen na hunne terugkomst. Het verwonderde haar volstrekt niet, dat Mevrouw Palmer zich nooit vertoonde, en daar het haar evenmin speet, sprak zij in ’t geheel niet van hare gastvrouw. Twee dagen verliepen na het vertrek van den Heer Palmer, en haar toestand bleef nagenoeg dezelfde. De Heer Harris die elken dag kwam, sprak nog steeds vol vertrouwen van een spoedig herstel, en Elinor bleef ook hoopvol gestemd; doch de anderen waren veel minder optimistisch in hunne verwachtingen. Mevrouw Jennings had zich van den beginne in het hoofd gezet, dat Marianne er nooit weer bovenop zou komen, en Kolonel Brandon, die niet veel anders had te doen dan Mevrouw Jennings’ sombere voorspellingen aan te hooren, was niet in de stemming om hun invloed te weerstaan. Hij trachtte door redeneering de vrees te onderdrukken, die het andersluidend oordeel van den heelmeester als dwaasheid scheen te stempelen; doch de vele uren van den dag, die hij in eenzaamheid doorbracht waren maar al te bevorderlijk voor de toelating [348]van allerlei treurige gedachten, en hij kon de overtuiging niet van zich afzetten, dat hij Marianne niet zou weerzien.

Toen de derde morgen was aangebroken, scheen het echter, alsof beiden de toekomst te donker hadden ingezien; want toen de Heer Harris kwam, vond hij de patiënte aanmerkelijk beter. De pols was veel sterker en alle verschijnselen waren gunstiger dan bij zijn vorig bezoek. Elinor, wier blijde hoop ten volle werd bevestigd, was een en al vroolijkheid; zij verheugde zich, in haar brieven aan haar moeder meer haar eigen oordeel te hebben gevolgd dan dat harer vrienden; want zij had volstrekt geen ophef gemaakt van de lichte ongesteldheid, die hen vooreerst nog te Cleveland deed blijven, en bijna den dag reeds bepaald, waarop Marianne op reis zou kunnen gaan.

Doch de dag eindigde niet zoo gunstig als hij was begonnen. Tegen den avond werd Marianne weer erger; zij gevoelde zich meer afgemat, rusteloos en gejaagd dan te voren. Haar zuster, nog altijd hoopvol, was geneigd die verandering toe te schrijven aan de vermoeienis van het opzitten, terwijl haar bed werd opgemaakt; en na haar zorgvuldig de voorgeschreven medicijnen te hebben ingegeven, zag zij haar eindelijk indommelen, en hoopte dat de rust haar goed zou doen. Zij bleef, hoewel niet zoo rustig als Elinor wenschte, geruimen tijd doorslapen; en daar Elinor de uitwerking van dien slaap gaarne zelf wilde waarnemen, besloot zij, bij haar te blijven opzitten, tot zij wakker werd.

Mevrouw Jennings, die niets wist van de verandering in den toestand der zieke, ging ongewoon vroeg naar bed; haar kamenier, die mede hielp verplegen, gebruikte haar avondeten in de kamer der huishoudster, en Elinor bleef met Marianne alleen.

Steeds onrustiger werd de slaap der zieke, en haar zuster, die den blik niet van haar afwendde, [349]wenschte bijna, nu zij haar voortdurend van houding zag veranderen, en de herhaalde, vage klachten hoorde, die haar lippen ontsnapten, dat zij haar mocht wekken uit een zoo weinig verkwikkende sluimering; toen Marianne, plotseling wakker schrikkend door een toevallig geluid in huis, overeind vloog, en koortsachtig opgewonden uitriep: “Komt Mama nu?”

“Nog niet,” antwoordde Elinor, terwijl zij, zonder te laten merken hoe zij geschrikt was, Marianne hielp, weer te gaan liggen; “maar zij zal nu, hoop ik, spoedig komen. Het is een heel eind, van hier naar Barton; dat weet je wel.”

“Maar ze moet niet over Londen gaan,” riep Marianne, op denzelfden gejaagden toon. “Als ze naar Londen gaat, dan zal ik haar niet meer zien.”

Elinor bespeurde tot haar grooten schrik, dat zij niet volkomen bij kennis was, en voelde haar pols, terwijl zij trachtte haar tot bedaren te brengen. De polsslag was zwakker en sneller dan ooit, en daar Marianne nog steeds verward over mama bleef praten, werd Elinor zóó ongerust, dat zij besloot, dadelijk den Heer Harris te laten halen, en een bode naar Barton te zenden om hare moeder. Kolonel Brandon te raadplegen over de beste wijze, waarop dit zou kunnen gebeuren, was de gedachte onmiddellijk volgend op het genomen besluit, en zoodra zij de kamenier had gebeld, om haar plaats bij hare zuster in te nemen, ging zij haastig naar beneden naar den salon, waar zij wist, dat hij gewoonlijk, op een nog veel later uur dan thans, was te vinden.

Voor aarzelen was het de tijd niet. Wat zij vreesde en wat haar bezwaarde werd hem in enkele woorden medegedeeld. Hij had niet genoeg moed, noch vertrouwen, tot een poging zelfs, om haar vrees te verdrijven; zwijgend en treurig hoorde hij haar aan; doch haar moeilijkheden werden onmiddellijk uit den weg geruimd; want met een bereidwilligheid, [350]die deed vermoeden, dat hij reeds bij voorbaat had gerekend op deze gelegenheid om van dienst te zijn, bood hij zich aan als den boodschapper, die Mevrouw Dashwood zou gaan halen. Elinor maakte geene tegenwerping, die niet gemakkelijk werd overwonnen. Zij dankte hem in enkele, innig gevoelde woorden, en terwijl hij zijn knecht haastig heenzond, om den Heer Harris te waarschuwen, en onmiddellijk postpaarden te bestellen, schreef zij een kort briefje aan hare moeder. Hoe dankbaar verheugde zij zich op dat oogenblik in het bezit van een vriend als Kolonel Brandon!—van een leidsman voor hare moeder, wiens oordeel haar zou voorlichten, wiens hulp haar rust zou schenken, en wiens vriendschap haar zou troosten!—Voor zoover de schok van zulk een tijding voor haar kòn worden verzacht, zouden zijn aanwezigheid, zijn gedrag, zijn gereede hulp daartoe bijdragen.

Hij intusschen handelde, wàt hij ook mocht gevoelen, met al de beradenheid van een rustigen geest, deed al het noodige met de uiterste snelheid, en berekende nauwkeurig het tijdstip, waarop zij zijne terugkomst mocht verwachten. Geen oogenblik ging verloren door eenig oponthoud. De paarden kwamen nog eerder dan zij hadden verwacht, en Kolonel Brandon stapte haastig in het rijtuig, terwijl hij haar alleen met een diep-ernstigen blik de hand drukte, en enkele woorden sprak, te zacht dan dat zij ze kon verstaan. Het was nu omstreeks twaalf uur, en zij ging terug naar haar zuster’s kamer, om te wachten op de komst van den Heer Harris, en verder dien nacht bij haar te waken. Voor beiden was het een lijdensnacht. Uur na uur verstreek, onder slapelooze pijn en koortsig ijlen van Marianne, onder kwellenden angst van Elinor, eer de Heer Harris kwam. De overmaat der eenmaal gewekte vrees deed haar boeten voor al haar vroegere kalmte, en het meisje, dat met haar waakte, (want zij wilde Mevrouw Jennings niet [351]laten roepen), pijnigde haar te meer door zinspelingen op ’t geen haar meesteres altijd wel had gedacht.

Marianne’s gedachten dwaalden nog steeds, bij tusschenpoozen en onsamenhangend, naar hare moeder; en telkens als zij haar naam noemde, kromp het hart van de arme Elinor ineen, die, zichzelve verwijtend, dat zij zoovele dagen van ziekte zoo licht had geteld, en snakkend naar eenige onmiddellijke verlichting, zich verbeeldde, dat alle hulp wel spoedig te vergeefsch zou zijn; dat alles te lang was uitgesteld, en zich haar bedroefde moeder voorstelde, telaat komend om haar geliefd kind nog in leven, of nog bij haar bewustzijn te vinden.

Zij was op het punt, nogmaals om den Heer Harris te zenden, of als hij niet kon komen, anderen raad in te winnen, toen hij eindelijk,—het was reeds over vijf geworden,—verscheen. Zijn oordeel maakte gelukkig zijn late komst eenigszins goed; want hoewel hij erkende, dat er een zeer onverwachte en ongunstige verandering in den toestand der zieke was ingetreden, hij zag nog geen werkelijk gevaar, en sprak over de goede verwachting, die hij had van eene nieuwe behandelingswijze, met zooveel vertrouwen, dat Elinor zich eenigermate gerustgesteld gevoelde. Hij beloofde over een uur of vier te zullen terugkomen en verliet zoowel de zieke als haar bezorgde verpleegster kalmer dan hij beiden had aangetroffen.

Met oprechte meewarigheid, en vele verwijten, omdat hare hulp niet was ingeroepen, vernam Mevrouw Jennings des morgens, wat er gebeurd was. Haar vroegere vrees, thans en met meer reden, opnieuw gewekt, deed haar omtrent den afloop geen twijfel koesteren, en hoewel zij poogde, Elinor woorden van troost toe te spreken, haar stellige overtuiging omtrent het gevaar, waarin Marianne verkeerde, liet haar niet toe, den troost der hoop te [352]verleenen. Het deed haar innig verdriet. Het snelle verval, de vroege dood van een zoo jong en schoon meisje als Marianne zouden het medelijden hebben gewekt zelfs van wie haar minder na stond. Doch er was meer, dat haar recht gaf op Mevrouw Jennings’ meegevoel. Drie maanden was zij dagelijks met haar in aanraking geweest, ook thans nog bleef zij aan hare zorg toevertrouwd; zij wist dat Marianne groot onrecht was geschied; dat zij lang en veel had geleden. Het verdriet harer zuster, van wie zij bijzonder veel hield, moest zij ook aanzien; en wat hunne moeder betrof, als mevrouw Jennings bedacht, dat Marianne waarschijnlijk voor haar was, wat Charlotte was voor haarzelve, dan leed zij in waarheid de smart dier andere moeder mede.

De Heer Harris bracht zijn tweede bezoek precies op tijd; doch zag zijn hoop op een goeden uitslag teleurgesteld. Zijne medicijnen hadden niet geholpen;—de koorts nam nog niet af, en Marianne bleef,—rustiger, doch niet bij kennis,—in een toestand van doffe bewusteloosheid. Elinor, onmiddellijk onder den indruk van zijn vrees, en erger nog, stelde voor, andere hulp in te roepen. Doch hij achtte dit niet noodig; hij wilde nog een nieuwe behandeling beproeven, op welke uitwerking hij bijna evenveel vertrouwen had als op de vorige, en hij nam afscheid met bemoedigende verzekeringen, die Elinor aanhoorde, zonder dat zij doordrongen tot haar hart. Zij was kalm; behalve wanneer zij aan hare moeder dacht; doch zij had bijna geen hoop meer; en zoo bleef zij tot twaalf uur bij haar zuster’s bed zitten, terwijl haar gedachten van de eene treurige voorstelling, van den eenen lijdenden vriend naar den anderen zwierven, en zij bijna tot wanhoop werd gedreven door het gepraat van Mevrouw Jennings, die onomwonden uitsprak, dat zij de hevigheid en gevaarlijkheid van dezen ziekte-aanval toeschreef aan de vele voorafgegane [353]weken van ongesteldheid, veroorzaakt door Marianne’s teleurstelling. Elinor gevoelde maar al te zeer, hoe gegrond deze veronderstelling was, en dit stemde haar des te droeviger.

Omstreeks twaalf uur echter begon zij,—maar met een schroomvalligheid, eene vrees voor teleurstelling, die haar eenigen tijd deden zwijgen, zelfs tegenover haar vriendin,—zich te verbeelden, te hopen, dat zij een geringe verbetering bespeurde in haar zuster’s polsslag;—zij wachtte, zag toe, voelde nogmaals en nogmaals, en eindelijk waagde zij, met een ontroering, moeilijker te verbergen achter uitwendige kalmte dan al het voorgaand verdriet, hare hoop uit te spreken. Hoewel Mevrouw Jennings eveneens moest erkennen, dat er een tijdelijke verbetering te bespeuren viel, trachtte zij haar vriendin te ontraden, die verbetering als blijvend te beschouwen; en Elinor, langdurig verwijlend bij elke ingeving van wantrouwen, hield zich zelve voor, dat zij niet mòcht hopen. Doch het was te laat. De hoop had zich reeds toegang gebaand, en deelend in al haar angstige bewogenheid, boog Elinor zich over haar zuster, om te wachten op... zij wist zelve bijna niet wàt. Een half uur verstreek, en nog mocht zij zich verblijden over het gunstig teeken. Andere voegden zich daarbij, om het te bevestigen. Haar ademhaling, haar huid, haar lippen, in alles zag Elinor sporen van beterschap, en Marianne zag haar aan met een rustigen, schoon matten blik. Tusschen hoop en vrees, die zich gelijkelijk van haar meester maakten, had zij geen oogenblik rust, tot om vier uur de Heer Harris kwam, die haar door zijn stellige verzekering, en door zijn gelukwensch met een beterschap, welke zijn verwachting overtrof, zoowel vertrouwen als kalmte schonk en bewoog tot tranen van vreugde.

Marianne was in elk opzicht oneindig beter, en hij verklaarde haar thans geheel buiten gevaar. Mevrouw Jennings, misschien voldaan, nu haar [354]sombere voorgevoelens althans gedeeltelijk waren bewaarheid door den pas uitgestanen angst, begon te denken, dat hij wel gelijk zou hebben, en gaf met ongeveinsde blijdschap, en al spoedig met onmiskenbare vroolijkheid, te kennen dat ook zij geloofde in een volkomen herstel.

Vroolijkheid kon Elinor niet aan den dag leggen. Haar vreugde was van anderen aard en leidde het allerminst tot blijdschaps-uiting. Marianne te zien teruggegeven aan het leven, gezondheid, haar vrienden en hare liefhebbende moeder, was een denkbeeld, dat haar hart vervulde met een gewaarwording van innige bevrediging; dat het deed zwellen van vurige dankbaarheid;—doch dat gevoel vertolkte zich door geen uiterlijk vreugdebetoon, geen woorden, geen glimlach. In Elinor’s binnenste was slechts plaats voor stille, sterke voldoening.

Zij bleef dien namiddag bijna voortdurend aan haar zuster’s zijde, elke vrees bedarend, elke vraag van haar verzwakten geest beantwoordend, tot alle hulp bereid, en lettend op elken blik, op iedere ademhaling. De mogelijkheid van instorting kwam haar natuurlijk nu en dan herinneren aan ’t geen het zeggen wilde, angst te gevoelen;—maar toen zij bij herhaald, nauwkeurig onderzoek, bespeurde dat alle teekenen van beterschap aanhielden, toen zij Marianne om zes uur in een rustigen, vasten en oogenschijnlijk verkwikkenden slaap zag vallen, legde zij elken twijfel het zwijgen op. De tijd naderde thans, dat Kolonel Brandon kon worden terugverwacht. Om tien uur, dacht zij, of althans niet veel later, zou voor haar moeder een einde komen aan de vreeselijke onzekerheid, waarin zij thans naar hen op weg was. En de Kolonel ook!—misschien weinig minder te beklagen dan zij!—O, hoe langzaam verstreek de tijd, die hen nog in onwetendheid bleef houden!

Om zeven uur ging zij, toen Marianne nog steeds rustig doorsliep, naar den salon, om met Mevrouw [355]Jennings thee te drinken. Aan het ontbijt had zij door haar angst, en aan het diner door de plotselinge bevrijding ervan, niet veel gegeten,—en dus was haar deze maaltijd, waaraan zij met zulk een tevreden gevoel deelnam, bijzonder welkom. Mevrouw Jennings wilde haar na de thee overhalen om nog wat te rusten eer haar moeder kwam, zij zou dan hare plaats bij Marianne innemen; maar Elinor voelde op dat oogenblik noch vermoeienis, noch behoefte aan slaap, en zij wilde volstrekt niet langer dan noodig was, van haar zuster wegblijven. Nadat Mevrouw Jennings dus met haar was meegegaan naar de ziekenkamer, om zelf te zien, dat alles goed bleef gaan, liet zij haar daar alleen met hare taak en hare gedachten, en ging naar haar eigen kamer, om brieven te schrijven, eer zij zich ter rust begaf.

De avond was koud en stormachtig. De wind joeg in vlagen rondom het huis en de regen sloeg tegen de vensters; maar Elinor in wier binnenste alles blijdschap was, deerde het niet. Marianne sliep door elke stormvlaag heen,—en de reizigers—hun wachtte de rijkste belooning voor alle tegenwoordig ongerief.

De klok sloeg acht uur. Had het tien geslagen, dan zou Elinor stellig gemeend hebben, dat zij op dat oogenblik een rijtuig hoorde naderkomen, en zo zeker geloofde zij het werkelijk gehoord te hebben, dat zij, al scheen het bijna onmogelijk, hun komst nu reeds te verwachten, naar de aangrenzende kleedkamer ging, en een der luiken opende, om zich van de waarheid te vergewissen. Zij zag dadelijk, dat haar ooren haar niet hadden bedrogen, toen zij het licht van twee rijtuiglantaarns bespeurde. Bij hun onzeker schijnsel meende zij te zien, dat het voertuig met vier paarden was bespannen; waaruit zij niet slechts afleidde, in hoe groote ongerustheid haar arme moeder moest hebben verkeerd; doch ’t geen tevens de onverwachte snelheid [356]verklaarde, waarmede de reis volbracht was. Nog nooit in haar leven had Elinor het zoo moeilijk bevonden, kalm te zijn, als op dat oogenblik. Het besef van wat haar moeder moest gevoelen, terwijl het rijtuig voor de deur stilhield,—van haar twijfel—haar vrees—haar wanhoop misschien!—en wat zij daarop te zeggen had!—met dàt besef was het onmogelijk, kalm te zijn. Het eenige wat haar te doen stond, was haast te maken; en zoodra zij Mevrouw Jennings’ kamenier bij haar zuster had geroepen, snelde zij de trap af.

Toen zij een afgesloten gang doorliep, hoorde zij aan de voetstappen in de vestibule, dat zij het huis reeds waren binnengegaan. Haastig liep zij naar den salon,—trad binnen,—en stond tegenover Willoughby.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.