Nadat kapitein Bligh in volle zee was achtergelaten, was de Bounty naar Taïti onder zeil gegaan. Dienzelfden dag, bereikte zij Toubouaï. De lachende aanblik van dat kleine eiland, omgeven door koraalriffen, noodigde Christian uit er te landen; maar de vijandige houding der bewoners was te dreigend, zoo dat van een landing werd afgezien.
Den 6n Juni 1789 liet men het anker vallen op de reede van Matavaï. Toen de bewoners van Taïti de Bounty herkenden, was hunne verrassing buitengewoon. De oproerlingen vonden daar de inboorlingen weder met wie zij bij eene voorgaande landing betrekkingen hadden aangeknoopt en zij vertelden hun een fabel, waaraan zij zorgden den naam te verbinden van kapitein Cook, die bij de bewoners van Taïti de beste herinnering had achtergelaten.
Den 29n Juni, vertrokken de oproerlingen weder naar Toubouaï en zochten zij een eiland op dat buiten den gewonen weg der vaartuigen gelegen was, waarvan de bodem vruchtbaar genoeg was om hen te voeden en waar zij in veiligheid konden leven. Zij dwaalden op die wijze rond van archipel naar archipel, onder het bedrijven van allerlei rooverijen en buitensporigheden, die het Christian maar zelden mocht gelukken te voorkomen.
Daarna, nogmaals uitgelokt door de vruchtbaarheid van Taïti, door de zachte en gemakkelijke zeden zijner bewoners, liepen zij opnieuw de baai van Matavaï binnen. Daar begaf zich het twee derde gedeelte der equipage onmiddellijk aan land. Maar dienzelfden avond had de Bounty het anker gelicht en was verdwenen, voordat de ontscheepte matrozen het voornemen van Christian om zonder hen te vertrekken hadden kunnen vermoeden.
Aan zich zelve overgelaten vestigden deze mannen zonder veel leedgevoel zich in verschillende districten van het eiland. De equipagemeester Stewart en de adelborst Peter Heywood, de twee officieren die Christian van de veroordeeling tegen Bligh uitgesproken, had uitgezonderd en huns ondanks had medegenomen, bleven te [219]Matavaï bij den koning Tippao, wiens zuster Stewart weldra huwde. Morrison en Millward begaven zich naar het opperhoofd Peno, die hen goed ontving. Wat de andere matrozen betreft, zij drongen dieper op het eiland door en huwden al spoedig met inlandsche vrouwen.
Churchill en een razende krankzinnige, Thompson genaamd, werden, na allerlei misdaden bedreven te hebben, handgemeen met elkander. Churchill werd gedood in dezen strijd en Thompson door de inboorlingen gesteenigd. Op die wijze kwamen twee der oproerlingen om het leven die het grootste aandeel aan het oproer genomen hadden. De andere wisten zich integendeel door hun goed gedrag zeer bemind bij de bewoners van Taïti te maken.
Intusschen leefden Morrison en Millward steeds in het vooruitzicht eenmaal de straf voor hun misdrijf te ontvangen en konden daarom niet rustig blijven wonen op het eiland waar zij gemakkelijk konden ontdekt worden. Zij vatten dus het voornemen op een schoener te bouwen waarmede zij zouden beproeven Batavia te bereiken, teneinde zich te midden van de beschaafde wereld te verliezen. Het gelukte hun om met vier hunner lotgenooten, zonder andere gereedschappen dan die van den timmerman, een klein vaartuig te bouwen dat zij de Résolution noemden, en zij legden het vast in een baai achter een der kapen van Taïti, kaap Venus genaamd. Maar de volstrekte onmogelijkheid waarin zij zich bevonden zich zeilen te verschaffen, belette hen zee te kiezen.
Gedurende dien tijd, bebouwde, sterk in hun onschuld, Steward een tuin en verzamelde Peter Heywood de stof voor een woordenlijst, die voor de Engelsche zendelingen van groot nut was.
Achttien maanden waren intusschen verloopen toen, den 23n Maart, 1791, een schip kaap Venus omzeilde en in de baai Matavaï binnenliep. Het was de Pandora, door de Engelsche admiraliteit uitgezonden om de oproerlingen op te sporen.
Heywood en Steward haastten zich aan boord te gaan, gaven hunne namen en hoedanigheden op en verhaalden dat zij volstrekt geen deel aan den opstand genomen hadden; maar men geloofde hen niet en zij werden dadelijk in boeien gesloten, evenals hunne metgezellen, zonder dat het minste onderzoek werd ingesteld. Met de grofste onmenschelijkheid behandeld, met ketenen beladen, bedreigd doodgeschoten te worden zoodra zij zich van de taal van Taïti bedienden om met elkander te spreken, werden zij opgesloten in een kooi van elf voet lang, die aan het uiteinde van het achterdek geplaatst was en door een liefhebber der mythologie met den naam van »doos van Pandora” bestempeld werd.
Den 19n Mei staken de Résolution, die van zeilen voorzien was, en de Pandora in zee. Drie maanden achtereen doorkruisten deze beide vaartuigen den Vrienden-archipel, alwaar men vermoedde dat [220]Christian en de overige oproerlingen de wijk hadden kunnen nemen. De Résolution, die weinig diepgang had, bewees gedurende dezen kruistocht zelfs groote diensten: maar zij verdween in de streek van het eiland Chatam, en, hoewel de Pandora verscheidene dagen in ’t gezicht bleef, hoorde men nooit meer van haar spreken, evenmin als van de vijf zeelieden die haar bemanden.
De Pandora had met hare gevangenen den steven naar Europa gewend, toen zij in de Torris-straat tegen een koraalrif stootte en bijna onmiddellijk zonk met een en dertig matrozen en vier der opstandelingen.
De equipage en de gevangenen, die aan de schipbreuk ontsnapt waren, bereikten toen een zandig eilandje. Daar konden althans de officieren zich onder tenten beschutten; maar de opstandelingen, blootgesteld aan de loodrechte stralen der zon, moesten zich, ten einde een weinig verlichting te vinden, tot den hals toe, in het zand begraven.
De schipbreukelingen bleven eenige dagen op dit eilandje vertoeven; daarna bereikten allen Timor in de sloepen der Pandora terwijl intusschen de strenge bewaking over de oproerlingen geen oogenblik verzuimd werd, niettegenstaande de ernstige omstandigheden.
Na in de maand Juni 1792 in Engeland te zijn aangekomen, moesten de oproerlingen voor den krijgsraad verschijnen, gepresideerd door admiraal Hood. De debatten duurden zes dagen en eindigden met de vrijspraak van vier der beschuldigden en de ter dood veroordeeling der zes andere, wegens misdaad van desertie en ontvoering van het vaartuig dat aan hunne hoede was toevertrouwd. Vier der veroordeelden werden opgehangen aan boord van een oorlogsschip; de twee andere, Stewart en Peter Heywood, wier onschuld eindelijk erkend werd, kregen gratie.
Maar wat was er nu toch van de Bounty geworden? Had zij schipbreuk geleden met de laatste der oproerlingen? Het was onmogelijk het te weten te komen.
In 1814, vijf en twintig jaren na het tooneel waarmede dit verhaal begint, kruisten twee oorlogsschepen onder bevel van kapitein Staines in Australië. Zij bevonden zich ten zuiden van den archipel Dangereux, in het gezicht van een bergachtig en vulkanisch eiland, dat Carteret ontdekt had op zijn reis rondom de wereld, en waaraan hij den naam van Pitcairn gegeven had. Het was slechts een kegel, bijna zonder strand, die zich loodrecht boven de zee verhief en tot den top toe bedekt was met palm- en broodboombosschen. Nooit was dit eiland bezocht; het bevond zich op twaalfhonderd mijlen van Taïti, op 25° 4’ Z. B. en 180° 8’ W. L.; de omtrek bedroeg slechts vier en een half mijl en het was slechts anderhalf mijl lang, terwijl men er niets anders van wist dan ’t geen Carteret er van vermeld had. [221]

John Adam was toen de laatste overlevende. Bladz. 223.
Kapitein Staines besloot het te verkennen en er eene geschikte landingsplaats te zoeken.
Bij het naderen van de kust, was hij verrast er hutten, bebouwde [222]akkers te zien en aan den oever twee inboorlingen, die, na een boot in zee gebracht te hebben en behendig door de branding gekomen te zijn, zich naar het vaartuig wendden. Maar zijne verbazing steeg ten top, toen hij zich in uitmuntend Engelsch met de volgende woorden hoorde aanspreken:
»Hei! jelui daar, gooi eens een touw op, om ons aan boord te hijschen!”
Nauwlijks waren de krachtige roeiers op het dek aangekomen of zij werden omringd door de verbaasde matrozen, die hen met vragen overlaadden waarop zij niet wisten wat te antwoorden. Voor den kommandant gebracht, werden zij geregeld ondervraagd.
»Wie zijt gij?”
»Ik heet Fletcher Christian en mijn kameraad, Young.”
Uit deze namen kon kapitein Staines, die er ver van af was om aan de overlevenden der Bounty te denken, niets bijzonders opmaken.
»Sedert wanneer zijt ge hier?”
»We zijn hier geboren.”
»Hoe oud zijt ge?”
»Ik ben vijf en twintig jaar,” antwoordde Christian, »en Young achttien.”
»Zijn je ouders door een schipbreuk op dit eiland geworpen?”
Toen legde Christian aan kapitein Staines de roerende bekentenis af die volgt en waarvan hier de voornaamste bijzonderheden voorkomen:
Na het verlaten van Taïti, alwaar hij een en twintig zijner kameraden achterliet, had Christian, die het reisverhaal van kapitein Carteret aan boord had, zich rechtstreeks naar het eiland Pitcairn gericht, waarvan de ligging hem beter voor het doel dat hij zich voorstelde, was toegeschenen. De equipage der Bounty bestond nog uit acht en twintig man. Het waren Christian, de adelborst Young en zes matrozen, waarvan drie met hunne vrouwen en een kind van tien maanden, behalve drie mannen en zes vrouwen, inboorlingen van Roubouaï.
De eerste zorg van Christian en zijne metgezellen, zoodra zij het eiland Pitcairn bereikt hadden, was geweest om de Bounty te vernietigen, teneinde niet ontdekt te worden. Wel is waar hadden zij zich daardoor de mogelijkheid afgesneden om het eiland te verlaten, maar de zorg voor hunne veiligheid vorderde het.
De vestiging der kleine kolonie was niet zonder moeielijkheden tot stand gekomen. En hoe kon het anders met menschen die alleen door een misdaad met elkander verbonden waren! Al zeer spoedig braken er bloedige twisten uit tusschen de inboorlingen van Taïti en de Engelschen. Ook waren er in 1794 nog slechts vier oproerlingen in leven. Christian was omgekomen door een messteek van een der inboorlingen die hij had medegebracht. Al de bewoners van Taïti waren vermoord. [223]
Een van de Engelschen had het middel gevonden om uit den wortel eener inlandsche plant geestrijke dranken te vervaardigen; eindelijk geheel het slachtoffer van dronkenschap geworden, had hij zich in een aanval van delirium tremens, van den steilen rots-oever in de zee gestort.
Een ander had zich in een aanval van waanzin op Young en een van de matrozen, John Adams, geworpen die zich genoodzaakt zagen hem te dooden. In 1800 was Young in een hevigen aanval van asthma gestorven.
John Adams was toen de laatste overlevende van de equipage der oproerlingen.
Met verscheidene vrouwen en twintig kinderen, geboren uit het huwelijk zijner kameraden met vrouwen van Taïti, had zich het karakter van John Adams geheel gewijzigd. Hij was toen nog slechts zes en dertig jaar, maar sedert een aantal jaren had hij zooveel bloedige tooneelen van geweld bijgewoond en de menschelijke natuur van zulk eene droevige zijde leeren kennen, dat hij, na tot inkeer gekomen te zijn, zich geheel gebeterd had.
In de bibliotheek van de Bounty, die op het eiland bewaard bleef, bevonden zich een bijbel en verscheidene gebedeboeken. John Adams, die ze meermalen las, bekeerde zich, prentte de jeugdige bevolking die hem als een vader beschouwde, uitmuntende beginselen in en werd door de macht der omstandigheden, de wetgever, de hooge priester en zooveel als de koning van Pitcairn.
Evenwel had hij tot in 1814 in aanhoudende vrees geleefd. In 1755 hadden de vier overlevenden van de Bounty bij de nadering van een vaartuig, zich in de ongenaakbare bosschen schuil gehouden en waren niet naar de baai durven afkomen dan nadat het schip vertrokken was. Zij hadden denzelfden voorzichtigheidsmaatregel in acht genomen toen in 1818 een Amerikaansch kapitein zich op het eiland ontscheepte, alwaar hij zich van een chronometer en een kompas meester maakte, die hij aan de Engelsche admiraliteit deed toekomen; maar de admiraliteit bekreunde zich niet om deze overblijfselen van de Bounty. Nu vielen er in Europa in dit tijdperk wel andere zaken van veel meer gewicht voor om zich mede te bemoeien.
Dit was het verhaal aan kapitein Staines van de twee inboorlingen, Engelschen door hunne vaders, de een de zoon van Christian, de andere van Young, doch, toen Staines vroeg om John Adams te zien, weigerde deze zich aan boord te begeven, alvorens te weten hoe men hem behandelen zou.
Nadat de kommandant aan de beide jongelieden verzekerd had dat John Adams door verjaring vrij van vervolging was geworden, daar er sedert het oproer van de Bounty vijf en twintig jaren verloopen waren, ging hij aan land en werd hij ontvangen door eene [224]bevolking van zes en veertig volwassenen en een groot aantal kinderen. Allen waren groot en sterk, met een duidelijk uitgedrukte Engelsche type; vooral de jonge meisjes waren verrassend schoon, terwijl hare zedigheid niet weinig strekte aan hare schoonheid een verleidelijk karakter mede te deelen.
De wetten waardoor deze kleine bevolking geregeerd werd, waren zeer eenvoudig. Op een register werd aangeteekend wat iedereen met zijn arbeid verdiend had. Geld was er onbekend; alle overeenkomsten werden door middel van ruilhandel gesloten, maar er was geen nijverheid, want de grondstoffen ontbraken. De eenige kleeding der eilanders bestond in breedgerande hoeden en gordels van lang gras. Vischvangst en akkerbouw maakten hunne voornaamste bezigheden uit. Er werden geen huwelijken gesloten dan met toestemming van Adams en niet dan nadat de man een stuk grond ontgonnen en bebouwd had dat groot genoeg was om in het onderhoud van zijn huisgezin te voorzien.
Nadat kapitein Staines zich omtrent alles betreffende dit merkwaardige eiland, verloren in de minst bezochte streken van de Stille Zuidzee, had laten inlichten, ging hij weder in zee en kwam in Europa terug.
Sedert heeft de eerwaardige John Adams zijne avontuurlijke loopbaan geëindigd. Hij is in 1829 gestorven, en is vervangen door den eerwaardigen George Nobbs die nog heden op het eiland de functies waarneemt van geestelijken herder, geneesheer en van onderwijzer.
In 1853 bedroeg het aantal afstammelingen van de oproerlingen der Bounty honderd zeventig personen. Sedert dien tijd is de bevolking steeds toegenomen en werd zij zelfs zoo talrijk dat zij drie jaren later voor een groot gedeelte moest verhuizen naar het eiland Norfolk, ’t welk tot dat tijdstip als verblijf voor convicts gediend had. Maar een gedeelte der geëmigreerden betreurde Pitcairn, alhoewel Norfolk viermaal grooter was, zijn bodem eene merkwaardige vruchtbaarheid bezat en de middelen van bestaan er oneindig gemakkelijker te verkrijgen waren. Na twee jaren verblijf keerden verscheidene huisgezinnen naar Pitcairn terug, alwaar zij zich in een voortdurenden welstand verheugen.
Zoodanig was dus de ontknooping van een avontuur dat op zulk eene treurige wijze begonnen was. In het begin, oproerlingen moordenaars, krankzinnigen en nu, onder den invloed van christelijke zeden en het onderwijs van een armen bekeerden matroos, is het eiland Pitcairn het vaderland geworden van eene vreedzame, gastvrije, gelukkige bevolking, bij welke de aartsvaderlijke zeden der eerste eeuwen worden wedergevonden.
[225] [Inhoud]