“Als ’t nog lang zulk zacht weer blijft,” zei Mevrouw Jennings den volgenden morgen aan het ontbijt, “dan zal Sir John het niet prettig vinden, de volgende week uit Barton weg te gaan; jagers kunnen er slecht tegen, een dag van hun pleizier te missen. Stakkers! ik heb altijd medelijden met hen, als dat gebeurt;—ze trekken het zich zoo geweldig aan.”
“Dat is waar,” riep Marianne op vroolijken toon, terwijl ze naar ’t venster liep, om naar de lucht te zien, “dááraan had ik niet gedacht. Met dit weer zullen veel jachtliefhebbers buiten blijven.”
Dat was een gelukkige inval; haar vroegere opgewektheid keerde er geheel door terug. “Voor hen is het weer uitgezocht,” ging ze voort, terwijl ze met een blij gezicht aan de ontbijttafel ging zitten. “Wat zullen ze genieten. Maar,” (opnieuw ietwat angstig) “men kan niet verwachten dat het lang zal duren. Om dezen tijd van het jaar, en na dien aanhoudenden regen, kan het niet lang meer [189]zoo blijven. ’t Zal wel gauw gaan vriezen, en dan zeker nog al hard. Over een paar dagen misschien; dit bijzonder zachte weer kàn toch haast niet langer aanhouden;—wie weet, misschien vriest het van nacht al!”
“In elk geval,” zei Elinor, die hoopte, dat Mevrouw Jennings niet zóó duidelijk haar zuster’s gedachtengang kon volgen, als zijzelve, “denk ik, dat Sir John en Lady Middleton in het eind van de volgende week toch wel naar de stad zullen komen.”
“Ja lieve kind, dat durf ik ook wel wedden. Mary krijgt toch altijd haar zin.”
“En dus,” raadde Elinor in stilte, “wordt er vandaag een brief verzonden naar Combe Magna.”
Doch zóó dit al gebeurde, dan werd die brief geschreven en verzonden met een geheimzinnigheid, die al haar oplettendheid om zich van het feit te vergewissen, vermocht te verschalken. Wàt dan nu ook de waarheid mocht zijn, en al was Elinor er verre van, zich in haar hart voldaan te gevoelen, zoolang ze Marianne maar vroolijk zag, was zijzelve niet al te zeer ongerust. En Marianne wàs vroolijk, blij dat het weer zacht bleef, en nog blijder dat er vorst te wachten viel.
Zij brachten den morgen door met kaartjes afgeven bij Mevrouw Jennings’ bekenden, om hen te laten weten dat zij weer in de stad was, en Marianne deed niet anders dan letten op de windrichting, kijken naar de wisselende lucht, en zich verbeelden, dat de atmosfeer veranderde. “Vind je ’t niet kouder dan ’t van morgen was, Elinor? Ik voel bepaald een groot verschil. Ik kan zelfs in mijn mof mijn handen haast niet warm houden. Gister was dat toch niet zoo. De wolken drijven ook uiteen, straks komt de zon door, en dan krijgen we een helderen middag.”
Elinor vond het half grappig en half droevig; maar Marianne hield vol, en zag elken avond in de helderheid van het vuur, en elken morgen in ’t [190]voorkomen van de lucht de onmiskenbare symptomen van de naderende vorst.
De dames Dashwood hadden evenmin reden tot onvoldaanheid over Mevrouw Jennings’ leefwijze en haar kring van bekenden, als over haar gedrag jegens henzelven, dat onveranderlijk vriendelijk bleef. Haar huishouding was op ruimen en aangenamen voet ingericht, en behalve een paar oude vrienden uit de City, die zij tot Lady Middleton’s ergernis, niet had willen laten varen, ging zij met niemand om, aan wie zij hare jeugdige vriendinnen niet had kunnen voorstellen zonder hare gevoelens te kwetsen. Blijde, dat alles haar in dit opzicht althans nogal meeviel, was Elinor ten volle bereid, zich te schikken in het gemis van werkelijk genoegen dat er voor haar te putten viel uit de avondpartijtjes, die, ’t zij tehuis of bij vreemden, steeds aan het kaartspel waren gewijd, en haar dus weinig afleiding verschaften. Kolonel Brandon, die een doorloopende invitatie had ontvangen, bezocht hen bijna iederen dag; hij kwam om te kijken naar Marianne en te praten met Elinor, die dikwijls meer genoegen vond in een gesprek met hem, dan eenige andere der dagelijksche kleine gebeurtenissen haar kon schenken, maar die tevens met bezorgdheid zag, dat hij nog steeds haar zuster liefhad. Zij vreesde dat die genegenheid sterker werd. Het deed haar verdriet te zien, hoe ernstig hij dikwijls Marianne gadesloeg, en hij scheen bepaald nog meer gedrukt dan te Barton.
Omstreeks een week na hun aankomst verkregen zij de zekerheid, dat ook Willoughby in de stad was. Toen zij terugkwamen van hun morgenrit, lag zijn kaartje op de tafel.
“God!” riep Marianne, “hij is hier geweest, terwijl wij uit waren!” Elinor, die blijde was thans zeker te zijn van zijn komst in Londen, waagde het te zeggen: “Reken er maar gerust op, dat hij morgen weer hier komt.” Doch Marianne scheen haar [191]ternauwernood te hooren, en liep, toen Mevrouw Jennings binnenkwam, haastig met het kostbare kaartje weg.
Dit voorval, dat Elinor vroolijker stemde, maakte haar zuster weer even onrustig, ja nog gejaagder, dan zij te voren was geweest. Van dit oogenblik af kwam zij in het geheel niet meer tot rust; het besef, dat zij hem elk uur van den dag kòn ontmoeten, maakte dat zij tot niets meer in staat was. Zij wilde volstrekt tehuis blijven, toen de anderen den volgenden morgen uitgingen.
Elinor’s gedachten hielden zich voortdurend bezig met hetgeen wel in Berkeley Street mocht voorvallen gedurende hunne afwezigheid; maar een enkele blik naar haar zuster bij hun terugkomst was voldoende om haar te doen begrijpen, dat Willoughby geen tweede bezoek had afgelegd. Juist werd een briefje binnengebracht, dat de knecht op de tafel legde.
“Voor mij!” riep Marianne, haastig toesnellend.
“Neen, juffrouw, ’t is voor Mevrouw Jennings.”
Doch Marianne, nog niet overtuigd, nam het op.
“Ja, ’t is voor Mevrouw Jennings; hoe ergerlijk!”
“Verwacht je dan een brief?” zei Elinor, niet bij machte langer te zwijgen.
“Ja... ten minste... ik dacht...”
Na een korte stilte liet Elinor hierop volgen: “Je stelt geen vertrouwen in mij, Marianne.”
“O, maar Elinor, dat jij me dat verwijt!—jij, die in niemand vertrouwen stelt!”
“Ik?” antwoordde Elinor half verschrikt;—“maar werkelijk, Marianne, ik heb niets te vertellen.”
“Ik evenmin,” zei Marianne met grooten nadruk; “we staan volkomen gelijk. We hebben geen van beiden iets te vertellen; jij omdat je niets wilt zeggen en ik omdat ik niets verberg.”
Elinor, bedroefd over die beschuldiging van terughouding, die zij niet mocht ontzenuwen, begreep niet, hoe zij, onder deze omstandigheden, [192]Marianne tot meerder openhartigheid zou kunnen bewegen. Mevrouw Jennings kwam weldra binnen en las het briefje, dat haar werd overhandigd, hardop voor. Het was van Lady Middleton, en bevatte behalve het bericht, dat zij den avond te voren in Conduit Street waren aangekomen, een uitnoodiging aan haar moeder en hare nichten om den volgenden avond bij hen door te brengen. Sir John’s drukke bezigheden, en een zware verkoudheid van haarzelve verhinderden hen, eerst een bezoek te brengen in Berkeley Street. De uitnoodiging werd aangenomen, maar toen het tijd was om te gaan, kostte het Elinor, ofschoon het alleen reeds uit beleefdheid tegenover Mevrouw Jennings volstrekt noodig was, dat zij haar beiden vergezelden bij dit bezoek, geen geringe moeite, haar zuster te overreden om mee te gaan; want nog steeds had zij Willoughby niet gezien, en zij bleef dus even onverschillig voor elk vermaak buitenshuis, als ongeneigd, de kans te loopen, dat hij weer zou komen, terwijl zij uit was.
Elinor had opnieuw bevonden, toen de avond was verstreken, dat iemands geaardheid, door wisseling van verblijfplaats, geen feitelijke verandering ondergaat; want hoewel hij nog maar pas in de stad was, had Sir John een twintigtal jongelui bij elkaar weten te krijgen, en maakte hen gelukkig door een danspartij. Lady Middleton keurde dit nu eigenlijk niet goed. Buiten kon zulk een impromptu-avondje er heel goed mee door; maar in Londen, waar het er meer op aankwam, en minder gemakkelijk viel, als onberispelijk op het punt van goede vormen te worden beschouwd, vond zij, dat men te veel waagde, door alleen ten pleiziere van een paar meisjes, bekend te laten worden, dat Lady Middleton ten haren huize eene kleine danspartij had gegeven van acht of negen paren, met twee violen, en ververschingen aan het buffet.
De Heer en Mevrouw Palmer waren van de [193]partij; de eerste, dien zij sedert kun komst in de stad niet hadden gezien, daar hij den schijn van beleefdheid jegens zijne schoonmoeder zorgvuldig vermeed, en zich dus nooit bij haar aan huis vertoonde, gaf geen blijk hen te herkennen, toen zij binnentraden. Hij nam hen vluchtig op, alsof hij niet wist, wie zij waren, en knikte maar even tegen Mevrouw Jennings van de overzij van het vertrek. Marianne liet haar blik in de kamer rondgaan, toen zij binnentrad; het was genoeg; hij was er niet—en zij ging zitten, even ongeneigd genoegen te geven als te ontvangen. Toen ze ongeveer een uur samen waren geweest, slenterde de Heer Palmer naar de dames Dashwood toe, om zijn verrassing te uiten, dat hij hen hier in de stad aantrof, hoewel Kolonel Brandon bij hem aan huis het eerst hun komst had vernomen, en hij zelfs iets héél grappigs had gezegd, toen hij hoorde dat die komst aanstaande was.
“Ik dacht dat u allebei in Devonshire waart,” zei hij.
“Och, is ’t waar?” antwoordde Elinor.
“Wanneer gaat u terug naar huis?”
“Dat weet ik niet.”—En daarmee eindigde hun gesprek. Nog nooit had Marianne zoo weinig lust gehad in dansen als dien avond, en nooit had haar die inspanning zoo vermoeid. Zij klaagde erover, toen zij terugkwamen in Berkeley Street.
“O, wel ja,” zei Mevrouw Jennings; “hoe dàt komt weten we allemaal heel best, als zeker iemand er geweest was, dan hadt je niet geweten van vermoeidheid, en om de waarheid te zeggen, ’t was niet aardig van hem, niet te komen om je te ontmoeten, terwijl hij wèl was gevraagd.”
“Gevraagd?” riep Marianne.
“Dat vertelde mijn dochter mij; Sir John was hem vanmorgen op straat tegengekomen.”
Marianne zeide niets, maar men kon het haar aanzien, hoe pijnlijk zij was getroffen. Innig verlangend [194]onder deze omstandigheden iets te doen, dat haar zuster verlichting zou kunnen schenken, besloot Elinor den volgenden morgen aan haar moeder te schrijven, en hoopte, door haar bezorgd te maken over Marianne’s gezondheid, die navraag te kunnen uitlokken, welke reeds zoolang was uitgesteld; en nog dringender scheen haar de noodzakelijkheid van dezen maatregel, toen zij den volgenden morgen na het ontbijt bemerkte, dat Marianne weer aan het schrijven was aan Willoughby; want zij kon niet veronderstellen dat haar brief aan een ander was gericht.
Kort voor den middag ging Mevrouw Jennings alleen uit, en Elinor begon aanstonds aan haar brief; terwijl Marianne, te rusteloos om bezigheid te zoeken, van het eene venster naar het andere liep, of in droevig gepeins verzonken bij het vuur zat. Elinor schreef aan hare moeder met den diepsten ernst, vertelde al wat er was gebeurd, uitte haar vermoeden omtrent Willoughby’s trouweloosheid, en drong er op aan, dat zij van Marianne zou vergen, wat plicht en genegenheid eischten, eene verklaring van haar werkelijke verhouding tot hem. Haar brief was juist klaar, toen een kloppen aan de deur bezoek aankondigde, en Kolonel Brandon werd aangediend. Marianne, die hem uit het venster had zien aankomen, en die een afkeer had van alle gezelschap, ging de kamer uit, eer hij binnentrad. Hij keek nog ernstiger dan gewoonlijk, en hoewel hij zijn voldoening te kennen gaf over het feit, dat hij Elinor alleen aantrof, alsof hij haar in het bijzonder iets had mede te deelen, bleef hij een tijdlang zitten, zonder iets te zeggen. Elinor, overtuigd dat hij haar iets wilde vertellen, dat haar zuster betrof, wachtte met ongeduld tot hij zou beginnen. Het was niet de eerste maal, dat zij dezelfde soort van zekerheid hieromtrent gevoelde; want meer dan eens had hij, beginnende met een opmerking als: “Uw zuster ziet er vandaag slecht [195]uit,” of “uw zuster schijnt neerslachtig gestemd,” blijkbaar op het punt gestaan om iets bijzonders omtrent haar te vragen of mee te deelen. Na een stilte, die minutenlang aanhield, verbrak hij het zwijgen, door haar, met bewogen stem, te vragen, wanneer hij haar zou mogen geluk wenschen met de aanwinst van een broeder? Elinor was op die vraag niet voorbereid, en moest, daar zij geen antwoord klaar had, wel hare toevlucht nemen tot de eenvoudige en voor de hand liggende weervraag: wat hij bedoelde? Hij poogde te glimlachen, terwijl hij antwoordde: “Uw zuster’s verloving met den Heer Willoughby is een zaak van algemeene bekendheid.”
“Algemeen bekend kan de zaak niet zijn,” zeide Elinor; “daar zelfs haar eigen familie er niets van weet.”
Hij keek verwonderd, en zei: “Neemt u het mij niet kwalijk; ik vrees, dat mijn vraag onbescheiden was; maar ik had niet kunnen veronderstellen dat het in uwe bedoeling lag, de zaak geheim te houden, daar zij openlijk in briefwisseling zijn, en iedereen spreekt over hun huwelijk.”
“Hoe is dat mogelijk? Door wien kunt u erover hebben hooren spreken?”
“Door verschillende personen,—sommigen, die u in ’t geheel niet, anderen, die u zeer goed bekend zijn; Mevrouw Jennings, Mevrouw Palmer, en de Middletons. Nog zou ik het misschien niet hebben geloofd,—want waar wij weinig geneigd zijn ons te laten overtuigen, vinden wij altijd iets dat onzen twijfel steun verleent,—wanneer ik niet toevallig vandaag, toen de knecht mij binnenliet, een brief had gezien, dien hij in de hand hield, geadresseerd aan den Heer Willoughby, in uw zuster’s handschrift. Ik kwam, om u ernaar te vragen; maar ik kreeg reeds zekerheid, eer ik de vraag kon doen. Is alles dus beslist? Is het onmogelijk, om... Maar ik heb geen recht, en ik zou geen kans hebben [196]te slagen.—Vergeef mij, juffrouw Dashwood. Ik geloof, dat ik verkeerd deed, zooveel te zeggen; maar ik weet bijna niet wat te doen, en in uwe voorzichtigheid stel ik het volste vertrouwen. Zeg mij, dat alles onomstootelijk vaststaat, dat geen poging... dat in een woord verzwijgen, indien verzwijgen mogelijk is, het eenige is, dat mij overblijft.”
Zijne woorden, die Elinor opvatte als een rechtstreeksche bekentenis van zijn liefde voor hare zuster, ontroerden haar zeer. Zij was niet dadelijk in staat, iets te zeggen, en zelfs toen zij zich had hersteld, overlegde zij nog een oogenblik bij zichzelve, wat het beste zou zijn, hierop te antwoorden. De werkelijke staat van zaken tusschen Willoughby en haar zuster was haar zoo weinig helder, dat zij, bij een poging om dien te verklaren, allicht evenzeer moest vreezen te veel als te weinig te zeggen. Toch, daar zij overtuigd was, dat Marianne’s liefde voor Willoughby geen hoop op vervulling van Kolonel Brandon’s wensch overliet, wáártoe die liefde ook mocht leiden, en zij tevens erop bedacht was, Marianne’s gedrag te vrijwaren voor een ongunstige beoordeeling, vond zij het, na eenig bedenken, het verstandigste en het beste, om meer te zeggen, dan zij feitelijk wist, of geloofde. Zij gaf toe, dat zij, hoewel zelve nooit door hen ingelicht omtrent hunne eigenlijke verhouding tot elkander, geen twijfel koesterde aan hun wederzijdsche genegenheid, en dat het haar niet verwonderde te hooren van hunne briefwisseling.
Hij hoorde haar stil en aandachtig aan, en stond, toen zij ophield met spreken, onmiddellijk op, terwijl hij op diepbewogen toon zeide: “Uw zuster wensch ik alle geluk, dat zich laat denken; voor Willoughby hoop ik, dat hij zal trachten haar waardig te zijn.” Daarop nam hij afscheid en vertrok.
Dit gesprek liet bij Elinor geen rustiger gevoelens achter, die haar pijnlijke onzekerheid omtrent [197]andere punten hadden kunnen verminderen; integendeel, een droevige indruk bleef haar bij van Kolonel Brandon’s verdriet, terwijl haar vurig verlangen naar eene ontknooping, die dat verdriet slechts kon verergeren, haar zelfs belette, te wenschen, het gelenigd te zien.
[Inhoud]