Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 46

Nog eenigen tijd nadat hij haar had verlaten, nadat het geluid van zijn rijtuig was weggestorven zelfs, bleef Elinor te zeer onder den indruk van vele gedachten, op zichzelve van zeer uiteenloopenden aard, doch alle leidend tot droefheid als eenige uitkomst, om zelfs aan haar zuster te denken.

Willoughby,—de man dien zij nog slechts een half uur geleden had verfoeid als een nietswaardige,—Willoughby wekte, ondanks al zijn gebreken, een zoo innig medelijden met de smart, door die gebreken veroorzaakt, dat de gedachte, hem voor altoos uitgesloten te weten buiten hunnen kring, haar vervulde met een teederheid en een weemoed, veel meer in overeenstemming (zooals zij spoedig voor zichzelve erkende) met zijn verlangen, dan met zijn verdiensten. Zij gevoelde dat zijn invloed op haar denkwijze versterkt was door omstandigheden, die redelijkerwijze geen gewicht in de schaal moesten leggen; door de ongewone aantrekkelijkheid van zijn persoon; door zijn openhartige, bezielde, levendige wijze van zich te uiten, die op zichzelf toch niets verdienstelijks insloot, en door die nog steeds zoo vurige liefde voor Marianne, waaraan hij zelfs niet mocht toegeven zonder schuld op zich te laden.—Zij gevoelde dat dit zoo was, lang, lang eer zijn invloed op haar was verflauwd.

Toen zij eindelijk terugkeerde naar de van niets bewuste Marianne, werd haar zuster juist wakker, verkwikt, zooals zij gehoopt had, door dien langen en rustigen slaap.—Elinor’s hart was vol. Het [376]verleden, het tegenwoordige, de toekomst,—Willoughby’s bezoek, Marianne’s redding, en haar moeder’s verwachte komst,—alles tezamen maakte haar te rusteloos en gejaagd om een spoor van vermoeidheid te gevoelen, en zij was alleen maar bang, dat zij zich tegenover Marianne zou verraden.—Er werd haar echter weinig tijd gelaten voor het koesteren van die vrees; want nog geen half uur na Willoughby’s vertrek deed het geluid van een ander rijtuig haar opnieuw naar beneden snellen. Vol verlangen om hare moeder elk onnoodig oogenblik van folterende onzekerheid te besparen, liep zij haastig naar de vestibule, en was juist bij tijds aan de voordeur, om haar moeder te ontvangen en te steunen, toen zij binnentrad.

Mevrouw Dashwood, wier angst, toen zij het huis naderden, haar bijna overtuigd deed zijn, dat Marianne niet meer in leven was, kon geen woord uitbrengen om naar haar te vragen; kon zelfs Elinor niet begroeten, die echter zonder te wachten op groet of vraag, haar onmiddellijk de zaligste verlichting schonk;—en haar moeder, die deze met de haar eigen geestdrift ontving, was in een oogwenk evenzeer overstelpt door haar vreugde, als zij het te voren was geweest door hare vrees. Zij werd, ondersteund door haar dochter en haren vriend, naar den salon gebracht, waar zij onder tranen van blijdschap, nog steeds niet bij machte te spreken, Elinor meermalen omhelsde, zich nu en dan van haar afwendend om Kolonel Brandon de hand te drukken, met een blik, die zoowel haar dank uitdrukte, als hare overtuiging, dat hij ten volle deelde in de blijdschap van het oogenblik. Dat deed hij, doch onder een stilzwijgen, nog dieper dan het hare.

Zoodra Mevrouw Dashwood zich hersteld had, was haar eerste verlangen, Marianne te zien; en enkele minuten later was zij bij haar geliefd kind, haar dierbaarder geworden dan ooit na lange scheiding, ongeluk en gevaar. Elinor’s blijdschap bij het [377]zien van wat beiden bij die ontmoeting gevoelden, werd alleen verminderd door de vrees, dat Marianne nu niet meer zou kunnen slapen; doch Mevrouw Dashwood kon kalm, kon zelfs voorzichtig zijn, waar het behoud van haar kind op het spel stond; en Marianne, tevreden in het besef van haar moeder’s nabijheid, en wel wetende, dat zij te zwak was om te spreken, onderwierp zich gaarne aan den eisch van stilte en rust, waarop al hare verpleegsters aandrongen. Mevrouw Dashwood wilde volstrekt dien nacht bij haar blijven waken, en Elinor begaf zich, op haar moeder’s dringenden wensch, ter rust. Maar die rust, welke één volkomen slapelooze nacht en vele uren van uitputtenden angst toch zoo noodig deden schijnen, bleef uit door den geprikkelden toestand harer zenuwen. Willoughby, “die arme Willoughby,” zooals zij hem nu wel wilde noemen, was voortdurend in hare gedachten; voor niets ter wereld had zij zijn poging om zich te rechtvaardigen willen missen, en nu eens verweet zij zich, om zich daarna weer vrij te pleiten, dat zij hem te voren zoo hard had beoordeeld. Doch haar belofte om het aan hare zuster mede te deelen, bleef steeds pijnlijk. Zij zag er tegenop, die te vervullen; vreesde voor de uitwerking ervan op Marianne, twijfelde, of zij, na die verklaring, ooit met een ander gelukkig zou kunnen zijn; en wenschte een oogenblik, dat Willoughby weduwnaar mocht worden; toen zij echter weer aan Kolonel Brandon dacht, berispte zij zichzelve, gevoelde dat van zijn lijden en zijne trouw haar zuster de belooning moest zijn, veeleer dan voor die van zijn medeminnaar, en verlangde in het minst niet meer naar den dood van Mevrouw Willoughby.

De schrik over Kolonel Brandon’s komst te Barton was voor Mevrouw Dashwood verzacht door haar eigen reeds lang gekoesterde bezorgdheid; want zij was zoo ongerust over Marianne, dat zij reeds besloten had, dien zelfden dag naar Cleveland [378]te vertrekken, zonder nader bericht af te wachten; en zij had haar reis reeds zoover voorbereid, eer hij kwam, dat zij juist op dat oogenblik de Carey’s verwachtte, die Margaret zouden komen afhalen, daar hare moeder haar niet aan eene mogelijke besmetting wilde blootstellen.

Marianne’s beterschap nam met den dag toe, en Mevrouw Dashwood bewees door haar van blijdschap stralenden blik en haar onveranderlijke opgewektheid, dat zij zich, zooals zij herhaaldelijk verklaarde, de gelukkigste vrouw ter wereld achtte. Elinor kon die bewering niet aanhooren, noch de duidelijke bewijzen ervan aanschouwen, zonder zich nu en dan af te vragen, of haar moeder wel ooit aan Edward dacht. Maar Mevrouw Dashwood, vertrouwend op de kalme gematigdheid, waarmede Elinor had geschreven over haar eigen teleurstelling, kon in de overmaat harer vreugde slechts denken aan ’t geen hare blijdschap verhoogen zou.

Marianne was haar teruggegeven, na een gevaar, waaraan, zooals zij thans begon in te zien, zij zelve had geholpen haar bloot te stellen, toen zij haar uit gebrek aan inzicht, aanmoedigde in haar noodlottige genegenheid voor Willoughby; en thans vond zij in haar herstel nog eene andere reden tot vreugde, waaraan Elinor niet had gedacht. Deze werd haar medegedeeld, zoodra zij gelegenheid vonden tot een vertrouwelijk onderhoud.

“Eindelijk zijn we dan alleen,” zeide hare moeder. “Mijn lieve Elinor; je weet nog niet, hoe gelukkig ik ben. Kolonel Brandon heeft Marianne lief; hij heeft het mij zelf gezegd.”

Haar dochter, die zich beurtelings blijde en bedroefd, verrast en niet verrast gevoelde, was een en al zwijgende aandacht.

“Als ik niet wist, Elinor, dat je altijd anders bent dan ik, dan zou ik mij verbazen over je kalmte bij dit bericht. Als ik mijn gezin een groot geluk had mogen toewenschen, dan zou ik het allerliefst [379]hebben gezien, dat Kolonel Brandon met een van jelui tweeën trouwde. En ik geloof dat Marianne nog het gelukkigst met hem zal zijn.”

Elinor had wel lust te vragen waarom; daar zij begreep dat de reden niet gegrond kon zijn op eenige onpartijdige beschouwing van hun leeftijd, karakter, of gevoelens;—doch haar moeder liet zich bij al wat haar ter harte ging, door haar verbeelding meesleepen, en dus glimlachte zij slechts, en liet de vraag achterwege.

“Gisteren onder de reis heeft hij zijn geheele hart voor mij uitgestort. Het kwam onverwacht, geheel zonder opzet. Ik kon, zooals je wel kunt nagaan, over niets spreken dan mijn kind;—hij kon zijn smart niet verbergen; ik zag dat die de mijne evenaarde, en hij, mogelijk denkend, dat louter vriendschap, in onzen nuchteren tijd, die innige sympathie niet kon rechtvaardigen,—of liever in het geheel niet denkend misschien,—toegevend aan den onweerstaanbaren drang van zijn gevoel, openbaarde mij zijne ernstige, teedere, trouwe genegenheid voor Marianne. Hij heeft haar liefgehad, Elinor, van het eerste oogenblik, dat hij haar zag.”

Elinor begreep wel, dat zij noch Kolonel Brandon’s woorden, noch zijne ware uitingen te hooren kreeg, doch de natuurlijke verfraaiing ervan door haar moeder’s levendige verbeelding, die alles naar believen inrichtte zooals dat haarzelve het aangenaamst was.

“Zijn liefde voor haar, zoo oneindig hooger staande dan iets, dat Willoughby ooit gevoelde, of veinsde te gevoelen, daar zij veel inniger was, veel oprechter, of standvastiger—hoe zullen wij het noemen?—bleef onveranderd, terwijl hij wist van de ongelukkige genegenheid onzer lieve Marianne voor dien slechten man, en geheel onzelfzuchtig, zonder de minste hoop te koesteren, had hij haar met een ander gelukkig kunnen zien! Zulk een [380]edel karakter! Zoo openhartig; zoo oprecht!—in hèm kan men zich niet vergissen.”

“Dat Kolonel Brandon een buitengewoon goed mensch is,” zei Elinor, “wordt door ieder erkend.”

“Dat weet ik,” gaf haar moeder ernstig ten antwoord, “anders zou ik de laatste zijn, om na zulk een waarschuwing, een dergelijke genegenheid aan te moedigen, of mij daarover te verheugen. Maar dat hij mij kwam afhalen, zooals hij deed, met die gereede, bereidwillige vriendschap, bewijst al genoeg, dat hij een van de beste menschen ter wereld is.”

“De roep, die uitgaat van zijn goedheid,” antwoordde Elinor, “berust niet op ééne enkele vriendelijke daad, waartoe, ook zonder eenige algemeen menschelijke beweegreden, zijn liefde voor Marianne hem zou hebben aangedreven. Mevrouw Jennings en de Middletons hebben hem lang en van nabij gekend; zij dragen hem liefde zoowel als achting toe; ook ik, hoewel ik hem eerst voor kort leerde kennen, weet veel van wat hem aangaat; en ik waardeer en acht hem zóó hoog, dat ik, wanneer Marianne met hem gelukkig kan zijn, even geneigd ben als u, deze verbintenis te beschouwen als het grootste geluk, dat ons kon ten deel vallen. Welk antwoord hebt u hem gegeven? Zeide u hem, dat hij hoop mocht koesteren?”

“Och, mijn kind, ik kon toen noch hem, noch mijzelve vleien met hoop. Marianne kon op dat oogenblik wel stervende zijn. Maar hij vroeg ook niet om hoop of bemoediging. Het was eene onwillekeurige uiting van vertrouwen, een niet te weerhouden zielsuitstorting tegenover eene vriendin, wier bijzijn hem rust schonk,—geen vraag, gericht tot eene moeder. Toch zei ik wèl na eenigen tijd, want eerst was ik te zeer overweldigd door mijn aandoening, dat wanneer zij, zooals ik hoopte en vertrouwde, in leven bleef, het mijn grootste geluk zou zijn, hen gehuwd te zien, en sedert onze komst [381]hier, sedert onze gelukkige zekerheid, heb ik hem dit nogmaals uitdrukkelijk herhaald, en hem naar mijn beste vermogen moed ingesproken. De tijd, een weinig tijds zelfs, zei ik hem, zal alles bewerken;—Marianne’s hart kan niet voor altoos en te vergeefs geschonken zijn aan een man als Willoughby. Zijn eigen verdienste zal het hem spoedig doen winnen.”

“Te oordeelen naar de stemming van den Kolonel, bent u er niet in geslaagd, hem even hoopvolle verwachtingen te doen koesteren.”

“Neen. Hij houdt Marianne’s genegenheid voor zoo diepgeworteld, dat zij eerst na zéér langen tijd zal kunnen veranderen, en zelfs al was haar hart volkomen vrij, dan is hij nog te bescheiden, om te gelooven, dat hij, bij zulk een verschil in leeftijd en geaardheid, ooit haar liefde zou kunnen winnen. Maar dáárin vergist hij zich. Dat verschil in leeftijd is juist groot genoeg, om in zijn voordeel te zijn; om zijn karakter en beginselen vastheid te hebben geschonken, en wat zijn geaardheid betreft, hij is juist de soort van man om je zuster gelukkig te maken; daar ben ik zeker van. Zijn voorkomen, zijn manieren, alles heeft hij vóór. Ik ben niet verblind door partijdigheid; zoo knap als Willoughby is hij niet; dat is waar; maar daarentegen heeft hij iets veel aantrekkelijkers. Er was altijd iets in Willoughby’s oogen nu en dan, dat mij niet aanstond; dat herinner je je wel.”

Elinor herinnerde zich dat niet; maar haar moeder ging voort, zonder haar antwoord af te wachten: “En zijn manieren, het geheele optreden van den Kolonel, vind ik niet alleen aangenamer dan dat van Willoughby; maar ik weet stellig, dat ook Marianne zich op den duur er meer toe aangetrokken zal gevoelen. Zijn zachtaardigheid, zijn echte beminnelijkheid jegens anderen, en zijn mannelijke, natuurlijke eenvoudigheid zijn veel meer in overeenstemming met haar waren aard, dan de dikwijls [382]gekunstelde levendigheid van Willoughby, die ook wel eens te onpas kwam. Ik voor mij geloof stellig al was Willoughby werkelijk zoo beminnelijk gebleken, als hij getoond heeft het tegendeel te zijn, dan zou Marianne nòg met hem niet zoo gelukkig zijn geworden, als ze zijn zal met Kolonel Brandon.”

Zij zweeg. Haar dochter was het niet geheel met haar eens; doch dat meeningsverschil werd niet geuit en kon dus geen aanstoot geven.

“Te Delaford zal ik haar gemakkelijk kunnen bereiken”, voegde Mevrouw Dashwood erbij, “zelfs als ik te Barton blijf; en heel waarschijnlijk, (want ik hoor dat het een groot dorp is)—ja, natuurlijk, stellig is er wel een of ander klein huisje of landhuisje in de buurt, dat even geschikt voor ons zou zijn als Barton Cottage.”

Arme Elinor! alweer een nieuw plan om haar naar Delaford te doen verhuizen! maar zij hield zich goed.

“En dan zijn fortuin! op mijn leeftijd denkt iedereen dááraan toch ook, niet waar? en hoewel ik niet weet, en ook niet wensch te weten, hoeveel hij bezit, ik denk toch wel dat het aanzienlijk mag genoemd worden.”

Hier werden zij gestoord door de komst van een derde, en Elinor ging heen, om alles in eenzaamheid te overdenken, haar vriend het beste te wenschen, en toch tegelijkertijd eene opwelling van medelijden te gevoelen met Willoughby. [383]

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.