Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' (Dutch) Chapter 24

De sloep die kapitein Bligh droeg, was met haar achttien passagiers, officieren en matrozen, behalve den wel is waar niet grooten voorraad, zoo zwaar geladen, dat zij nauwlijks vijftien duim boven het vlak der zee uitkwam. Een en twintig voet lang, zes voet breed, mocht zij volkomen geschikt zijn voor den dienst der Bounty, doch om zulk een talrijke equipage te bevatten, om zulk een lange reis te maken, was het moeielijk een ellendiger vaartuig te vinden.

De matrozen stelden evenwel het volste vertrouwen in de geestkracht en de bekwaamheid van kapitein Bligh en de officieren die zijn lot deelden en roeiden met kracht, zoodat de sloep snel de golven doorsneed.

Bligh had niet geaarzeld hoe te handelen. Men moest dadelijk trachten zoodra mogelijk het eiland Tofoa, het dichtste bij van de groep der Vrienden-eilanden, te bereiken. Slechts eenige dagen [211]geleden hadden zij dit eiland verlaten en daar moest men dan een voorraad vruchten van den broodboom verzamelen, den voorraad water vernieuwen en van daar den koers naar Tonga-Tabou nemen. Daar zou men dan ongetwijfeld genoeg levensmiddelen kunnen innemen om den overtocht te maken naar de Hollandsche vestigingen van Timor, ingeval men uit vrees voor de inboorlingen, zich niet wilde ophouden in de ontelbare archipels die op den weg gezaaid liggen.

De eerste dag ging zonder eenig bijzonder voorval voorbij en de nacht viel juist toen men de kust van Tofoa ontdekte. Ongelukkig is het strand daar zoo rotsachtig, de kust zoo steil, dat men er ’s nachts niet kan landen. Men moest dus den dag afwachten.

Bligh wilde liefst, of het moest strikt noodzakelijk zijn, den voorraad in de sloep niet aanraken. Het eiland moest dus allen voeden. Dat scheen evenwel moeielijk te zullen zijn, want in het eerst ontmoetten zij, aan land zijnde, geen spoor van bewoners. Toch duurde het niet lang of er kwamen eenige opdagen; deze werden goed ontvangen, en brachten andere mede die hen van een weinig water en eenige kokosnoten voorzagen.

Bligh was in groote verlegenheid. Wat moesten zij den inboorlingen wel zeggen die bij de laatste landing der Bounty reeds handel met haar gedreven hadden? Het was vooral zaak hun de waarheid te verbergen, teneinde het aanzien niet in gevaar te brengen waarmede de vreemdelingen op die eilanden steeds waren ontvangen geworden.

Zeggen dat zij door het vaartuig ’t welk in volle zee was gebleven, waren uitgezonden om voorraad op te doen? Onmogelijk, daar de Bounty niet zichtbaar was, zelfs van de toppen der heuvels niet! Zeggen dat zij schipbreuk hadden geleden en dat de inboorlingen in hen de eenige overlevenden der schipbreukelingen zagen? dit was nog de waarschijnlijkste fabel. Misschien zoude deze haar met medelijden vervullen en er hen toe brengen den voorraad der sloep te voltooien. Bligh bleef aan dit laatste besluit vasthouden, hoe gevaarlijk ook en waarschuwde allen opdat men het algemeen eens was betreffende deze fabel.

Bij het hooren van dit verhaal, gaven de inboorlingen geen bewijzen van vreugde, noch teekenen van verdriet. Alleen was er groote verwondering op hun gelaat te lezen en wat zij overigens dachten, was onmogelijk te raden.

Den 2n Mei was het aantal inboorlingen die van de andere deelen des eilands waren samengestroomd, waarlijk onrustbarend en weldra merkte Bligh op dat zij vijandige plannen hadden. Eenige beproefden zelfs de sloep op het strand te slepen en lieten dit voornemen eerst varen bij de nadrukkelijke vertogen van den kapitein, die hen met zijn hartsvanger in ontzag moest houden. Gedurende dien tijd, kwamen eenige zijner manschappen, die Bligh had uitgezonden, met eenige gallons water terug. [212]

Het was meer dan tijd dit ongastvrije oord te verlaten. Bij het ondergaan der zon was alles gereed, maar het was niet gemakkelijk de sloep te bereiken. Het strand was bezaaid met inboorlingen die steenen tegen elkander aansloegen en ze gereed hielden om te werpen. De sloep moest zich dus op eenige vademen van het strand verwijderd houden en slechts dan aanlanden, als de mannen gereed waren zich in te schepen.

De Engelschen waren nu ernstig ongerust over de vijandige neigingen der inboorlingen; zij klommen weder naar het strand af, te midden van tweehonderd inboorlingen, die slechts op een teeken wachtten om zich op hen te werpen. Evenwel waren allen gelukkig in de sloep gekomen, toen een der matrozen, Bancroft genaamd, op het noodlottig idée kwam naar het strand terug te keeren om ’t een of andere voorwerp te zoeken dat hij er had achtergelaten. Binnen een seconde werd de onvoorzichtige door de inboorlingen omringd en door steenen gedood, zonder dat zijne metgezellen, die geen enkel vuurwapen bezaten, hem konden te hulp komen. Doch ook zij zelven werden op dat oogenblik aangegrepen en met een hagel van steenen begroet.

»Komt, jongens,” riep Bligh, »aan de riemen en flink doorgeroeid!”

De inboorlingen begaven zich toen in zee en deden opnieuw een hagelbui van keien op de sloep regenen. Verscheidene mannen werden gekwetst. Maar Hayward, raapte een steen op die in de sloep gevallen was, mikte op een van de aanvallers en raakte hem midden op het voorhoofd. De inboorling viel omver, een doordringenden schreeuw gevende, die beantwoord werd door de hoera’s der Engelschen. Hun ongelukkige kameraad was gewroken.

Intusschen staken verscheidene prauwen van het strand af en zetten hen achterna. Deze vervolging kon slechts met een gevecht eindigen, waarvan de uitslag misschien niet gelukkig geweest ware, toen de equipagemeester een goeden inval kreeg. Niet wetende dat hij Hippomenes in zijne worsteling met Atalantes navolgde, ontdeed hij zich van zijn boezeroen en wierp het in zee. De inboorlingen lieten hun prooi los en hielden zich op om zich van het boezeroen meester te maken, waardoor de sloep om den hoek der baai heen kon varen.

Middelerwijl was nu de nacht geheel aangebroken en gaven de inboorlingen ontmoedigd, de vervolging van de sloep op.

Deze eerste poging om ergens aan land te komen was al te ongelukkig tegengeloopen om opnieuw te beproeven; dit was althans de raad van kapitein Bligh.

De golven werden zoo hoog. Bladz. 214.

De golven werden zoo hoog. Bladz. 214.

»Wij moeten nu een besluit nemen,” zeide hij. »Ik ben er zeker van dat wat op Tofoa is voorgevallen, zich op Tonga-Tabou en overal waar we zouden willen aanlanden, zal herhalen. Met ons klein getal, zonder vuurwapenen, zullen we geheel aan de genade [213]der inboorlingen zijn overgeleverd. Zonder voorwerpen om te ruilen, kunnen we geen levensmiddelen koopen, en ’t is ons onmogelijk ze ons met geweld te verschaffen. Wij zijn dus alleen aan [214]onze hulpmiddelen overgelaten. Nu weet je evengoed als ik, vrienden, hoe ellendig die zijn! Maar is het niet beter er ons mee te vergenoegen dan bij elke landing het leven van verscheidene onzer te wagen? En toch wil ik u het verschrikkelijke van onzen toestand niet ontveinzen. Om Timor te bereiken, moeten we nagenoeg twaalfhonderd mijlen afleggen en zult ge u moeten vergenoegen met een ons beschuit per dag en een kwart pint water! Tegen dien prijs alleen is er nog redding mogelijk en op die voorwaarde dan nog dat ik de meest mogelijke gehoorzaamheid bij u zal ontmoeten. Antwoordt me zonder omwegen, ronduit, vindt ge goed de onderneming te wagen? Zweert ge mijne bevelen na te komen, welke ze ook zijn mogen? Belooft ge zonder morren u aan al deze ontberingen te onderwerpen?”

»Ja, ja, we zweren het!” riepen als uit één mond de metgezellen van Bligh uit.

»Mijne vrienden,” hernam de kapitein, »ook moeten we onze wederzijdsche tekortkomingen, onze antipathiën en onzen haat vergeten, in een woord onzen persoonlijken afkeer opofferen aan het algemeen belang, dat alleen ons moet leiden!”

»We beloven het.”

»Als je je woord houdt,” voegde Bligh er bij, »en desnoods zal ik je er toe noodzaken, sta ik voor je redding in.”

De weg was toen naar ’t O.-N.-O. De wind, die vrij sterk was, ging in den avond van 4 Mei in storm over. De golven werden zoo hoog, dat de boot somtijds geheel tusschen haar wegdook en scheen zich niet weder te kunnen verheffen. Het gevaar nam elk oogenblik toe. Doornat en koud, hadden de ongelukkigen om zich wat op te wekken, niets dan een kop thee met wat rum en het vierde van een half verrotte vrucht van den broodboom.

Den dag daarop en de volgende dagen, kwam er geen verandering in den toestand. De boot ging tusschen ontelbare eilanden door, waarvan eenige prauwen afstaken.

Geschiedde dit om hen na te zetten of was het om eenige voorwerpen in ruil aan te bieden? In dezen twijfel zou het onvoorzichtig geweest zijn zich op te houden. Ook had de sloep, waarvan de zeilen door een goeden wind uitgezet waren, ze weldra ver achtergelaten.

Den 9n Mei, barstte er een vreeselijke storm los. Donder en bliksem volgden elkaar onophoudelijk op. De regen viel met een kracht waarvan de hevigste stormen onzer klimaten geen denkbeeld kunnen geven. Het was onmogelijk de kleederen te doen drogen. Bligh kwam toen op de gedachte ze in zeewater te dompelen en ze op die wijze met zout te laten doortrekken, teneinde de huid een weinig van de warmte terug te geven, die haar door den regen ontnomen was. Intusschen bespaarden die stortregens, die den kapitein en zijne metgezellen zooveel leed berokkenden, hun andere [215]martelingen nog veel verschrikkelijker, de martelingen van den dorst namelijk, die eene onverdraaglijke hitte weldra zou hebben doen ontstaan.

Den 17n Mei, ’s morgens, werden na een vreeselijken storm, de klachten algemeen:

»Nooit zullen we de kracht hebben Nieuw-Holland te bereiken,” riepen de ongelukkigen uit. »Doornat van den regen, uitgeput van vermoeienis, zullen we nooit een oogenblik rust hebben! We zijn half dood van den honger en toch versterkt u onze rantsoenen niet, kapitein! Wat komt het er op aan dat onze levensmiddelen op raken. We kunnen bij onze aankomst op Nieuw-Holland ze immers gemakkelijk vernieuwen!”

»’k Moet weigeren,” antwoordde Bligh. »’t Zou met recht gekkenwerk wezen. Wat! we hebben nog slechts den afstand afgelegd die ons van Australië scheidt, en je verliest nu den moed al! En geloof je bovendien gemakkelijk levensmiddelen te zullen vinden op de kust van Nieuw-Holland? Je schijnt het land en zijn bewoners niet te kennen!”

Bligh schilderde toen in breede trekken den aard van den bodem, de zeden der inboorlingen, het weinige vertrouwen dat men in een goede ontvangst moest stellen, allen zaken die hij op zijn reis met kapitein Cook had leeren kennen. Dezen keer nog, hoorden zijne ongelukkige lotgenooten hem aan en zwegen.

De volgende veertien dagen mocht men zich in heldere zonneschijn verheugen, die hun de gelegenheid aanbood om hunne kleederen op te drogen. Den 27n kwamen zij over de branding die de oostkust van Nieuw-Holland omgeeft. De zee was kalm achter deze koraalriffen en eenige groepen eilanden met exotischen plantengroei, verheugden hunne blikken.

Men ontscheepte zich en betrad de kust met de grootste voorzorgen. Men vond geen andere sporen van het verblijf der inboorlingen dan oude vuurplaatsen. Het was dus mogelijk een goeden nacht aan land door te brengen.

Doch men moest eten. Bij toeval ontdekte een der matrozen een oesterbank. Dat was een echte smulpartij.

Den volgenden dag vond Bligh in de sloep een vergrootglas, een vuurslag en zwavel. Hij was dus in staat zich vuur te verschaffen om het wild of de visch te braden.

Bligh kwam toen op het denkbeeld zijn equipage in drie afdeelingen te verdeelen: de eene moest alles in de boot in order brengen; de twee andere moesten op levensmiddelen uitgaan. Maar velen hunner beklaagden zich over deze taak en zagen liever van hun diner af dan zich in de wildernis te wagen.

Een van hen, heftiger of meer ontzenuwd dan zijne kameraden, ging zelfs zoo ver om aan den kapitein te zeggen: [216]

»De een is niets beter dan de andere en ’k zie niet in waarom u altijd achter zoudt blijven om uit te rusten! Als u honger hebt, ga dan eten zoeken! Voor ’t geen u hier te doen hebt, zal ’k u wel vervangen!”

Bligh, die begreep dat deze geest van oproer in de geboorte moest gesmoord worden, greep een hartsvanger, wierp een ander voor de voeten van den oproermaker en riep hem toe:

»Verdedig je of ik steek je overhoop!”

Deze krachtige houding deed den oproerling dadelijk tot bedaren komen en het algemeene misnoegen kalmeeren.

Bij deze landing deed de equipage der sloep een ruimen voorraad op van oesters, kammosselen en zoet water.

Een weinig verder, in de straat van Endeavour, kwam een der troepen die op de jacht van schildpadden en van zeezwaluwen waren uitgezonden, met ledige handen terug; de andere troep bracht zes zeezwaluwen mede, maar deze zouden er veel meer gevangen hebben als niet een der jagers zoo koppig geweest was om van zijne kameraden af te gaan en deze vogels te verschrikken. Deze man bekende later dat hij zich van negen dezer vogels had meester gemaakt en ze rauw op de plaats zelve opgegeten had.

Zonder de levensmiddelen en het zoet water dat zij op de kust van Nieuw-Holland gevonden hadden, zouden Bligh en zijne kameraden ongetwijfeld omgekomen zijn. Overigens verkeerden allen in een beklagenswaardigen toestand, vermagerd, vervallen, uitgeput, niet veel meer dan lijken.

De reis in volle zee, om Timor te bereiken, was slechts de smartelijke herhaling van het lijden dat deze ongelukkigen reeds doorgestaan hadden alvorens de kusten van Nieuw-Holland te bereiken. Het vermogen om weerstand te bieden was evenwel bij allen zonder uitzondering, gebroken. Na eenige dagen, zwollen hunne beenen op. In dien toestand van buitengewone zwakte werden zij overvallen door een bijna voordurenden lust om te slapen. Dit waren de voorteekenen van een einde dat niet veraf meer kon zijn. Bligh, die dit opmerkte, deelde aan de meest verzwakten een dubbel rantsoen uit en trachtte hun een weinig hoop te geven.

Eindelijk kwam den 12n Juni ’s morgens, na een overtocht van drie duizend zes honderd achttien mijlen, in verschrikkelijke omstandigheden, de kust van Timor in ’t gezicht.

De ontvangst die de Engelschen te Coupang genoten, was buitengewoon gastvrij en deelnemend. Zij bleven er twee maanden om zich te herstellen. Nadat Bligh toen aldaar een kleinen schoener gekocht had, bereikte hij Batavia, alwaar hij zich voor Engeland inscheepte.

Men liet het anker vallen op de reede van Matavaï. Bladz. 218.

Men liet het anker vallen op de reede van Matavaï. Bladz. 218.

Den 14n Maart, 1790 liepen de verlatenen te Portsmouth binnen. Het verhaal van het lijden dat zij doorgestaan hadden wekte de [217]algemeene deelneming en verontwaardiging van weldenkenden op. Bijna onmiddellijk ging de Admiraliteit over tot de uitrusting van het fregat de Pandora, van vier en twintig stukken en honderd [218]zestig man en zond haar uit ter vervolging van de oproerlingen der Bounty.

Men zal zien wat er van hen geworden was.

[Inhoud]

NovelSmooth

Over 10,000 web novels across every genre, from heart-racing romance to epic fantasy. All free to read online, updated daily.

Genres

© 2026 Novelsmooth. All rights reserved.