Gevoel en verstand (Dutch) Chapter 47

Marianne’s ziekte had haar natuurlijk sterk aangegrepen, doch niet lang genoeg geduurd om haar herstel te vertragen, en met medewerking van haar jeugd, haar van nature sterk gestel en haar moeder’s bijzijn, was zij weldra zoo veel beter, dat zij vier dagen na haar moeder’s aankomst, kon worden overgebracht naar Mevrouw Palmer’s kleedkamer. Hier verzocht zij uit eigen beweging, dat Kolonel Brandon haar zou komen bezoeken, daar zij ongeduldig verlangde, hem te danken, omdat hij hare moeder had gehaald.

Zijne ontroering, toen hij de kamer binnentrad, haar zoo veranderd zag, en de vermagerde hand drukte, die zij hem dadelijk toestak, deed Elinor vermoeden, dat die aandoening haar oorsprong vond in méér dan zijne liefde voor Marianne, of het besef, dat anderen hiervan wisten, en spoedig bespeurde zij in zijn droefgeestigen blik en wisselende gelaatskleur, terwijl hij hare zuster aanzag, dat waarschijnlijk de levendige herinnering aan vele treurige tooneelen uit het verleden bij hem was wakker geroepen, door die gelijkenis tusschen Marianne en Eliza, waarvan hij reeds melding had gemaakt, en die thans nog werd verhoogd door de bleeke tint, de ingezonken oogen, de liggende houding der nog zwakke herstellende, zoowel als haar innige erkentelijkheid voor haar in ’t bijzonder bewezen goedheid.

Mevrouw Dashwood, niet minder oplettend dan hare dochter waarnemend hetgeen hier voorviel, doch onder den invloed van geheel andere gedachten, en zich dus ook een geheel ander beeld vormend uit die waarneming, zag niets in des Kolonels [384]houding, dan ’t geen zij het gevolg achtte van zeer eenvoudige en vanzelfsprekende gewaarwordingen, terwijl zij zich verbeeldde, te bespeuren dat in Marianne’s handelingen en woorden reeds iets meer doorschemerde dan dankbaarheid.

Toen nog een paar dagen waren verstreken, en Marianne met iederen dag zichtbaar sterker werd, begon Mevrouw Dashwood, zoowel op aandringen harer dochters, als gedreven door haar eigen wensch, ervan te spreken, naar Barton terug te keeren. Van hare maatregelen hingen die harer beide vrienden af; Mevrouw Jennings kon Cleveland niet verlaten, zoolang de Dashwoods er logeerden, en op aller verlangen werd Kolonel Brandon spoedig overgehaald, zijn verblijf aldaar als even vast, zooal niet als even onmisbaar te beschouwen. Geholpen door Mevrouw Jennings, wist hij Mevrouw Dashwood te bewegen, gebruik te maken van het aanbod van zijn rijtuig op de terugreis, dat haar zieke dochter meer gemak zou kunnen bieden, en daarvoor beloofde hij, toegevend aan het eenparig verzoek van Mevrouw Dashwood en Mevrouw Jennings, wier bereidwillige goedhartigheid haar noopte, hartelijk en gastvrij te zijn voor anderen zoowel als voor zichzelve, dat hij met genoegen haar over een paar weken te Barton Cottage zou komen opzoeken.

De dag van hun afscheid en vertrek brak aan; en na een lang en hartelijk vaarwel aan Mevrouw Jennings, waarin zij uiting gaf aan al de innige dankbaarheid, den eerbied en de vriendschappelijke gevoelens, die zij te meer zich bewust was verschuldigd te zijn, door het stille besef van vroegere tekortkoming,—terwijl zij Kolonel Brandon goeden dag zeide als een vertrouwden vriend,—werd Marianne door hem zorgvuldig in het rijtuig geholpen, waarin hij volstrekt wilde, dat zij minstens de helft der ruimte in beslag nam. Daarna volgden Mevrouw Dashwood en Elinor, en de anderen bleven achter, om te spreken over de [385]reizigers, en zich mistroostig te voelen in hun verlatenheid; totdat Mevrouw Jennings geroepen werd voor een ritje, waarbij zij zich met het gepraat van haar kamenier kon troosten over ’t verlies harer jonge vriendinnen; terwijl Kolonel Brandon dadelijk daarna in eenzaamheid zijns weegs ging naar Delaford. De Dashwoods bleven twee dagen onderweg, en Marianne verdroeg de reis zonder al te groote vermoeienis. Al wat de meest dienstvaardige genegenheid, de ijverigste zorg konden doen om haar gemak te verschaffen, was de taak van haar beide oplettende gezellinnen, en beiden zagen zich beloond door haar lichamelijk welbevinden en de kalmte van haar geest. Voor Elinor was het vooral bevredigend, die laatste bijzonderheid op te merken. Zij, die haar weken achtereen aanhoudend had zien lijden, gepijnigd door een zielsverdriet, dat zij den moed niet had te openbaren, noch de kracht om te verbergen, zag thans, met een blijdschap, die geen ander in zoo hooge mate kon gevoelen, een blijkbare gemoedsrust, die, daar zij de uitkomst was, naar zij geloofde, van ernstig nadenken, haar zuster ten slotte tot tevredenheid en ware vroolijkheid zou leiden.

Wel werd Marianne, toen zij Barton naderden, en het landschap terugzagen, waarin aan elk veld, aan iederen boom eenige bijzondere en pijnlijke herinnering verbonden was, stil en nadenkend; zij wendde haar gelaat af en zat ernstig uit het venster te staren. Hier echter vond Elinor reden tot verwondering, noch afkeuring, en toen zij, Marianne uit het rijtuig helpend, zag, dat deze geschreid had, zag zij slechts eene ontroering, te natuurlijk, om iets minder teeders dan medelijden te wekken, en welke eer lof verdiende, wijl zij zich zoo onopvallend vermocht te uiten. In haar geheele verdere houding bespeurde zij de richting van een geest, die gewekt is tot redelijke inspanning; want zoodra zij de huiskamer binnentraden, zag Marianne om zich [386]heen, met een vastberaden blik, alsof zij besloten had, zich dadelijk te gewennen aan het gezicht van ieder voorwerp, waarmede de herinnering aan Willoughby was verbonden. Zij sprak weinig; maar al wat zij zeide, had de bedoeling, vroolijk te zijn; en hoewel haar somtijds een zucht ontsnapte, gleed deze niet over haar lippen, zonder dat zij dien door een glimlach had vergoed. Na den eten wilde zij haar piano eens probeeren. Zij ging erheen: doch de muziek, waarop het eerst haar oog viel, was eene opera, die Willoughby haar had gezonden, en die enkele hunner geliefkoosde duetten bevatte; terwijl op het schutblad haar naam door zijne hand geschreven stond. Dat ging niet.—Zij schudde haar hoofd, legde de muziek terzijde, liet even de vingers over de toetsen glijden, zeide, dat haar vingers te zwak geworden waren, en sloot het instrument; terwijl zij echter haar stellig voornemen te kennen gaf, in ’t vervolg hard te zullen studeeren.

Den volgenden morgen was nog geen vermindering te bespeuren van al deze gunstige verschijnselen. Integendeel, naar lichaam en geest verkwikt door de rust, verried zij in blik en stem meer echte opgewektheid, zag met blijdschap Margaret’s terugkomst tegemoet, en sprak van hun genoeglijk kringetje dat dan weer als van ouds samen zou zijn, van hun verschillende bezigheden en hun vroolijk gezelschap, als het eenig geluk, dat wenschenswaard mocht genoemd worden,

“Als het weer gestadig wordt, en ik weer even sterk ben als vroeger,” zei ze, “dan gaan we samen elken dag lange wandelingen doen. We zullen naar de boerderij gaan aan den rand van de heide, en zien hoe de kinderen het maken; we zullen een wandeling doen naar Sir John’s nieuwe aanplantingen te Barton Cross en Abbeyland; en dikwijls zullen we een tochtje doen naar de bouwvallen van de abdij, en trachten de grondvesten na te speuren, zoover als men zegt, dat ze eenmaal zich uitstrekten. [387]Ik denk dat we ’t heerlijk zullen hebben. Ik weet, dat de zomer genoeglijk zal voorbijgaan. Ik wil nooit later dan om zes uur opstaan, en tusschen ’t ontbijt en het eten zal ik elk oogenblik besteden aan muziek en lectuur. Ik heb mijn plannen al gemaakt, en ben vast voornemens nu eens ernstig aan de studie te gaan. Onze eigen bibliotheek ken ik te goed om er anders dan voor louter genoegen gebruik van te maken. Maar op het Park zijn veel boeken, die de moeite wel waard zijn, en andere, nieuwere werken weet ik, die ik van Kolonel Brandon kan leenen. Als ik maar zes uur per dag aan lezen besteed, dan kan ik in een jaar veel leeren, waarvan de kennis mij nu nog ontbreekt.”

Elinor had eerbied voor een voornemen, dat uit zulke edele bedoelingen voortsproot; hoewel zij glimlachte, nu zij dezelfde vurige verbeelding, die haar vervoerd had tot het uiterste in haar matte traagheid en zelfzuchtig beklag, thans aan het werk zag bij het overdrijven van een plan, dat toch verstandige bezigheid en deugdzame zelfbeheersching beoogde. Haar glimlach maakte echter plaats voor een zucht, toen zij zich herinnerde, dat hare belofte aan Willoughby nog niet was vervuld; en zij vreesde, dat hare mededeeling Marianne weer met onrust zou vervullen, en althans voorloopig dit goede vooruitzicht van bedrijvige kalmte zou bederven. Daar zij dus geneigd was tot het verschuiven van dat ongewenschte oogenblik, besloot zij, te wachten tot haar zuster’s gezondheid zich volkomen zou hebben hersteld, eer zij het deed aanbreken. Doch dit besluit werd slechts genomen, om te worden verijdeld.

Marianne was reeds twee of drie dagen thuis geweest eer het weer mooi genoeg was, om toe te laten, dat eene herstellende zieke als zij zich buiten waagde. Eindelijk echter kwam een zachte, uitlokkende morgen; uitlokkend genoeg, om den wensch der dochter, zoowel als het vertrouwen der [388]moeder te rechtvaardigen, en Marianne, steunend op Elinor’s arm, kreeg vergunning te wandelen zoolang zij zich niet vermoeid gevoelde, in de laan voor hun huis.

De zusters begaven zich op weg, zoo langzaam als Marianne’s zwakte, sedert haar ziekte nog niet op deze wijze op de proef gesteld, vereischte,—en zij waren slechts zoover voorbij het huis gekomen dat zij het volle gezicht konden hebben op den heuvel, den gewichtigen heuvel, achter hun huisje gelegen, toen Marianne, die stilstond om in die richting te zien, bedaard zeide:

“Dáár,—kijk, dáár op die plek,”—(zij wees ernaar met haar vinger,) “was het, dat ik viel; en daar heb ik voor ’t eerst Willoughby gezien.”

Hare stem werd zachter bij het noemen van dien naam; doch iets levendiger voegde zij erbij:

“Ik ben blijde, nu ik bemerk, dat ik de plek met zoo weinig hartzeer kan terugzien!—Zullen wij ooit over dat onderwerp spreken, Elinor?” liet zij er aarzelend op volgen. “Of zou het verkeerd zijn? Ik kan er nu over spreken, hoop ik, zooals ik behoor te doen.”

Elinor moedigde haar vol teederheid aan, zich uit te spreken.

“Betreuren,” zei Marianne, “neen, wat hèm betreft, doe ik dat niet. Ik wil nu niet spreken van wat ik vroeger voor hem placht te gevoelen, maar van wat ik thans voel. Zooals het nu is—als ik maar één ding zeker wist—als ik mocht denken, dat hij niet altoos een rol speelde, mij niet altoos bedroog;—en vooral, als ik de zekerheid had, dat hij nooit zóó verdorven was geweest, als ik mij soms heb voorgesteld, sedert ik wist van dat arme meisje...”

Zij zweeg. Elinor ving met blijdschap haar woorden op, en bewaarde ze in haar hart, terwijl zij antwoordde:

“Als je dat zeker wist, dan zou je dat rust geven, geloof je.” [389]

“Ja. Mijn gemoedsvrede is er in dubbelen zin bij betrokken;—want het is niet alleen afschuwelijk, iemand, die voor ons geweest is wat hij was voor mij, te verdenken van zulke plannen; maar wat moet ik mijzelve wel toeschijnen? Wàt anders, in mijn omstandigheden, dan een onvoorzichtigheid, waarover ik mij diep heb te schamen, kon mij blootstellen aan...”

“Hoe zou jij zijn gedrag wel verklaren?” vroeg haar zuster.

“Ik zou hem beschouwen als... o, hoe gaarne zou ik dat doen... alleen lichtzinnig,—heel, heel erg lichtzinnig.”

Elinor zweeg. Inwendig overlegde zij, wat het beste zou zijn; nu aanstonds met haar verhaal te beginnen, of het uit te stellen, tot Marianne sterker was;—en een paar minuten wandelden zij zwijgend verder.

“Ik wensch hem niet te veel goeds,” zei Marianne eindelijk met een zucht, “als ik hem toewensch, dat zijn stille overdenkingen niet droeviger mogen zijn dan de mijne. Hij zal er genoeg verdriet door hebben.”

“Vergelijk je je eigen gedrag met het zijne?”

“Neen. Ik vergelijk het, met ’t geen het had behooren te zijn; ik vergelijk het met dat van jou.”

“Onze omstandigheden geleken niet veel op elkaar.”

“Ze geleken meer op elkaar dan ons gedrag. Mijn liefste Elinor, verdedig niet uit vriendelijkheid, wat ik weet dat je helder oordeel moet afkeuren. Mijn ziekte heeft mij aan het denken gebracht—heeft mij den tijd en de kalmte geschonken, die noodig zijn voor ernstigen inkeer tot zichzelf. Lang eer ik weer sterk genoeg was om te spreken, was ik tot nadenken uitmuntend in staat. Ik beschouwde het verleden; ik zag mijn eigen gedrag, sedert onze eerste kennismaking met hem in den vorigen herfst, als eene aaneenschakeling van handelingen, [390]onvoorzichtig tegenover mijzelve, en jegens anderen liefdeloos. Ik zag, dat mijn eigen gevoelens mijn lijden hadden voorbereid, en dat mijn gebrek aan draagkracht mij bijna had ten grave gebracht. Ik wist zeer goed, dat ik mij mijne ziekte zelve had op den hals gehaald, door mijne gezondheid te verwaarloozen op een wijze, waarvan ik zelfs toen reeds het verkeerde inzag. Als ik gestorven was, zou het door zelfmoord zijn geweest. Van het gevaar was ik mij niet bewust, eer het reeds was geweken; maar ik verbaas mij over mijn herstel, met gevoelens, zooals deze overdenkingen in mij wekken;—ik verbaas mij, dat niet de vurigheid van mijn wensch om te blijven leven, tijd te hebben om berouw te toonen tegenover God, en u allen, mij heeft gedood. Was ik gestorven, hoe diep verslagen zou ik je dan hebben achtergelaten, mijn trouwe verpleegster, vriendin en zuster! die al de verdrietige zelfzuchtigheid van mijn laatste levensdagen hadt gekend, voor wie het verzet in mijn hart niet was verborgen gebleven!—Hoe zou ik geleefd hebben in je herinnering!—En moeder! Hoe hadt je haar kunnen troosten!—Ik kan niet uitdrukken, hoe ik mijzelf verfoeide. Wáárheen ik zag in het verleden, overal drong zich een verwaarloosde plicht aan mij op, of een onbestreden neiging. Ieder scheen door mij te kort gedaan. De onuitputtelijke goedheid van Mevrouw Jennings had ik vergolden met ondankbare minachting. Tegenover de Middletons, de Palmers, de Steeles, tegen al onze oppervlakkige bekenden zelfs, was ik lomp en onrechtvaardig geweest; ik had hun verdiensten niet willen inzien, en werd geprikkeld juist door hun voorkomendheid. Aan John, aan Fanny,—ja zelfs aan hen, al verdienen ze weinig,—had ik niet gegeven wat hun toekwam. Maar jou vooral, meer nog dan moeder, had ik onrecht aangedaan. Ik, en ik alleen, wist, wat omging in je hart en, hoe je hebt geleden;—en toch, waartoe [391]bewoog dit mij?—tot geen medelijden, dat voor of mijzelve eenige waarde had. Je voorbeeld had ik voor oogen, doch waartoe was het mij nut? Schonk ik meer aandacht aan jou en ’t geen je aangenaam kon zijn? Trachtte ik je verdraagzaamheid na te volgen, of je te ontheffen van zelfbedwang, door mijn aandeel te dragen in de verplichtingen, je opgelegd door algemeene welwillendheid of bijzondere reden tot dankbetoon, die je tot nog toe steeds alleen hadt moeten vervullen? Neen;—evengoed toen ik wist, dat je ongelukkig waart, als toen ik je nog tevreden waande, weigerde ik elke inspanning, die plicht of vriendschap van mij eischte; zag bijna niet in, dat er andere smart kòn bestaan dan de mijne; treurde enkel om dàt hart, dat mij verlaten en bitter gegriefd had, en liet toe, dat jij, voor wie ik onbegrensde genegenheid heette te koesteren, om mijnentwille ongelukkig waart.”

Hier eindigde de heftige vloed van verwijten, tegen haarzelve gericht, en Elinor, innig verlangend haar gerust te stellen, ofschoon te eerlijk om haar te vleien, schonk haar gaarne den lof en de instemming, die haar openhartigheid en haar berouw ten volle verdienden. Marianne drukte haar hand en antwoordde:

“Je bent wel goed. De toekomst alleen kan bewijzen dat ik waarheid spreek. Mijn plan is gevormd; en als ik bij machte ben, mij daaraan te houden, dan zullen mijn gevoelens worden beheerscht en mijn grillig humeur verbeterd. Zij zullen niet langer anderen tot last zijn, en mijzelve tot een kwelling. Ik wil van nu af aan slechts leven voor mijn familiekring. Jij, moeder en Margaret moeten voortaan voor mij de geheele wereld zijn; al mijn liefde zal tusschen jelui worden verdeeld. Nooit zal ik weer de geringste neiging gevoelen om jelui en mijn eigen thuis te verlaten, en als ik mij in het gezelschap van anderen begeef, dan zal dat alleen zijn, om te toonen, dat mijn geest nederiger, mijn [392]hart beter is geworden, en dat ik met zachtheid en geduld beleefdheidvormen kan in acht nemen en de kleinere plichten des levens vervullen. Wat Willoughby betreft, het zou vruchteloos zijn, te zeggen, dat ik hem spoedig, dat ik hem ooit zal vergeten. De herinnering aan hem kan door geen verandering van omstandigheden of van zienswijze worden uitgewischt. Doch zij zal worden geregeld, worden in toom gehouden, door godsdienst, door rede, door voortdurende bezigheid.”

Zij zweeg een oogenblik, en voegde erbij, met zachtere stem: “Als ik slechts kon weten, wat in zijn hart is omgegaan, dan zou alles gemakkelijk worden.”

Elinor, die thans reeds eenigen tijd had overwogen, of het al dan niet geraden ware, spoedig te wagen aan haar verhaal te beginnen, zonder nader tot eenige beslissing te geraken, hoorde dit; en daar zij begreep, dat snel beraad alles moest doen, waar nadenken niet baatte, kwam zij al spoedig met de feiten voor den dag.

Zij deed haar verhaal, naar zij hoopte, met omzichtigheid, bereidde de gretige luisterende voorzichtig voor; vertelde eenvoudig en eerlijk de hoofdzaken, waarop Willoughby zijne verdediging had gegrond; liet zijn berouw recht weervaren, en verzachtte alleen de betuigingen zijner voortdurende genegenheid.

Marianne sprak geen woord; zij beefde; hare oogen bleven op den grond gevestigd, en uit hare lippen week het weinigje kleur, dat hare ziekte erin had overgelaten. Duizend vragen rezen op in haar binnenste, doch zij durfde geene enkele ervan uiten. Ademloos begeerig ving zij ieder woord op; zonder dat zij het wist, drukte hare hand vaster die harer zuster, en tranen stroomden over hare wangen.

Elinor, vreezend dat zij vermoeid was, liet haar terugkeeren, en tot zij de deur van hun huisje [393]bereikten, sprak zij, wel begrijpend, hoe groot Marianne’s nieuwsgierigheid moest zijn, ofschoon geen vraag deze onder woorden mocht brengen, van niets anders dan Willoughby en hun beider onderhoud, terwijl zij zorg droeg, de geringste bijzonderheden van woord en blik te vermelden, waar zij veilig in bijzonderheden treden kòn. Zoodra zij het huis waren binnengegaan, liet Marianne met een dankbaren kus, terwijl zij onder tranen slechts de woorden kon uitbrengen: “Zeg het aan mama,” hare zuster alleen, en ging langzaam de trap op. Elinor wilde niet pogen, eene eenzaamheid te storen, zoo natuurlijk gewenscht als de thans gezochte afzondering, en terwijl zij in haar geest reeds angstig de mogelijke gevolgen overwoog, en besloot, het onderwerp te hervatten, indien Marianne in gebreke bleef dit te doen, trad zij de huiskamer binnen, om Marianne’s daareven gegeven opdracht te vervullen.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.