Blz.
Hoofdstuk I.—Kennismaking met de hoofdpersonen 13
Hoofdstuk II.—De stoomboot van Rotterdam naar Nijmegen.—Ontmoetingen met bekende en onbekende personen.—Polsbroekerwoud occupeert zich met vele menschen en zaken.—Torteltak wordt verliefd.—Veervlug heeft onaangenaamheden.—Holstaff weent met de weenenden 25
Hoofdstuk III.—Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen 46
Hoofdstuk IV.—Verblijf der reizigers te Kleef.—Zij maken kennis met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op een verhaal van den ouden Heer Korenaar 57
Hoofdstuk V.—Het verhaal van den Heer Korenaar, dat misschien nog met de verdere reisavonturen van Polsbroekerwoud en zijne vrienden in verband zal staan 73
Hoofdstuk VI.—Aken en Borcetti.—Torteltak ontmoet een oud vriend.—De Louisberg.—Hij ziet dat zijn vriend gelukkig is.—De Courzaal.—Hij vindt de vrouw van zijn vriend lief 82
Hoofdstuk VII.—Keulen.—Bonn.—Men ontmoet interessante levenden, maar nog interessanter dooden 99
Hoofdstuk VIII.—Waarin de reizigers vele merkwaardige plaatsen bezoeken onder veelsoortige gewaarwordingen, en waarin Polsbroekerwoud en de Amsterdamsche familie in zeer onaangename positiën voorkomen 108
Hoofdstuk IX.—Beginnende met eene stoombootreis naar Coblenz, en eindigende met de illustre rejeton der familie van Schalen 118 [422]
Hoofdstuk X.—Een Hoofdstuk, waarin de nieuwsgierige lezer, die gaarne vernemen wil, hoe de reizigers over de badplaatsen naar Frankfort trekken, zeer teleurgesteld wordt en dat verder zeer geschikt is om overgeslagen te worden door menschen, die niet gaarne kennis willen maken met Frankfortsche families 135
Hoofdstuk XI.—Waarin de reizigers meer dan twintig mijlen afleggen zonder eenig avontuur, maar waarin zij naderhand in een klein bestek velerlei genoegens smaken 152
Hoofdstuk XII.—Vermeldende, hoe Veervlug naar zijn pas zoekt, hoe hij zich in zijne eenzaamheid tracht te amuseeren, en hoe hij eerst te Darmstadt plaisir krijgt 163
Hoofdstuk XIII.—De nieuwe vriend van Veervlug komt op het tooneel, en legt veel Duitsche plaatsen- en menschenkennis aan den dag 175
Hoofdstuk XIV.—De reizigers bezoeken twee badplaatsen; op de eene maakt Pols eene schitterende vertooning, op de andere blijft hij geheel onopgemerkt 186
Hoofdstuk XV.—De tour door het Schwartzwald.—Pols maakt kennis met Engelsche dames bij onweder, en met Ohlsbachsche bij feestmuziek 201
Hoofdstuk XVI.—Aankomst in Zwitserland en verblijf te Schaffhausen; bevattende tevens belangrijke opmerkingen omtrent den invloed van een nieuw schoeisel op lichaam en ziel. 212
Hoofdstuk XVII.—Bevattende eene al te lange beschrijving van eene voetreis, en eene al te korte van een watertogtje 219
Hoofdstuk XVIII.—Hoe de reizigers den Rigi beklimmen, en hoe het Holstaff tegen zijne verwachting toch nog gebeuren mag, de zon aldaar te zien opgaan 228
Hoofdstuk XIX.—Waarin Pols in zijne verwachting, om een der schoonste dagen van zijn leven in vreugde te vieren, door veelvuldige rampen bitter wordt teleurgesteld 240
Hoofdstuk XX.—Waarin zoovele zaken voorkomen, dat het moeijelijk zou wezen, de verschillende opgaven in een korten inhoud te vereenigen 254
Hoofdstuk XXI.—Geeft de redenen op, waarom voor Polsbroekerwoud en zijne vrienden het verblijf te Bern geene aangename souvenirs heeft achtergelaten 269
Hoofdstuk XXII.—Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voorvluchtigen van Aartheim handelt 283
Hoofdstuk XXIII.—Waarin de lezer een geruimen tijd in het Kerkerhol van Chillon moet verzuchten 287 [423]
Hoofdstuk XXIV.—Geleidt de reizigers van Geneve over Sallenches naar Chamounix en vandaar naar Martigny, en is eenigszins in afgebroken journaalstijl geschreven 301
Hoofdstuk XXV.—Waarin aangetoond wordt, dat een interessante tour niet altijd een gemakkelijke is 313
Hoofdstuk XXVI.—Waaruit blijkt, dat de reisavonturen van Joachim Polsbroekerwoud nog na zijne aankomst te Milaan vervolgd worden 320
Hoofdstuk XXVII.—Waarin veel beredeneerd en weinig bewezen wordt, en waarin de reizigers eene herberg aantreffen, waar op het uithangbord vrij wijn niet maar voor de leus geschreven is 330
Hoofdstuk XXVIII.—Hetwelk aantoont, dat het zeer gevaarlijk is, te digt langs een afgrond te wandelen 339
Hoofdstuk XXIX.—Waarin de reizigers eenig oponthoud hebben, maar dat de lezer zonder oponthoud kan eindigen 345
Hoofdstuk XXX.—Waarin Pols een zeer mooijen coup de theatre ziet mislukken, en waarin Torteltak eene dame in haar rijtuig helpt 354
Hoofdstuk XXXI.—Waarin een heer zeer vroolijk en een ander zeer melancholiek wordt 366
Hoofdstuk XXXII.—Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder 374
Hoofdstuk XXXIII.—Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het titelvignet voorstelt 387
Hoofdstuk XXXIV.—Waarin van Aartheim eene zeer treurige ontmoeting heeft 400
Hoofdstuk XXXV.—Hetwelk het laatste is, behalve voor degenen, die al voorlang de lectuur dezer reisontmoetingen hebben afgebroken 405